Introductie
Dit verhaal gaat over mijn ongelovige buurman. Vorig jaar kwam ik naast hem wonen. Hij was atheïst (iemand die niet in God gelooft) en ziek. Erg ziek: longkanker. Een paar weken voor zijn sterven -toen pas- hadden we het volgende gesprek in het ziekenhuis. Zijn stembanden gaven een raspend geluid, omdat de chemokuren erg zwaar voor zijn stembanden waren geweest.
Halverwege het gesprek spraken we over de meest wezenlijke dingen: "Bent u niet bang om te sterven?" "Bang, waarvoor?" (Hij geloofde immers niet in God.) "Dat u het bij het verkeerde eind hebt. Dat u door God geoordeeld wordt." Hij dacht even na en zei toen aarzelend: "Nee. Als God zou bestaan, zou ik tegen dat oordeel niet opzien. Ik heb toch niemand kwaad gedaan in mijn leven?" "Dat denk ik wel." "Wie dan?" "Zo lang ken ik u nog niet maar ik weet wel dat u in ieder geval één Iemand kwaad hebt gedaan." "En wie mag die persoon dan wel niet zijn?" "God. U hebt heel uw leven zonder uw Schepper geleefd. Zou u dat niet willen veranderen?" Er viel een stilte, waarna hij antwoordde: "Nee, mijn kans is voorbij. En trouwens, wat helpt het? Wat heeft God nog aan mij? Ik leef misschien nog twee maanden. Voor anderen kan ik niets meer betekenen." "Maar de Heere kan voor u toch nog wel van betekenis zijn? Bent u bereid uw zonden te belijden?" Een moment van stilzwijgen en nadenken. "Daar ben ik, denk ik, te trots voor." Een moment voor mij om stil te zijn. Hij wist dus dat hij zijn leven, dat is zijn trots, moest verliezen om het te vinden in een Ander.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2001
Treffer | 28 Pagina's