JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 7: De profeet Elisa ; Elisa in Dothan, 2 Koningen 6 vs. 8 - 23

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 7: De profeet Elisa ; Elisa in Dothan, 2 Koningen 6 vs. 8 - 23

Jaarthema: “Profeten in het Oude Testament”

37 minuten leestijd

Toelichting op het thema
Dit jaar zijn de vertellingen gegroepeerd rondom het thema ‘Profeten in het Oude Testament’. In deze vertelling gaat het over de profeet Elisa, de opvolger van Elia, die in de stad Dothan door het Syrische leger wordt omringd. De Heere laat Hem echter omringen door Zijn engelen en verlost hem uit de handen van de vijand.

Doel van de vertelling
In deze vertelling horen de kinderen over de profeet Elisa, die aan de koning van Israël bekend maakt waar de Syriërs van plan zijn een inval te doen, en daarom door die koning gevangen genomen dreigt te worden. Hoe Elisa op een wonderlijke manier door de Heere wordt bewaard. Maar ook hoe Elisa bidt voor zijn knecht en daarna ook tweemaal voor de vijanden. Zo moeten ook onze ogen geopend worden door de Heere voor Wie Hij is en wat Hij doet, ook vandaag nog. Verder horen ze hoe Elisa ook bidt of de Heere de vijanden met verblindheden wil slaan, en daarna of ze ook weer ziende mogen worden. En dat uiteindelijk alles wat er gebeurt tot welzijn is van het volk Israël, maar bovenal tot eer van de Heere. Daarom moeten we ons vertrouwen in alles op de Heere stellen.

Zingen en lezen

Psalm 91: 1, 5
Psalm 33: 7, 8
Psalm 34: 4 en 11
Psalm 37: 2 en 3
Psalm 121: 1, 3, 4
Psalm 111: 2, 3, 5
Psalm 118: 1, 7
Psalm 124: 2 en 4
Psalm 46: 1 en 6
Psalm 48: 6
Psalm 32: 4
Psalm 94: 8
Psalm 68: 17
Psalm 72: 11
Psalm 146: 1 en 3

Liederen:
• Is de nood zo hoog gerezen (HK, lied 200)
• Gij, eng’len, die omhoog
• Als g’ in nood gezeten (...)
• Rust, mijn ziel, uw God is Koning

Lezen
2 Koningen 6 vs. 8 – 23

Kerntekst
2 Kon. 6: 15-17, En hij zeide tot hem: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie; En de HEERE opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.

Vertelling

“Wie van jullie vertelt er toch iedere keer aan de koning van Israël, waar wij precies heen gaan en wat wij willen gaan doen?” In zijn tent zit Benhadad, de koning van Syrië, samen met de officieren van zijn leger. Hij begrijpt er niets meer van. Iedere keer als hij samen met zijn officieren een plan maakt om een stad in Israël te overvallen, is daar ook het leger van Israël. En dat gebeurt niet één of twee keer, maar het is al heel veel keren gebeurd. Hoe kan dat toch? Hoe weet die koning dat? Wie heeft hem dat verteld? Benhadad, de koning van Syrië weet het niet meer. Het kan maar één ding zijn: Eén van zijn eigen knechten verraadt de plannen aan de koning van Israël! En daarom stelt hij nu die vraag: “Wie van jullie vertelt de plannen die wij maken aan de koning van Israël?” “Ja,” gaat de koning verder, “we hebben nu al verschillende keren een plan gemaakt waar ons leger zich moet verstoppen, zodat we de soldaten van Israël kunnen overvallen. Maar iedere keer mislukt dat en kómt het leger van Israël daar helemaal niet... Het kan niet anders: Iemand (van ons) moet aan de koning van Israël verraden wat onze plannen zijn en op welke plaats hij dus niet met zijn leger moet komen. En omdat wij dat altijd in het geheim doen, moet het wel iemand zijn die erbij is als wij onze plannen maken.” Koning Benhadad kijkt rond. Wie van zijn officieren zou dat toch doen? Maar dan zegt één van hen: “Nee, koning, zo is het niet. Er is niemand van ons die onze plannen verder vertelt. Maar weet u, in Israël is een profeet die weet wat wij hier samen afspreken en welke plannen we maken. Híj vertelt precies aan de koning van Israël wat wij willen gaan doen. Zo komt het dat uw plannen steeds mislukken, omdat die koning zijn leger dan naar die plaats kan sturen of er juist wegblijven.” Verwonderd kijkt Benhadad zijn knecht aan. Is dat waar? Vertelt die profeet dat aan zijn koning? O, maar dan zal hij ervoor zorgen dat die profeet dat niet meer kan doen! Dat het de Heere is, Die dat aan die profeet vertelt, dat weet Benhadad niet. En hij denkt er ook niet aan dat de Heere weet welk plan hij nu maakt. Nee, Benhadad wil niet buigen voor de God van Israël, hij wil zijn eigen zin blijven doen. ”Ga eens kijken, waar die profeet is,” zegt de koning tegen zijn knechten, “dan kan ik hem gevangen laten nemen.” Daar gaan de knechten van koning Benhadad. Ze gaan op zoek naar de profeet die al hun plannen doorvertelt. Niet lang daarna komen ze terug. “Koning, de profeet Elisa is in Dothan.”

