Hoe preekten de profeten op de feestdagen? (2)
Bijbelstudie over Hosea 9:1-9
Lees ook Richt. 19 cn Ezech. 33:1-7! De vorige keer zagen we hoe Hosea geen daverend applaus ontving toen hij plotseling hij de (heidense) viering van het loofhuttenfeest ten tonele verscheen op de dorsvloer, waar Israël jubelend danste. Hij verbood hen het feesten op deze manier. Toch noemde hij de Heere nog „uw God" in vs. 1. Maar de wegvoering kondigde hij aan met stellige zekerheid. En daar zou het ook gedaan zijn met de offerdienst. Deze keer gaan we zien dat die „ontdekkende prediking" Hosea niet in dank is afgenomen. Haat en vijandschap blijkt de reaktie van het volk te zijn. En dat, terwijl Hosea als Gods trouwe „wachter" zijn plicht deed toen Hij Israël waarschuwde voor het naderend onheil.
Rouwgeklag in plaats van feestvreugde (vs. 5-6)
Vlijmscherp en ironisch klinkt de vraag van de profeet te midden van de feestgangers op de dorsvloer: „Wat zult gijlieden doen op een gezette hoogtijdag, op een feestdag des Heeren? " In de ballingschap vallen er namelijk geen feesten meer te vieren. De kanttekening bij de Statenvertaling zegt ook: „Daar zult gij zonder offer en in rouw zitten buiten uw land". Vandaar dit kopje hierboven: rouwgeklag in plaats van feestvreugde. Dan zullen ze geen hoogtijdagen (gewone feesten in het algemeen) meer vieren, maar ook niet het grote oogstfeest in de herfst, het loofhuttenfeest, dat de Israëlieten juist aan het vieren waren en dat blijkbaar gold als hèt feest bij uitstek, door de grote uitbundigheid waarmee het gevierd werd. Onontkoombaar zal Gods oordeel hen treffen: „Ziet zij gaan daarhenen vanwege de verstoring". Dat is de verwoesting, die zal worden aangericht door de Assyrische legers. En al zullen sommigen aan die verwoesting ontkomen door te vluchten naar Egypte, dan zal dat nog geen redding brengen, want „Egypte zal ze verzamelen". Egypte zal de vluchtende Israëlieten wel asiel verlenen, maar tegelijk heeft dat woord „verzamelen" een onheilspellende betekenis. Het is een voorspel op de dood.
„Verzamelen" heeft in zich het „tot je vaderen verzameld worden", dus de dood. Dat wordt ook bevestigd door het parallelle zinnetje daarna:
„Mof zal ze begraven". Mof is de stad Memfis, 30 km ten zuiden van Cairo gelegen, beroemd door zijn enorme pyramiden en zijn talloze graven. Welnu, die stad zal ook een begraafplaats worden voor de Israëlieten, die in Egypte het oordeel denken te ontlopen. Israël zal het gewaar worden:
„Er is een God, die leeft en op deze aarde vonnis geeft". En wat betreft hun zilveren kostbaarheden en sieraden, die ze door hun vlucht in Kanaan moeten achterlaten, brandnetels (stekelig onkruid) zullen daar groeien en dorens zullen hun tenten overwoekeren. Het oordeel treft alles: hun privébezit, de baaldienst, hun woningen en de heiligdommen.
Het komt alles onder het oordeel van de troosteloze verlatenheid en onbewoonbaarheid. die door het beeld van het alles overwoekerende onkruid wordt opgeroepen. Voorwaar: rouwgeklag in plaats van feestvreugde.
