De schoolstrijd
Voor de Franse tijd was het toezicht op de Openbare school vrijwel geheel in handen van de Gereformeerde kerk. In 1795 verloor de Gereformeerde kerk haar bevoorrechte positie. De banden tussen kerk en staat werden verbroken en alle kerkgenootschappen werden voor de wet gelijk gesteld. In de nieuwe schoolwet van 1806, die een algemeen christelijke school wilde, werden vooral twee artikelen berucht.
In artikel 12 werd bepaald dat er geen school mocht worden opgericht zonder toestemming van de overheid. Later zou dit artikel gebruikt worden om de oprichting van bijzondere scholen tegen te houden. In artikel 22 stond de beruchte doelstelling dat het onderwijs moest opleiden tot alle christelijke en maatschappelijke deugden. Omdat leerlingen uit alle gezindten op deze scholen zouden gaan, mocht het onderwijs beslist niet leerstellig zijn. Het mocht dus niet over de bijbelse grondwaarden gaan, maar de kinderen werd voorgehouden dat ze braaf moesten zijn.
Zo is het voorgekomen dat een schoolhoofd op de vingers werd getikt omdat hij bad in de naam van "Onze Heere Jezus Christus". Dat kon niet, want dat was niet neutraal genoeg! Voor joodse kinderen was dat niet waar, en voor katholieke niet volledig, want daar moest ook Maria genoemd worden. Bij de bekende grondwetsherziening van 1848 werd over het onderwijs bepaald: "De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der overheid, en bovendien, voorzover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers, het een en ander door de wet te regelen". Het openbaar onderwijs zou dus neutraal zijn, en er zouden vrij bijzondere scholen opgericht mogen worden. Velen vonden dit te ruim opgezet voor het bijzonder onderwijs, dat wel eens een gevaarlijke concurrent kon worden voor de openbare scholen. Vandaar dat de volgende bepaling werd toegevoegd: "Het openbaar onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering".
Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoende openbaar onderwijs gegeven. Deze laatste zin kreeg al spoedig de bijnaam: "die ellendige zinsnee". Deze zin werd aangegrepen om ook in dorpen waar geen belangstelling was voor openbaar onderwijs toch een openbare school te stichten. Wat het bijzonder onderwijs betreft, spitste de strijd zich nu toe op de subsidiëring. Volgens de liberalen sloot de grondwet subsidie voor bijzondere scholen uit. De strijd hierover heeft lang geduurd. Pas sinds 1920 kwam de volledige financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 1987
Mivo +16 | 28 Pagina's