Kennen van onze zonden
We zagen eerder dat de ‘dwalende leraren’, die de evangelieboodschap vermengden met opvattingen uit de gnostiek, dachten dat zij inmiddels in staat waren een zondeloos leven te leiden. Daarmee stelden zij zich ook ver boven de ‘gewone’ gemeenteleden. Johannes is scherp in het veroordelen van hun houding. Nee, werkelijk zonder zonde op aarde leven, dat kan niemand. Ook Gods kinderen niet. Weliswaar geldt van een kind van God: Gijlieden zijt nu rein (Joh. 13:10), omdat ze door het geloof in Christus’ bloed gewassen zijn. Maar hier op aarde blijven ook zij zondaren. Het christelijke geloof is een zondarenreligie. Wie meent geen zonden te doen (met woorden, werken, gedachten), die is een verleider, zo houdt Johannes ons voor in vers 8. We lezen: Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet. Als ‘onwaarachtige mensen’ (de waarheid is in ons niet) verleiden we onszelf. We komen er straks - en dan is het te laat! - bedrogen mee uit als we voor Gods rechterstoel staan. En dat niet alleen; we verleiden met zulke onbijbelse ideeën ook anderen. Als je tegen andere mensen zegt: “Ach joh, God is liefde. Over het doen van zonden hoef je niet meer in te zitten, want daar wil God helemaal niet meer over praten”, dan maken we ons schuldig. We gaan dan niet eerlijk met de zielen van onze naasten om. Want God ziet onze zonden wel degelijk aan. Zijn Goddelijk aangezicht wordt hierdoor vertoornd.
In vers 10 gaat Johannes nog een stap verder. Als je zó over jezelf, over de zonden, over God denkt, dan maak je God tot een leugen. Jawel; tot een leugenaar! Dat is wat. Satan, de grote tegenstander van God, is de grote leugenaar. Als we ons zondaarsbestaan ontkennen of verzwijgen, dan zeggen we van God dat Hij is als satan. Vreselijke gedachte… God is de zuiverste waarheid. Zijn Woord is de enige waarheid. En volgens dit Woord zijn wij zondaren, strafbare en strafwaardige zondaren. “Indien u van deze boom eet, zult u de dood sterven”, klonk het in het paradijs uit Gods mond. En wij allen zijn Adamskinderen, in zonden geboren. Dat zijn wij… Heeft God Zijn Zoon dan moeten overgeven tot de vreselijke kruisdood, omdat wij best zonder zonden kunnen leven? Lees maar eens wat hierover in het formulier van het Heilig Avondmaal staat. Hoe ernstig is het met mensen gesteld? ‘Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelven zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelven mishage, en zich voor God verootmoedige; aangezien de toorn Gods tegen de zonden zó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft.’
Als we dit ontkennen, doen we hetzelfde als wat satan in het paradijs deed toen hij Eva wijsmaakte dat God eigenlijk een leugenaar is. Het is anders dan Hij heeft gezegd hoor… Daarom doet Johannes in de eerste plaats een indringende oproep om tot een erkennen van het zondaar-zijn te komen. Daarvoor is het werk van Gods Geest nodig. Die geeft ook dat eerlijke inzicht in wie wij zijn voor Gods aangezicht. We horen Jeremia hiervan spreken: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere, uw God, gezondigd hebt (Jer. 3:13). Deze zelfkennis is een gave van God uit het genadeverbond. Want Hij belooft het: En gij zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen (Ez. 36:31). En jij? Heb jij dat al? Weet dat je ook dit in het gebed aan de Heere mag voorleggen: “Heere zou u mij ontdekkend licht willen geven?”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 2018
Daniel | 32 Pagina's