JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij zult Mijn getuigen zijn

7 minuten leestijd

Het wordt winter. Een barre kou jaagt over het land. Het vriest soms vijftig graden. De zon zie je niet meer. Het is soms dagen donker. Andere keren schijnt de maan of het noorderlicht. De kooplieden zijn woedend. Ze voelen zich bedrogen. Wat hebben ze hier? Kou, ellende en narigheid en als je niet oppast, vries je nog dood. De godsdienstoefeningen, die Hans Egedde elke avond thuis houdt, worden steeds minder druk bezocht. De mannen worden onverschillig. Ook voor moeder Gertrud valt het niet mee. Zij probeert in huis alles netjes te houden, maar vaak heeft zij het erg moeilijk. Hebben ze er wel goed aangedaan om hierheen te gaan? De jongens, Paul en Niels, hebben er nog het meest plezier in. Zij vinden het een groot avontuur en al begrijpen zij wel de problemen van hun ouders, toch vinden ze het nog steeds leuk. 's Morgens krijgen ze „school" van hun vader en 's middags hebben ze vrij.

De zomer breekt aan. De vreselijke kou is verdwenen en vader besluit om eens de wijde omtrek te verkennen. Hij neemt wat proviand mee en wat warme dekens in een rugzak. Een paar mannen gaan met hem mee. Alles ziet er nu heel anders uit dan in de winter. Er zijn zelfs wat groene weilanden te zien met prachtige bloemen. Op de bergen ligt nog wel wat sneeuw, maar verder is alles weggesmolten. Hans Egedde loopt vrolijk fluitend over de wegen. Hij is vol goede moed. Wie weet wat hij allemaal ontdekt. Het is een verlaten streek waardoor ze trekken. Maar na een paar dagen zegt Hans Egedde: „Kijk mannen, daar in die rotswanden van de bergen! Dat zijn huizen geweest. Het kan niet anders. Zouden daar onze voorvaderen gewoond hebben? "

Nieuwsgierig onderzoeken de mannen de overblijfselen, maar ze kunnen niet ontdekken of de resten werkelijk van de Noormannen zijn geweest of van een ander volk. Later op de dag komen ze bij een Eskimodorp. Ze vragen of er ook blanke mensen gewoond hebben bij die rotsen. Het gesprek met de Eskimo's gaat iets gemakkelijker dan een jaar geleden, wan in de loop der tijd hebben ze een kleine, woordenschat geleerd van de Eskimo's die ze ontmoet hebben. En dan nog verschillende gebaren erbij, nu, dan kom je een heel eind.

Maar de Eskimo's lachen hen uit. Blanken? Ha, ha, witte mensen horen ver weg over de zee en niet hier. „Ga maar terug!" beduiden ze.

Teleurgesteld gaan de mannen weer weg. Ze merken dat ze geen beter kontakt kunnen krijgen met de Eskimo's. Hans zucht. Komt er dan nooit een lichtpuntje? Hij begrijpt het hoe langer minder. Ze gaan terug naar huis.

Na een paar dagen zien ze hun

huis, maar ze zien ook nog wat anders. Er is weer een schip aangekomen uit Denemarken. Wat zouden hun landgenoten gebracht hebben? In huis is men al druk bezig met uitpakken. Brieven, pakjes, boeken, kleren, van alles hebben de Denen meegebracht. Er zit ook een brief bij van de koning. Egedde moet alles opschrijven wat hij ontdekt heeft in het land en welke handelskontakten er zijn gelegd. De koningwil nu wel eens resultaten zien. Hij wil graag een handelsvloot openen en Groenland.

De volgende dag neemt Hans Egedde een groot vel perkament en begint te schrijven. Over de moeilijke winter en over de teleurstellingen schrijft hij niet zo veel. Neen, hij verhaalt hoe het land eruit ziet. Ze hebben de Deense vlag weer geplant op de Groenlandse bodem! Dat moet de koning toch wel plezier doen. Hij roemt de prachtige dierenhuiden die ze verzameld hebben. Ook is er veel traanolie dat uitgevoerd kan worden. Hij zal er wat van meegeven aan de zeelieden, zodat men het in Denemarken zelf kan zien.

Als de brief klaar is bemerkt hij wel dat het maar een arm verslag is. Hier kan geen bloeiende handel komen. En mensen om het Evangelie te brengen zijn er niet. Het komt nog niet in Hans Egedde's gedachten op dat hij ook het Evangelie kan en hoort te brengen aan de Eskimo's. Het ziet er allemaal droevig uit.