Denk jij daar weleens aan? Dat de Heere alles van je weet? Dat Hij weet wat wij doen en wat we zeggen? Ja, zelfs de dingen die we denken. Álle dingen, ook die dingen, waarvan wij denken dat niemand ze ziet of weet. Schrik je daarvan? Of ben je blij, dat de Heere alles van je weet?

0 - 0 - 0 - 0 - 0 - 0 - 0

Het is nog vroeg in de morgen. Kijk, in het stadje Dothan gaat een deur open. Er komt een jongen naar buiten. Hij kijkt om zich heen. Hier vandaan kan hij alles goed zien. Maar... dan schrikt hij! O, kijk daar eens! Daar, op die bergen die om Dothan liggen, staan allemaal tenten. Daartussen ziet hij paarden. Maar er lopen ook soldaten. Dothan is omsingeld door een groot en sterk Syrisch leger! O, hoe moet dat nu?

Vlug loopt hij terug naar binnen. Daar is Elisa, de profeet van de Heere. “O, mijn heer Elisa, er is een groot leger van de Syrische koning! Wat moeten wij doen?” Ook Elisa loopt naar buiten. Ook hij ziet die tenten en die soldaten en die paarden. Hij ziet hetzelfde als zijn knecht. Maar wat wonderlijk! Als Elisa al die soldaten ziet, schrikt hij niet! Hij wordt niet bang. Nee, want Elisa ziet nog iets. Iets wat zijn knecht niet ziet.

Elisa mag weten dat de Heere bij hem is. Dat Hij voor hem zorgt. En als de Heere bij je is en je dat ook mag merken, waarom zou je dan bang zijn? Dan kún je zelfs niet bang meer zijn! Want de Heere is veel machtiger dan alle vijanden en Hij regeert over alle dingen. En daarom staat Elisa daar zo rustig, ook al zijn er nog zoveel soldaten... En Elisa gelooft dat niet alleen, maar de Heere laat het hem ook zien.