De profeet is „mesjokke”! (vs. 7)
De volgende verzen van deze perikoop kunnen we ons het best voorstellen als het antwoord van de profeet op de reakties van de feestgangers, die zich door zijn boetepreek in hun uitgelatenheid gestoord voelen. Ze hebben de profeet namelijk uitgescholden. Het feest moet doorgaan. En de haat groeit tegen de verstoorder van dc vreugde. Ze hebben geroepen „de profeet is een dwaas" en „hij is onzinnig". Letterlijk staat er in het Hebreeuws „mesjugga". waar het Amsterdamse „mesjokke" vandaan komt. Met dit woord is Elisa ook eens uitgescholden (2 Kon. 9:11). Het betekent: ntoerekenbare waanzinnige. Je zou ook kunnen zeggen: uiten zinnen in een soort
extase of zinsverrukking. De profeet is blijkbaar buiten zichzelf, omdat hij de smart doorleeft van Gods gcrichten. die over Israël komen. Israël zal het weten: de dagen der bezoeking zijn gekomen, de vergelding voor al hun overtredingen is onontkoombaar. En vanwege de grootte van hun schuld is ook de haat zo groot. De tegenkanting en vijandschap tegen God en Zijn profeet. Hosea zegt in het slot van vs. 7 dus: als u mij dwaas en waanzinnig noemt, dan blijkt daaruit uw vijandschap tegen Gods boodschap. Denk over dit laatste zinnetje eens na! Zo vaak hebben de ambtsdragers en de kerk het gedaan! Is die tegenzin echter niet de vrucht van heimelijke vijandschap tegen Gods boodschap? Als je op je zonden gewezen wordt en met ernst het oordeel van God daarover wordt aangezegd, zeg je dan zoals Israël: „O. daar heb je die naarling weer. nooit mogen we eens doen wat we zelf willen, altijd maar die waarschuwende stem, die zwartgalligheid". De dominee, de ouderling is onzinnig! Inderdaad, als het goed is! Zo bezorgd om je ziel en zaligheid, dat ze ..buiten zinnen" zijn vanwege de smart, die God wordt aangedaan in een leven van keihard egoïsme. En ook omdat ze je voor het naderende Godsoordeel niet overhebben. Iedere wachter krijgt kritiek. Weetje waarom? Omdat in zijn boodschap altijd iets zit van de ergernis van het kruis. Buig toch, jonge vrienden, voor die goedertieren God. Antwoord op Zijn waarschuwing niet met haat, maar met liefde. Kruip op je knieën naar die God toe. die je (naar Zich toe) slaat! En denk aan Israël als waarschuwend voorbeeld.
De tegenstand tegen Gods trouwe wachter wordt gestraft (vs. 8-9)
Het achtste vers is vanuit de grondtaal heel moeilijk te vertalen. De Statenvertaling geeft in de kanttekening wel drie mogelijkheden. En dan is het nog niet helemaal duidelijk. Zij hebben er blijkbaar ook verlegen mee gezeten. Sommigen zien in de „wachter" het volk Israël, dat op de loer ligt bij God en Zijn profeet of ze iets verkeerds kunnen ontdekken. Toch is uit het verband wel duidelijk, dat met die wachter niet Efraïm. maar de profeet bedoeld wordt. Hij waakt voor hun zielen. Je kunt het begin van vs. 8 nog het duidelijkst zo lezen: „De wachter van Efraïm. het volk van mijn God. de profeet...." En dan gaat de zin zo verder. Dan volgt hoe men die wachter behandelt. En dat is niet fraai. Hosea als wachter van Efraïm staat op de uitkijk om hel volk tegen alle gevaren te waarschuwen. Ten behoeve van het volk staat hij op wacht. Maar als hij dan voor het naderend onheil waarschuwt, dan vindt hij vijandschap en haat. De tegenstand tegen deze trouwe wachter is zo groot, dat hij zich op al zijn wegen bedreigd weet zoals een vogel belaagd wordt door het klapnet van de vogelvanger. Wijst dat alleen op strikvragen om de profeet het leven zuur te maken? Of betekent dit dat ze het ook letterlijk op zijn leven voorzien hebben? We proeven die sfeer wel in dit achtste vers.
Waar hij zijn voet ook zet. overal vindt hij strikken op zijn pad. Overal wordt hij belaagd in „het huis zijns Gods". Dat zal hier ook weer wel Kanaan betekenen, want een wettige tempel stond toen niet in het noordrijk. Of wellicht het „volk Israël". Hoe dan ook. hij moet de vijandschap van zijn eigen volk ondervinden. Ze proberen hem op zijn woorden te vangen of ze met hun felle kritiek niet iets tegen hem in kunnen brengen. Wat een kudde, waarover deze herder Israëls de staf voert! Ze lijkt eerder te bestaan uit grimmige waakhonden. die beginnen te grommen als men ze te na komt. dan schapen en bokken. Is dat nog steeds aktueel?