's Avonds, als dominee Egedde de avondsluiting houdt, wijzen zijn dochtertjes verschrikt naar het raam. Iedereen kijkt en wat zien ze daar? Een paar hoofden met spleetoogjes en lachende monden. De Eskimo's zijn nieuwsgierig waarom die blanke mensen zo luid zingen. Ze hebben het wel vaker gehoord, maar nu komen ze toch eens kijken. Dominee Egedde legt zijn Bijbel neer en loopt naar de voordeur. Hij nodigt de Eskimo's uit om binnen te komen. Iedereen wacht gespannen af. En ja hoor, al stommelend en grinnikend komen ze binnen en gaan op hun hurken in de kamer zitten. Hans Egedde loopt weer naar voren, pakt de Bijbel en gaat verder lezen. Hij leest Joh. 3 : 16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe".

De Eskimo's begrijpen er niets van. Ze beseffen wel dat ze stil moeten zijn, want dat zijn die witte mensen ook. Maar Hans Egedde?

Hij kijkt de Eskimo's aan en nu pas beseft hij dat ook zij mensen zijn die de boodschap van God nodig hebben. Zou het dan Gods bedoeling zijn om de Eskimo's het Evangelie te brengen, opdat zij in Hem geloven en het eeuwige leven hebben? " Ja, hij gelooft nu pas dat dat zijn roeping is. Hij schaamt zich dat hij daar nu pas aan denkt. Als afsluiting laat hij zingen psalm 87 en het klinkt als een belofte: „Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen die Mij kennen, ziet, de Filistijn en de Tyriër met de Moor, deze is aldaar geboren." De Eskimo's verstaan er natuurlijk niets van, maar vol verbazing luisteren ze naar het gezang.

Hans Egedde wil nu zo spoedig mogelijk aan het werk. Hij vraagt zijn zoon Paul, die nogal goed tekenen kan, of hij een paar tekeningen wil maken over het leven van Jezus. Hij vertelt hem ook waarom. Paul maakt een paar prachtige tekeningen. Hij doet er zijn uiterste best op. Vader Egedde is er erg blij mee en als de tekeningen klaar zijn nodigt hij weer een groepje Eskimo's uit. Het zijn dezelfde die er die avond waren, maar ze brengen nu ook wat familieleden mee. Met het Groenlands, wat hij in de loop der tijd geleerd heeft en met gebarentaal probeert hij duidelijk te maken wat hij bedoelt.

De eerste plaat laat zien dat de Heere Jezus de zieken geneest. De Eskimo's knikken. Ze begrijpen het. Dit is een wonderman, een „angekok". „Ja" knikt Egedde, „maar geen gewone angekok. Hij heeft alles gemaakt, de hemel en aarde, de zee en de bergen, de dieren en de mensen." Ze beginnen hard te lachen. Hoe kan dat nu? De zee en de bergen? Die zijn er altijd al geweest. Dominee Egedde zucht. Wat is het moeilijk om dit alles te doen begrijpen. Hij pakt een andere tekening, de wonderbare visvangst. De Eskimo's zien dat het Dezelfde Man is op de tekening. Paul zegt: „Hij heeft ook de vissen gemaakt."

„Ha, ha, de vissen gemaakt. Die zitten toch gewoon in de zee en daar worden ze geboren". Neen, dat geloven ze ook niet.

Dan laat Paul een tekening zien van

de Heere Jezus Die de kinderen zegent. Ze knikken en zeggen: „Het i? een heel goede angekok. Hij is lief voor de kinderen."

En als laatste plaat heeft Paul Jezus getekend, hangend aan het kruis. Nieuwsgierig bekijken de mensen deze plaat. Paul zegt: „Hij is dood, doodgemaakt door de mensen."

De Eskimo's zijn verontwaardigd. Een goede angekok doodgemaakt door de mensen? Daar moet je nu weer echt een witmens voor zijn. Die zijn allemaal zo dom en vreemd. Paul gaat verder: „Wij, wij allen hebben Hem gedood."

Wat? Hebben zij dat gedaan? De Eskimo's beginnen druk door elkaar te praten. Vandaar dat deze mensen hier zijn komen wonen. Ze zijn natuurlijk gevlucht.

Vader en Paul merken wat de Eskimo's denken en daarom zegt Vader: „Maar jullie zijn ook schuldig. Ook jullie hebben Hem gedood door jullie zonden!"

Wat zonden zijn, weten de Eskimo's niet, maar dat zij de schuld krijgen dat deze Man gedood is! Schande!

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1978

Daniel | 24 Pagina's

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1978

Daniel | 24 Pagina's