Eén ding weet ik
Steven vertelt over de blindgeborene. Bram probeert te begrijpen wat Steven bedoelt, als hij zegt dat hij weer kan zien. Wat heeft een verhaal uit een oud Boek nu te maken met vandaag?
“Houd je trapper rechts voor de zekerheid omhoog”, zegt Bram. “Er ligt daar wat rommel in de goot.”
Zelf doet hij het ook. ’t Is wat frisser dan vanmiddag, en voor zijn idee wordt het ook echt alweer eerder donker. Het lijkt erop dat het al voor acht uur gebeurd is met het zonnetje.
“Ik vind het maar koud, jij?” zegt hij over zijn schouder.
“Kippenvel”, zegt Steven. “Maar ja, ik heb gewoon nog heel geen zin in een trui. Jij?”
“Beetje twijfelgeval, een dun vest misschien. Iets remmen nu. Komt een bocht. Wat je nu trouwens hoort is een betonmolen, die staat verderop in de tuin, aan de overkant.”
“Dacht ik al”, zegt Steven. “Gaat met gemak 120 liter specie in, hè?”
“Mega. Dat lijkt bizar veel. Maar als je een muurtje aan het metselen bent, is het waarschijnlijk zo op, dat spul.”
“Wat zei je?”
“Het is zo op, als je een muur metselt.”
“Geen idee.”
‘Daar komt een lesauto aanrijden.”
“Oké. Is het de jouwe?”
“Ehm… nee. Er zit een vrouw in. Alleen.”
“Ah, een autodidact.”
“Wat?”
“Het is nog vijf minuten naar het bankje, let maar op.”
Ze fietsen een tijd zwijgend. Af en toe wordt de stilte onderbroken door opmerkingen als: “koud man”: of “man, wat een kou.”
“Gaan we nu remmen”, zegt Bram ten slotte. “Ja, netjes.”
De tandem komt tot stilstand en Bram zet hem op de standaard. Stevens hand zoekt de fietstas. Zijn arm zakt omlaag en komt met een triomfantelijk gebaar tevoorschijn. “Ik heb wat voor je gescoord. Als ik me niet vergist heb, is dit een Speculoos chocoladereep. Wil je vast wel even proefkonijn voor zijn.”
“Wow”, zegt Bram. “Dat wordt een uitdaging om daar nog iets van over te laten voor iemand anders.”
Naast elkaar zitten ze op het bankje. De treurwilg lijkt het ook koud te hebben. De waterval in de verte klinkt anders, alsof hij wat geremd is, minder klaterend.
Bram steekt een brok chocolade in zijn mond. Het smelt op zijn tong, het is mierzoet. Hij beweegt zijn kin en wacht. Weg is het.
“Wat is eigenlijk het nut om dit te eten?” zegt hij.
“Goeie vraag. Er is een chocolademerk dat ‘Guilty’ heet.”
“Schuldig?”
“Jij leest toch een Engels boek?”
“Yes.”
Bram kijkt naar de verpakking van de reep. Lotus. Een Lotus kan van alles zijn. Een slachtoffer. Een auto. “Een lotus is toch ook een bloem?”
Steven knikt. “Ja. Roze bladeren, maar dat terzijde. Ik heb me laten vertellen dat een lotus graag op een modderige plek groeit. En toch zijn de bladeren schoon. Soort zelfreinigend of zo.”
Bram schuift wat meer naar achteren, zodat zijn voeten de grond niet raken. Modderig plekje. Slijk. Geloof. Bijbel…
Is het werkelijk waar dat Steven gisteravond in een kerk zat? Gaat hij het nog vertellen? Het is toch op zijn minst een beetje gek dat hij zijn pianoavond ervoor inruilt en het niet meldt? Waarom zou hij er niets van zeggen?
“Hé Bram”, zegt Steven, terwijl hij zich voorover bukt. “Wil je eens precies vertellen wat je ziet als ik dit doe.’
“Wat doe?”
Steven heeft een kleine, hoekige kei in zijn geopende handpalm liggen. “Ik gooi hem in het water. Vertel wat je ziet.”
Plons-Bloemp.
“Oké. Het is nu een rommeltje op die plek. Op het moment zelf zag ik een opspattend waterfonteintje, beetje chaotisch. Trouwens, eerlijk gezegd was het wel een mooi gezicht. Er kwam een soort tweede, grotere fontein na de eerste. Ik denk dat het te maken heeft met een stukje waterverplaatsing door de steen.”