Als Elisa naar zijn knecht kijkt, ziet hij hoe bang die is. Nee, zijn knecht ziet niet wat hij wel ziet. Zijn knecht ziet alleen maar al die vijanden. Wat wil Elisa graag dat zijn knecht ook ziet wat hij ziet. Vriendelijk kijkt hij hem aan en dan zegt hij rustig: ”Vrees niet.” Niet vrezen? Niet bang zijn? “Nee,” zegt Elisa, “want die met ons zijn, zijn meer dan die met hen zijn?” Verwonderd kijkt zijn knecht hem aan. Zijn zij met meer dan al de soldaten van dat grote leger? Elisa en hij, zij zijn toch maar samen? En die soldaten zijn met zovelen...? Die zijn toch met veel meer....? Elisa ziet het ongeloof in de ogen van zijn knecht wel. Zelf kan hij hem niet helpen. Zelf kan hij hem niet laten zien, wat hij wel ziet. Maar hij kan wel iets anders voor hem doen! Hij kan voor hem bidden! “Heere, open toch de ogen van de jongen dat hij zie”, bidt Elisa. Open toch zijn ogen, dat hij zie...? Maar die jongen is toch niet blind? Hij kan toch zien? Ja, hij ziet alle dingen van deze wereld. Maar hij ziet niet, hoe machtig de Heere is! Daarvoor heb je ogen nodig die dat zien. En daar bidt Elisa om. Het is net alsof hij zegt: “Heere, laat U hem ook zien wat ik zie?” Heb jij zulke ogen? Ogen die niet alleen alles van deze wereld zien, maar ook Wie de Heere is? Hoe machtig Hij is. Hoe goed Hij is. Hoe genadig Hij is. Niet? Vraag dan of de Heere ook jouw ogen wil openen, zodat je Hem mag leren kennen.

Elisa bidt voor zijn knecht. En de Heere verhoort dat gebed. Hij opent de ogen van Elisa’s knecht. En dan ziet die jongen wat hij eerst niet zag! Ja, de soldaten zijn er nog steeds, die heeft de Heere niet weggenomen. Maar hij ziet nog iets. De hele berg waarop Elisa en hij staan, is vol met wagens en paarden. Het zijn vurige wagens en paarden. Ze worden bestuurd door engelen. En die engelen zijn net als een vurige muur heel dicht om Elisa en zijn knecht heen. De Heere heeft Zijn engelen gestuurd om Zijn knecht te beschermen. Ja, Hijzelf beschermt Zijn knecht! Elisa mocht dat al eerder zien, maar nu ziet ook zijn knecht het. O, wat zijn ze nu veilig. De Heere waakt over hen en dan is er niemand die hen kwaad kan doen als Hij dat niet wil.

0 – 0 – 0 – 0 – 0 – 0 - 0

Later gaat Elisa samen met zijn knecht het stadje Dothan uit, de heuvel waarop het stadje gebouwd is af. Maar kijk eens, daar van die andere heuvel waarop de tenten van de vijand staan, komen soldaten. Ze komen naar hen toe. Elisa ziet ze komen en hoor, hij bidt weer. “Sla toch dit volk met verblindheden”. Dat betekent niet dat de soldaten niets meer kunnen zien. Nee, Elisa vraagt of de Heere ervoor wil zorgen dat de soldaten bepaalde dingen niet zullen zien, dat ze de dingen die ze zien niet zullen herkennen. Ze worden niet blínd, maar verblind.

Kijk, daar komen de soldaten. Maar ze herkennen Elisa niet. Als ze vlakbij zijn gekomen, zegt Elisa vriendelijk tegen hen: “Dit is de weg niet en dit is de stad niet.” Elisa zegt eigenlijk: “In deze stad zullen jullie de man die jullie zoeken niet vinden. “Maar”, gaat hij verder: “Volg mij maar, dan zal ik jullie brengen bij de man die jullie zoeken.” Daar gaat Elisa. En achter hem komen al die Syrische soldaten. Ze zien niet wie daar voor hen loopt. Ze herkennen hem niet. Ze zien ook niet welke kant ze op gaan. Uren lopen ze, en Elisa wijst hen de weg. Na een hele poos lopen komen ze bij een stad. Die gaan ze binnen. Welke stad het is, weten de soldaten niet. Ze zien niet dat het de stad Samaria is, de hoofdstad van het tienstammenrijk. De stad, waar koning Joram, de koning van Israël, woont. Waar ook veel soldaten zijn. Maar als ze midden in de stad zijn gekomen, bidt Elisa opnieuw: “Heere, open hun ogen.” En wat zien de soldaten dan? Ja, ze zien Elisa! Naast hem staat de koning van Israël, Joram. En om hen heen, is een grote groep soldaten van het volk van Israël.

