1. Daniël in Babel
Voorgeschiedenis
In 853 voor Chr. trekt Salmanasar III van Assyrië op tegen Syrië en Israël. De Assyriërs overwinnen en aan Israël wordt schatting opgelegd. Ondanks het feit dat Israël afhankelijk is van Assyrië, is het een periode van betrekkelijke rust. Echter in 745 voor Chr. begint Tiglath-Pilezer III van Assyrië zijn macht te vergroten. Dit leidt tot een conflict met Pekah, de koning van Israël, die met behulp van Syrië (Rezin) een einde wil maken aan de onderworpenheid aan het assyrische rijk. Met geweld proberen Pekah en Rezin ook Achaz van Juda in deze anti-assyrische coalitie te betrekken (de zgn. syro-efraïmitische oorlog, 735 voor Chr.). Achaz roept echter Tiglath-Pilezer te hulp. Het gevolg is ingrijpend. Pekah en Rezin worden gedood en vele Israëlieten worden naar Assyrië gedeporteerd. Enkele jaren later wordt Samaria ingenomen (722 voor Chr.).
In deze tijd regeert in Juda Hizkia. Deze wordt opgevolgd door zijn zoon Manasse. Manasse is een trouw aanhanger van Assyrië en gaat het tweestammenrijk voor in goddeloosheid. Tijdens zijn gevangenschap in Babel wordt hij door God bekeerd. Bij zijn terugkeer in Jeruzalem probeert hij de dienst des Heeren weer in te voeren. Tijdens de regering van Manasses kleinzoon Josia vinden in de buitenlandse politieke verhoudingen ingrijpende veranderingen plaats. Na verscheidene oorlogshandelingen staan uiteindelijk in 597 voor Chr. de Chaldeeën voor de poort van Jeruzalem. De stad wordt niet verwoest, wel worden de voornaamste burgers en de tempelschatten meegenomen (2 Kon. 23,24 en 2 Kron. 36).
Deportatie
Waar de profeten voor gewaarschuwd hebben, gebeurt: God gebruikt de legers van Babel om het volk te straffen voor de zonden. Zij hebben de Heere en Zijn dienst verlaten. Nu zal God hen oordelen.
Nebukadnezar belegert Jeruzalem. De belegering duurt maar kort. Jojakim, de koning van Juda, vindt het geraden zich spoedig over te geven. Hij wordt dienaar van Nebukadnezar. Een eerste deportatie (wegvoering) vindt plaats. Het betreft de koning en zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en hovelingen. Al de vorsten, 10.000 in getal, worden weggevoerd, evanals de handwerkslieden en de smeden. Alleen de armsten van het volk blijven achter. In de waan niet alleen het volk van Juda te hebben overwonnen, maar ook de God van Juda, wordt een deel van de gouden vaten uit de tempel overgebracht naar de tempel van de babylonische god Marduk. De buit wordt tot eer van deze god gewijd.
Opnieuw wordt Babel (evenals in Genesis 11 "Sinear" genoemd) getekend als het land van de zondige hoogmoed tegen God (vergelijk Gen. 11:4 en Dan. 4:3). Sinds de torenbouw van Babel is er nog niets veranderd.
Niet alleen een deel van de tempelschatten, maar ook een aantal Israëlitische jongens van ongeveer veertien jaar wordt naar Babel overgebracht. Waarschijnlijk was het in Babel, evenals bij de Perzen, de gewoonte om jonge pages na een driejarige vorming in hofdienst te doen treden. Zij kwamen op hun veertiende jaar onder leiding van de koninklijke pedagogen en traden op hun zeventiende jaar in dienst van de koning. Ze kregen onderwijs in het Babylonische spijkerschrift. Dit bracht ook mee: onderwijs in de geschiedenis, kultuur en de godsdienst van Babel.
Zo worden ook deze jongens van "koninklijke bloede" en afkomstig van de hoge Joodse adel door Nebukadnezar meegenomen om dienst te doen aan zijn hof. Hij wil deze jongens niet alleen uit Jeruzalem weghebben, maar hen ook volkomen naar zijn eigen hand zetten. Hij maakt geen gevangenen van hen maar hovelingen. Alleen... voor deze hoge baan is wel een heropvoeding van drie jaar noodzakelijk!
Het boek Daniël
Het boek is genoemd naar degene die het boek geschreven heeft. De eerste zes hoofdstukken hebben betrekking op historische gebeurtenissen in Babel over een periode van zeventig jaar. Daniël treedt hierin, met uitzondering van hoofdstuk 3, als hoofdpersoon op. De andere hoofdstukken beschrijven een serie visioenen van toekomstige gebeurtenissen.
De centrale boodschap in het boek is de overwinning van Gods Koninkrijk. Ondanks alle aanvallen mag Daniël, door Gods genade, in geloof staande blijven in de verzoekingen. Sterker nog, hij mag het middel zijn dat ook in Babel Gods Naam en eer erkend wordt.
