EBEN HAËZER
De zendeling bracht een blik mee waarin heerlijk vlees zat en Manuel had een blik melk onder zijn arm geklemd. „Doe dat maar door de rijst." Gesmuld hadden ze. Voor ze gingen eten had hij gevraagd of ze het, goed vonden, dat hij zijn God om een zegen vroeg. Verbaasd hadden ze zitten luisteren en Maria had er met haar heldere stemmetje doorheen gepraat. Na het eten was hij gaan vertellen van die God. Wat hadden ze geluisterd. Alleen vader had zijn schouders opgehaald en gezegd: „Een God, Die alles gemaakt heeft? Ook dit ellendige land? En dan een góéde God? " Toen zendeling van Bruggen wegging had hij Manuel een mooie plaat gegeven. „Bewaar hem maar goed, als ik bij leven en welzijn weer kom zal ik erover vertellen." Manuel heeft de plaat aan de wand van de hut gespijkerd. Hij is gebobbeld door het vocht en de punten zijn omgekruld. Maar je kunt nog heel goed zien wat erop staat, Mannen, die een net vol vis aan land slepen. Drie keer is hij nu al geweest, oom Theo, zoals Maria hem spoedig noemde, De laatste keer bracht hij een pop voor haar mee. Wat was de kleine meid gelukkig. Moeder zucht weer. Gelukkig! Diep in haar hart is een groot verlangen gegroeid, een verlangen om de God van oom Theo te leren kennen. Dan ben je pas gelukkig, écht gelukkig.
Ik zal naar hem toegaan
Over de woelige Coari vaart een eenzame kano. Schijnbaar moeiteloos stuurt de jongen in dat ranke scheepje zijn boot over het ruwe water. De rivier is vol draaikolken en het plenst van de regen. De jongen is drijfnat, hij heeft zijn scheepje afgedekt met een oud zeil en zit er nu in als een eskimo in zijn kajak. Even rusten zijn vermoeide armen, maar de wilde stroom neemt onmiddellijk bezit van het bootje en trekt het naar de woest draaikolken midden in de rivier. „Toe, Manuel, " spreekt de jongen zich moed in, „volhouden". Zijn stevige knuisten grijpen de pagaai en mét een paar vlugge halen heeft hij zijn bootje weer in de goede koers. Over een uur valt de duisternis in en nergens ziet hij een hut, waar hij de nacht kan doorbrengen. De vorige nacht heeft hij bij een gastvrij indianengezin geslapen. Vanmorgen heel vroeg is hij weer vertrokken. Als hij maar een schijnwerper in zijn boot had gehad, dan zou hij wel doorgevaren zijn en nu al bij oom Theo zijn geweest. Maar alleen rijke mensen hebben een lichtmotor aan boord. Rijke mensen èn oom Theo. Die vaart ook altijd 's nachts door. Manuel vat nieuwe moed als hij aan de zendeling denkt. Hij móét naar hem toe! Vader is ziek, heel erg ziek. Moeder denkt, dat hij sterven zal. O, wat verlangden ze naar oom Theo. Die heeft altijd een grote trommel bij zich vol medicijnen. Maar hij was pas geweest, 't zou nog een maand duren eer hij weer kwam. „Ik zal naar hem toegaan, moeder." En nu is hij al twee dagen op pad. Morgenmiddag kan hij het dorpje bereiken, waar de zendeling woont. Manuel tuurt scherp langs de oevers. Nergens een hut, nergens een schuilplaats voor de nacht. „O? I-Ieere, God van oom Theo help me toch, het wordt straks donker, ik ben zo bang."
Zouden ze nog op tijd komen?
Door de donkere nacht worstelt een kleine witte motorboot stroomopwaarts. De sterke lamp op de stuurhut probeert door het dichte regengordijn heen te boren. Op de lage bank in de hut ligt een jongen, hij slaapt. Zijn donkere haar olakt over zijn voorhoofd. De man aan het stuurrad tuurt ingespannen door de Peregende ruit, 't Is eigenlijk geen doen, maar 't moet! Hij is direkt meegegaan toen Manuel hem kwam roepen. De dappe-
re jongen was op van vermoeidheid. Nu zijn ze al uren op weg. De Coari is woelig en de tegenstroom is sterk. Dat zal straks nog erger worden, de rivier wordt steeds smaller en zit vol verraderlijke bochten. Werd het maar licht. Hoe zal het in de hut zijn? Zouden ze nog op tijd komen?