“Vader Elisa, zal ik ze slaan? Zal ik ze doden?” zegt de koning tegen Elisa. “Doden?” vraagt Elisa. “Wat doet u met soldaten die u in de oorlog gevangen hebt genomen? Die doodt u toch ook niet? Nee, weet u wat u moet doen? U moet die soldaten eten en drinken geven, brood en water. En daarna laat u ze naar hun eigen land en koning terug gaan.” De koning doet wat Elisa hem heeft gezegd. Hij laat een grote maaltijd klaarmaken. Alle soldaten krijgen genoeg te eten. Daarna laat hij hen terug gaan naar hun land. Zo gaan de soldaten het land weer uit. En... en ze komen voorlopig niet meer terug. Wat was Elisa een gelukkige man! Wat mocht hij dicht bij de Heere leven! En wat mocht hij in alle dingen vertrouwen op de Heere alleen. Hij bad voor anderen. Zélf kon hij niets doen en niets geven. Maar er is er Eén Die dat wel kan. Dat is de Heere Jezus. Elisa was een voorbeeld, een type van Hem. Maar de Heere Jezus is de grote Profeet. Hij kan alles! Hij kan je ogen openen, zodat je Hem mag leren kennen. Hij kan je beveiligen als je bewaring nodig hebt, want Hij is het Hoofd van de engelen. Hij kan dat allemaal geven, omdat Hij dat Zelf allemaal verdiend heeft. Vraag maar of Hij ook jouw ogen wil openen, zodat je Hem mag leren kennen. Of Hij ook jou wil bewaren in alle gevaren. Of Hij je wil verlossen van je eigen zondige hart. Of Hij je wil leren te leven tot Zijn eer. Als Hij je Koning is, dan zal Hij in alles voor je zorgen. Dat betekent niet dat er geen verdrietige dingen kunnen gebeuren. Maar dan zal Hij bij je zijn. Dan ben je écht veilig en gelukkig.

Achtergrondinfo

De profeet Elisa
De naam van Elisa betekent: God is mijn Hulp. Dat is in het leven van Elisa waar geworden. De Heere had Elia de opdracht gegeven om Elisa tot profeet te zalven. Dat heeft Elia gedaan, al lezen we niet met zoveel woorden dat Elia hem zalfde. Wel lezen we dat Elia hem zijn mantel omwierp. Hij wilde daarmee aangeven dat Elisa hem moest volgen, om na hem zijn taak als profeet in Israël voort te zetten. Elisa was op dat moment aan het werk op het land van zijn vader Safat. Waarschijnlijk was dat een welgesteld iemand, want Elisa was met twaalf juk runderen aan het ploegen. Na afscheid van zijn ouders te hebben genomen, waarbij hij de runderen slachtte en het hout van de ploeg gebruikte om daarop het vlees te bereiden, is Elisa zonder tegenspreken Elia gevolgd. In de tijd dat hij met Elia omging, heeft de Heere hem voor willen bereiden voor het werk waartoe Hij hem geroepen had. Als Elia aan het eind van zijn leven naar diverse profetenscholen in Israël moet om afscheid te nemen, blijft Elisa bij hem; hij blijkt op de hoogte te zijn van het feit dat de Heere Elia weg gaat nemen. Hij mag zelfs getuige zijn van de hemelvaart van Elia. Op die laatste reis vraagt Elia aan Elisa of hij nog iets van hem begeert, voordat hij wordt weggenomen. Elisa vraagt dan om twee delen van de geest van Elia. Elia moet belijden dat hij hem dat niet kan geven. Hij mag echter ook zeggen, dat, als Elisa zal zien dat hij van bij hem wordt weggenomen, de Heere zijn gebed heeft verhoord. Al direct na het heengaan van Elia, blijkt dat Elisa zijn wens heeft gekregen. Het is zelfs zo duidelijk, dat de profetenzonen zeggen: “De geest van Elia rust op Elisa.” (2 Koningen 2: 15).