En als hij later de visioenen van God ontvangt, laat de Heere hem daarin zien hoe "God de Heere Zijn volk eindelijk redden en verlossen zou, zo tijdelijk als eeuwig". (Voorwoord bij dit Bijbelboek in de Statenvertaling met kanttekeningen).
Heropvoeding
De jongens die Nebukadnezar uitzoekt, moeten, behalve dat ze van adellijke afkomst zijn, ook aan andere voorwaarden voldoen: ze moeten een onberispelijk uiterlijk hebben en bovendien intelligent zijn. Het is Nebukadnezars streven om deze Joodse jongens tot echte Babyloniërs te maken. Ze moeten vervreemden van hun eigen godsdienst, spraak en gewoonten. Want als dat gebeurt, zullen zij op hun beurt weer invloed hebben op het Joodse volk. En dan zal het niet lang meer duren of het volk des Heeren zal volkomen opgelost zijn in het Babylonische rijk. Zo is hun opleiding erop gericht dat ze helemaal eigen worden met de leefwereld in Babel. Ze krijgen eten van de koninklijke tafel en ontvangen onderwijs in de chaldese taal en literatuur.
Onder deze jongens bevinden zich Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Hun namen, die herinneren aan de Heere, worden veranderd in namen die naar de Babylonische goden verwijzen. Daniël wordt Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja wordt Abed-Nego genoemd.
Daniël: mijn Rechter is God
Hananja: de Heere is genadig
Misaël: wie behoort aan God
Azarja: de Heere heeft geholpen
Trouw en vertrouwen
Ook deze jongens zullen moeten eten van de koninklijke tafel. Maar dit eten werd bereid door heidense koks die - uiteraard - de Joodse spijswetten (Leviticus 11) niet in acht namen. Erger nog: het vlees en de wijn waren aan de afgoden gewijd. Het eten van dit vlees en het drinken van deze wijn betekenden gemeenschap hebben met de afgoden.
De vier jongens beseffen dat ze de babylonische gerechten volgens de wet van Mozes niet mogen gebruiken. Ze blijven trouw aan de Heere en Zijn geboden.
Door het geloof mag Daniël met zijn vrienden voor de Heere uitkomen. Hij maakt zijn bezwaren kenbaar bij A'spenaz, de overste van de kamerlingen. De Heere geeft Daniël een welwillend oor bij deze man. God neigt zijn hart (vgl. Spr. 21:1). Deze overste wordt niet kwaad maar ziet één bezwaar als de jongens niet van de koninklijke tafel zullen eten: als ze er straks minder goed uitzien dan de anderen, zal dat hem zijn baan en zijn leven kosten.
Dan richt Daniël zich tot Meltzar, een soort opzichter. Hij doet een voorstel om de proef op de som te nemen. Een proef van tien dagen kan met het oog op de driejarige duur van de opleiding geen gevaar opleveren. En deze tijd zal zeker voldoende zijn om aan te tonen dat de voeding, zoals Daniël en zijn vrienden die wensen, op hun lichamelijke welstand niet de mindere en kwade invloed uitoefent. Ze vragen om gedurende die tijd volgens de Joodse wetten te mogen eten en water te mogen drinken. Daarna willen ze vergeleken worden met de andere jongens, die wel het koninklijke eten gebruiken.
De vier jongens vertrouwen erop dat, wat er ook gebeurt, de Heere weet wat het beste voor hen is. Meltzar gaat op dit voorstel in. De Heere zegent de proef en het resultaat is verrassend. De vier jongens zien er veel beter en gezonder uit dan de jongens die van de weelderige koninklijke gerechten hebben gegeten. Nu kan Meltzar er geen bezwaar meer tegen maken dat ze voortaan het eenvoudige voedsel gebruiken dat ze wensen.
De Heere zegent hen echter niet alleen lichamelijk maar ook verstandelijk. God geeft hen bijzondere kennis en ze steken in hun kennis ver uit boven hun medeleerlingen. Daniël ontvangt bovendien de gave om gezichten en dromen uit te leggen.
Geloofsoverwinning
Als de opleidingstijd voorbij is, worden de jongens door de overste van de kamerlingen aan Nebukadnezar voorgesteld. Met elk van hen heeft de koning een kort gesprek, waarbij hij al snel tot de ontdekking komt dat Daniël en zijn vrienden ver boven de anderen uitsteken. Ze overtreffen in verstand zelfs tien maal de tovenaars (geleerden die zich bezighouden met magische praktijken) en sterrenkijkers (priesters die met toverformules boze geesten uitbannen).
Zo zijn Daniël en zijn drie vrienden door Gods genade staande gebleven in een wereld vol van verleidingen en gevaren.
Daniël heeft zijn hoge positie gehouden totdat Kores besloot dat de ballingen weer naar hun land terug mochten keren (Ezra 1:1-4). Op dïe hoge post is hij werkzaam geweest, opdat ook in Babel Gods Naam verheerlijkt zou worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1985
Mivo +16 | 24 Pagina's