Mensen die opvliegen bij elk woord, dat hen niet aanstaat? Ze zouden de prediker wel willen aanvliegen. Pas op uw woorden. Hosea, in dit gezelschap! O ja, Hosea gaat onverstoorbaar verder. Dat lees je wel in de bijbelgedeelten, die nog volgen. Hij blijft getrouw aan zijn Zender. Het is een wonder, dat hij nog niet direkt gestenigd wordt. En nu? Laat iemand in het publiek maar eens iets schrijven, er liggen al vele andere skribenten op de loer om hem als een hyena naar de keel te vliegen. Ze vragen zich niet af: wat heeft God mij nu te zeggen? Maar: wat zal de dienstknecht van de Heere ervan terecht brengen?
Hoe is onze houding?
Hoe luister je zelf naar de stem van Gods wachters? Ben je ook begerig om de heilsboodschap te horen? Of ontkracht je het Woord door je niets ontziende kritiek? De dominee doet het niet goed! Hij preekt te langdradig of te eenzijdig of niet begrijpelijk genoeg. Is je kritiek wel gegrond? Spreekt de dominee je niet aan of staat de boodschap van Gods Woord je niet aan, omdat deze je eerlijk en genadig de waarheid zegt? Leg je hart hier eens naast, jonge vrienden! De duivel ziet niets liever dan dat de boodschap van het woord wordt ontkracht door een kritische houding. Hoe luister je? Bid je voordat je naar de kerk gaat of er voor jou eens een boodschap mag zijn? En die is er! Maar of je het horen mag? Bid je ook voor de prediker, of hij getrouw Gods boodschap mag doorgeven? De Heere wil daar Zijn zegen over geven.
De vijandschap tegen Gods boodschap blijkt in de dagen van Hosea zo sterk te zijn dat de profeet de vergelijking trekt met het gebeurde in de dagen van Gibea! Dat was het toppunt van ongerechtigheid. We lezen daarvan in Richt. 19. Daar wordt ons verhaald hoe de inwoners van Gibea eens aan een reizende
leviet de gastvrijheid weigerden, hem vijandig bejegenden en zijn vrouw verkrachtten en vermoordden. En zoals toen de hele stam van Benjamin zich solidair verklaarde met deze schanddaad (Richt. 20). zo gedraagt nu geheel Israël zich schandelijk jegens Gods proleet. Maar hij blijft ervan overtuigd, dat God hem deze oordeelsprediking heeft opgedragen cn dat hij daarom zoveel vijandschap te verduren heeft. Maar God zal hen straffen: „Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken. Hij zal hun zonden bezoeken”.
Als Hosea deze vijandschap cn vervolging ontmoet op zijn oordeelsprediking, overkomt hem niets vreemds. De Heere Jezus signaleert het in de zaligsprekingen als het lot dat Israëls profeten te dragen hadden en dat al Zijn volgelingen te wachten staat (Matth. 5:11). Deze dodelijke haat heeft Hijzelf ook aan den lijve ervaren. Dat is het teken van de eindtijd. En met deze „dagen der bezoeking" (Luk. 21:16-17) gebruikt de Heere Jezus gerichtswoorden, die bij Hosea het einde van Israëls heilsgeschiedenis aankondigden. Jezus profeteert daarmee het definitieve einde over hen. die Gods reddende boodschap, die tot ons komt in de „dwaasheid van het kruis", afwijzen. Wat is onze reaktie? De Rechter van straks is nog de Redder van nu! Onze genadetijd is nog niet voorbij. Maar wie niet voor Hem buigt, die gaat verloren, voor eeuwig!
Vragen
1. Waarom zit in het vijfde vers zo 'n vlijmscherpe
2. Wat doet Egypte hier in deze oordeelsprofetie (vs. 6)?
3. Zeg eens met eigen woorden wat vs. 8 betekent! Wat is de taak van een „wachter"? Waar kom je die omschrijving nog meer tegen in de Bijbel? Denk o.a. aan wat je gelezen hebt in Ezech. 33. maar ook aan Jer. 6:17; Jes. 52:8 en Hab. 2:1. Zijn deze wachters er nu nog? Zo ja. wie zijn dat?
4. Israël had nogal kritiek op de boodschap van Hosea. Is kritiek op de prediking geoorloofd? Denk aan de gemeente in Berea. Hoe moet in ieder geval onze houding zijn ten opzichte van het verkondigde Woord?
5. Over welke schanddaad in Gibea gaat Richt. 19? Was het hebben van een „bijvrouw" geoorloofd? Waar wordt nog meer in de Bijbel gesproken over de zonde van homoseksualiteit? Kunnen wij iets doen voor mensen, die vanaf hun geboorte deze andere geaardheid hebben?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1989
Daniel | 40 Pagina's