Uit het leven van Elisa blijkt dat hij een nabij en teer leven met de Heere had. Hij wordt ons getekend als een vaderlijke, een zachte en vriendelijke persoon. Altijd is hij bereid om met de kracht en de middelen die de Heere hem daarvoor geeft, te helpen. Hij heeft oog voor het zwakke en hulpeloze. En wil helpen bij zowel de grootste als de kleinste noden, van zowel vrienden en volksgenoten, en zelfs van vreemden.

De arbeid van Elisa/Wondertekenen
Stond de arbeid en het leven van Elia in het teken van het oordeel aankondigen, de arbeid van Elisa staat in het teken van wonderen/wondertekenen doen. Deze wonderen deed hij in de Naam des HEEREN. Zijn optreden komt dan ook veel lieflijker over dan dat van Elia, hoewel ook Elisa diverse keren het oordeel heeft moeten aanzeggen. (Denk aan de jongens in Bethel en zijn knecht Gehazi (2 Kon. 2: 23, 24 en 2 Kon. 5: 26, 27).

De wondertekenen die hij mocht doen, vertelden Wie de Heere is en wat Hij kan en wil doen. Maar ook hoe Hij werkt. Zonder woorden wezen ze erop dat er bij de Heere genade is. Zoals ook eenmaal de Heere Jezus Zelf wonderen deed, die toonden Wie Hij was, wat Zijn werk was en hoe Hij dat werkt. Zoals bij Hem die wonderen een oproep waren tot bekering, zo was dat ook bij Zijn knecht Elisa. Ook diens optreden was een oproep om terug te keren naar de Heere, de God van het Verbond. Elisa’s optreden leek op het suizen van een zachte stilte, zoals zijn voorganger Elia dat eenmaal had mogen horen. En op wat de Heere Zelf eenmaal tegen Zacharias had gezegd: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden (Zach. 4: 6). Ook vandaag werkt de Heere onder de prediking vaak op deze wijze.

Koning Joram door Elisa gewaarschuwd
We lezen in dit gedeelte dat de koning van Syrië oorlog voer tegen Israël, waar op dit moment Joram, de zoon Achab en Izebel regeert. Benhadad beraadslaagt met zijn staf over de plaats, waar ze zich op zullen stellen, om het leger van Israël te overvallen. De Heere maakt het Elisa echter bekend. Deze stuurt daarop een boodschap naar de koning met de inhoud: “Wacht u dat gij door die plaats niet trekt” (2 Kon. 6: 9). De exacte plaats/plaatsen wordt/worden in dit gedeelte niet genoemd. Waarschijnlijk is dit meerdere keren gebeurd – mogelijk wel zeven of acht keer. Bedoeld wordt, dat Joram op moet passen voor het leger van de koning van Syrië als hij naar die door Elisa genoemde plaats gaat. [Dat de naam van die plaatsen niet genoemd worden is niet belangrijk. Het ging niet om de steden, maar om wat de Heere had gedaan en nog doen zou.]

Man Gods
Een profeet werd ook wel ‘een man Gods’, ‘een man van God’, genoemd. Dat gaf aan dat de mensen hem zagen als iemand die een knecht was van de Heere. Die ook het Woord van de Heere tot hen sprak en Zijn wil openbaarde.