Waar blijven jullie?
Met woest geweld kolkt het water van de Coari langs de dichtbegroeide oevers. De wekenlange regenval heeft de rivier tot een woeste stroom gemaakt. Grote stukken roodbruine modder worden door het woedende, bruisende water meegesleurd en opgeslokt. Aan het begin, nog maar een paar kilometer vanaf de oorsprong stroomt de Coari al vele meters buiten zijn oevers. Hij ontwortelt bomen en sleept alles mee wat hem in de weg komt. In de vele bochten blijven al die obstakels steken, totdat ze plotseling losschieten en als een lawine alles meesleuren, wat voor hen uitstroomt. In de hut hoog op de oever luistert moeder vol angst naar het geweld van de rivier. De angst om vader wordt verdrongen om de zorg over Manuel. Waar zou hij nu zijn? Zes dagen zijn er vo orbij gekropen en zes donkere doorwaakte nachten. Zou Manuel oom Theo wel thuis getroffen hebben? En zou de zendeling wel direkt mee zijn gegaan? Het regent gelukkig niet meer, maar de rivier lijkt nog wel woester en gevaarlijker geworden. Moeder gaat even naar buiten. Oh, wat is de Coari breed, wel twee, drie keer zo breed als normaal! De aanlegplaats van de kano is verdwenen, daar kolkt nu het woeste; rivierwater overheen. Een grote boom met wijduitgespreide; takken en een brede kruin blijft in de bocht bij de hut steken. In een oogwenk stapelt alles, wat de Coari meevoert zich achter de woudreus op. Het water schuimt en bruist er door-en overheen. Dat kan nooit lang duren, straks schiet alles los en dan Ontzet ziet moeder het aan. O, daar wrikt de reus zich los, een gekraak, een donderend lawaai. De grond schudt onder moeders voeten, de deur van de hut slaat met een klap dicht. Draaiend en wentelend wordt de geweldige boom meegesleurd stroomafwaarts. En waar daarnet nog. een glooiende oever het mogelijk maakte, de hut te bereiken gaapt nu een groot gat als een bloedrode wond. Een gat, dat in enkele seconden wol water stroomt. De rivier kruipt niet de oevers op, nee hij bespringt die roodbruine modderkanten! Met een angstig hart is moeder de hut binnengevlucht. Manuel, oom Theo, waar blijven jullie toch!
Oom Theo, vlug, spring!
„Manuel, 't gaat niet meer, jongen." Werkeloos ligt de witte motorboot tegen de oever. Het scheepje waggelt en v/ankelt als een dronken man. Niets staat meer op zijn plaats in de stuurhut. Verslagen kijkt Manuel de zendeling aan. Twee nachten en een dag zijn ze op weg. De laatste nacht was één grote verschrikking. Overal boomstronken, planken en takken. Uiterst voorzichtig heeft van Bruggen geprobeerd al die obstakels uit de weg te blijven, maar 't was onbegonnen werk. Dat ze nog zover gekomen zijn is een wonder. Het regent niet meer.
Aarzelend tracht de zon door de grijze nevel heen te breken. De angst van de donkere nacht is voorbij, maar het licht van de dag brengt geen verademing. De rivier stijgt onrustbarend snel. Zullen ze hier nu moeten stranden? Daar om die scherpe bocht, nog geen twintig meter verder kun je de hut zien liggen. Toch is het onmogelijk die te bereiken. In dat kleine ogenblikje, dat ze hier voor anker liggen is de afstand tussen het scheepje en de oever meer dan een meter geworden. Het ankertouw staat strakgespannen. Het zal breken en dan zullen ze met de sterke stroom meegesleurd worden of het zal hen met boot en al in de diepte van het water trekken. „Springen, Manuel en vangen!" De dappere jongen aarzelt geen ogenblik. Hij vraagt niet: „Waarom? ", maar waagt de sprong.
Hij kan niet alles opvangen, wat oom Theo hem toegooit. Maar 't voornaamste heeft hij, de blikken trommel met de kostbare medicijnen. Een blik vlees zinkt zo diep in de kleffe modder, dat het er niet meer uit te krijgen is.
Zendeling van Bruggen laat nog eenmaal zijn ogen door de stuurhut gaan. Dan stapt hij op het dek. Vlug gooit hij nog een blik melk en de onmisbare staaflantaarn op Manuel toe.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1978
Daniel | 24 Pagina's