“Ga door, we zitten nu op 4 seconden.” “Ja. Precies nu zie ik kringen, heel netjes, helemaal niet meer zo chaotisch als net. Trouwens, ik zie nog steeds overal druppeltjes neerkomen. De kringen vervagen. Volgens mij kun je nu ongeveer niet meer zien dat je iets in het water gooide.”
Steven knikt.
“Tevreden?” zegt Bram.
“Zou het nog iets veroorzaakt hebben?” Bram grinnikt. “Misschien komt die eend iets verderop twee seconden later aan bij het korstje brood wat dat jochie er ingegooid heeft.”
Steven lacht niet. “Weet je wat het is. Je denkt helemaal niet meer aan die steen. Maar hij is er nog. Hij bestaat nog.”
“Gefeliciteerd”, zegt Bram. En ineens flapt hij eruit: “Leer je dat in de kerk?”
“Je weet het dus”, zegt Steven zacht. “Sorry, het komt door… het is eigenlijk… ik heb dat verhaal al meer dan twintig keer geluisterd. Het is zo superrealistisch. Ik kan het niet helpen.”
“Dat verhaal van die blinde man?”
“Johannes 9.”
“Wat?”
“Het verhaal is opgeschreven door een zekere Johannes. En het staat in hoofdstuk 9.”
Er gaat Bram een lichtje op. “Hé joh, dat snoeppapiertje zat óók bij Johannes 9. Dat is apart. Maar waarom vind je dat verhaal dan zo realistisch? Je moet blijven dromen, bedoel je, blijven dromen dat je ooit nog gaat zien. Hoop blijven hebben.”
“Ik zie al.”
Bram schuift met een ruk naar voren en staart in Stevens ogen. Nog steeds hetzelfde. Niets veranderd.
“Je… ziet al?” zegt hij. “Hoeveel vingers steek ik op?”
“Nee, anders”, vervolgt Steven. “Ander soort zien. Ik zie van alles. Het moeilijkst is eigenlijk om te zien dat we net zo zijn als dat steentje. We blijven bestaan, als we dood zijn.”
“Kom op”, zegt Bram. Hij voelt zich een beetje kwaad worden. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Zijn broer is al blind, en nu wordt hij ook nog gek. Hij graaft in zijn herinnering, op zoek naar de oorzaak van de vreemde ideeën die Steven opeens schijnt te hebben.
“Bram?”
Hij zwijgt.
“Bram, ik ben zo onwijs blij dat ik dit ontdekt heb. Weet je, die blinde man kon weer zien. Hij liep rond en iedereen reageerde verrast. Sommige zeiden dat hij niet dezelfde was. Een aantal van die leiders daar deden heel negatief tegen hem. Zijn ouders waren bang voor hen. Uiteindelijk gooiden ze hem uit de groep.”
“Uit de groep? Steven, alsjeblieft.”
“Heb jij het verhaal dan nog niet gelezen?”
“Nee.”
“Dan zal ik het je appen. Je kunt het ook luisteren, net als ik.”
Bram reageert geërgerd. “Ik ga dat helemaal niet doen. Ik heb al genoeg te lezen. Ik moet ook al dat Engelse boekje lezen. Ook een soort van sprookje. Het wordt weer eens tijd voor een biografie of een reisverslag of zo. Zeg het trouwens maar niet tegen pa en ma, dat je hier zo van onder de indruk bent. Zij hebben het soms ook zwaar, als ze jou zien. Soms kijken ze…”
“Stop”, onderbreekt Steven hem. “Als er iemand niet zielig is, ben ik het wel. Het is niet de eerste keer dat ik je dat moet vertellen.”
“Het zal best”, zegt Bram, nu echt kwaad. “Maar ik hoop alleen dat je niet alsnog te beklagen bent door wat er nu in je hoofd zit. Natuurlijk hoop ik dat er van die lasertechnieken of weet ik wat komen om je te helpen.”
“Ik zie al”, zegt Steven. Hij klinkt geduldig, enthousiast. Alsof hij bereid is tegen de hele wereld te vertellen dat hij kan zien. Anders zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 2025
Daniel | 36 Pagina's