Vader en zoon
Vader en zoon De vader roeit, en hij is al zo oud. Zijn rug is krom en wit werden zijn haren. De zoon zit stil op 't bankje. En zo varen ze weer naar huis. En menigeen vertrouwt zijn ogen niet. Want was dat nu geen schande? ! Moest niet die jongen aan de riemen zijn? ! De zoon bekijkt bezeerd zijn witte handen. O God, wat deden hem die ogen pijn Hij heeft veel vroeger met zijn vader zo gevaren. Toen was hij klein, maar als hij groot was, zou hij roeien. Vader! zei hij dan, nog zoveel jaren en dan roei ik. Die jaren waren gauw voorbij. Toen maakte God zijn sterke handen stil En nimmer kon hij meer van plaats verruilen. De vader roeit. Hij weet wel dat zijn jongen wil. Dat hij niet kan daar kon hij wel om huilen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1987
Daniel | 32 Pagina's