J ïad CU mij niet opgezocht, ik was nooit naar U gaan vragen. 7 Goede werk in mij gewrocht, rust in 't eeuwig welbehagen. Waarom, J~ï eer', verkoos Gij mij en ging anderen voorbij? J ïad U mij niet aangezien, 'k zou eronder moeien buigen. £ger me steeds de zonde vliên en van cUwe naam getu ...