HOE EN WANNEER? (31)
(slot)
Het zondagsschoolwerk werd meer als een overbodige zaak beschouwd. Men ging uit van het standpunt dat de ouders zelf in de eerste plaats geroepen waren hun kinderen met de woorden Gods bekend te maken. De school en de catechisatie waren daarnaast de enige geoorloofde hulpmiddelen om tot dat doel te komen, wanneer men zelf (b.v. door tekort aan ontwikkeling) niet geheel kapabel was om aan de roeping te beantwoorden. Immers het aanvankelijk doel van de z.s. was: haveloze en verwilderde en van Gods Woord verstoken kinderen tot de kennis van dat Woord te brengen. Funktioneerde de huisgodsdienst optimaal, dan was de z.s. niet nodig. Toen men echter een afgang waarnam in het (godsdienstig) gezinsleven, werd overgegaan tot het stichten van zondagsscholen, alhoewel men niet vrij was van de gedachte, dat het een instituut zou worden, waarop gemakzuchtige ouders hun eigen verantwoordelijkheid zouden gaan afwentelen. Zo kreeg het z.s. werk in onze gemeenten een geheel eigen karakter, niet dienende tot vervanging of aanvulling van school-of catechetischonderwijs, maar alleen tot het brengen van het Evangelie der zaligheid op voor kinderen bevattelijke wijze en dat onder toezicht van de kerk. Ontstaan dus uit een tekort aan verantwoordelijkheid der christelijke ouders.
Heeft dat in diepste wezen ook niet de verwording van de maatschappij tot gevolg gehad, daar toch het gezin de cel is, waaruit de maatschappij is opgebouwd? De Heere geve dat wij met schuld tot onszelf mogen inkeren, dan zou er nog verwachting zijn. Einde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1977
Daniel | 20 Pagina's