Voorop verscheen de leugenaar die hinkte, En achter hem marcheerden, dicht gedromd, De groenen en de grijzen, willoos, promt Zich dronken zingend aan bevolen flinkte.En daarachter weer, bruut en onvermomd, De beulen, de cipiers, die ons verminkten, Neerdrukten in de modder der instincten, ...