Dothan
Elisa verblijft op dit moment in Dothan. Mogelijk was hij op zijn reis, zoals hij vaak deed, van Karmel naar Samaria, of omgekeerd. Dan kon hij daar een paar dagen blijven voordat hij verder reisde. Dothan lag zo’n 20 kilometer – vier uur lopen - (ten noordoosten) van Samaria. De stad lag te midden van mooie dalen en was gebouwd op een heuvel. Al in de tijd van Jakob en Jozef liep er een handelsweg uit het Oosten door het mooie ruime dal van Dothan (Gen. 37:17), naar de Saronvlakte, en verder, parallel met de zeekust naar Egypte. Dothan was op deze weg een belangrijk punt. De wegen van Jizreël naar Samaria, en van de Karmel naar Samaria, kwamen in Dothan samen. Ten oosten van Dothan lag een gebergte, waarop de Syrische soldaten zich hadden gelegerd. (We kennen de plaats Dothan uit de geschiedenis van Jozef, die naar zijn broers moest gaan die bij deze plaats de kudden van hun vader weidden).

De dienaar, de jongen
Dit was de knecht van Elisa. Zijn naam weten we niet en ook verder is er niets van hem bekend. Uit de manier, waarop hij reageert, krijgen we de indruk dat het nog een heel jong iemand geweest is. Uit zijn vragen blijkt dat hij ontzag had voor de profeet. Elisa gedraagt zich tegenover hem als een vader.

Vrees niet...
Dit is het antwoord van Elisa aan zijn bange knecht. Niet omdat er geen gevaar zou zijn, maar omdat Elisa weet Wie er voor hen zorgt. Hij heeft een God, Die over alle dingen regeert en alle macht heeft in de hemel en op de aarde. En Hij zorgt ook voor Elisa.

Dit ‘Vreest niet’ komen we in de Bijbel heel vaak tegen. Als de Heere mensen opzoekt, is er vaak vrees. Denk aan Abram (Gen. 15: 1), Hagar (Gen. 21:17), Izak (Gen. 26: 24). Ook door mensen wordt dit regelmatig gezegd: Jozef (tegen zijn broers, ) Mozes (uit Naam van de Heere, tegen het volk Israël, ). De Heere zegt het ook tegen Jozua (Joz. 8:1), tegen Gideon (Richt. 6: 23). Ook bij de profeten komen we deze uitspraak vaak tegen. Verder lezen we hem vaak in het NT, als er engelen aan de mensen verschijnen. Denk aan Zacharias en ook aan Maria en de vrouwen bij het graf op de Opstandingsdag van de Heere Jezus. Ook de Heere Jezus heeft dit regelmatig gezegd, tijdens Zijn omwandeling op de aarde. Bijvoorbeeld tegen Zijn discipelen in de storm op Zee (...), Petrus bij zijn roeping (Luk. 5:), Jaïrus (Luk. 8:50). Ook later tegen Paulus als hij in de storm op het schip is en de Heere hem verschijnt (Hand. 27:24). Daarmee wil de Heere de vrees wegnemen.

Elisa door engelen omringd maakt hem moedig, maar ook mild
Elisa weet dat hij niet alleen is en dat hij niet voor zichzelf hoeft te zorgen. Hij weet zich omringd door de trouwe zorg van de Heere, en hier is dat wel op een heel bijzondere manier. Door een engelenleger. Het feit dat Elisa weet dat de Heere met hem is, maakt hem moedig. Daarom stapt hij vrijmoedig de vijand tegemoet, wetend dat de Heere hem bewaart. Maar het maakt hem ook mild. Als koning Joram vraagt of hij de vijanden moet doden, zegt Elisa dat hij ze eten en drinken moet geven en ze naar hun koning terug moet laten gaan. Elisa wreekt zich niet.

Elisa’s gebeden
Elisa bidt in dit Schriftgedeelte tot drie keer toe. En tot drie keer toe wordt hij ook verhoord. Allereerst bidt hij of de Heere de ogen van zijn knecht wil openen, zodat hij ook mag zien wat Elisa al eerder zag. Daarna bidt hij of de Heere de vijandige soldaten met verblindheid wil slaan. Maar dat is niet tot hun ondergang, maar tot hun behoud. En daarna vraagt hij of hun ogen ook weer geopend mogen worden. Uiteindelijk is ieder gebed wat Elisa bidt ten goede van het volk van Israël. De veilige terugkeer van de soldaten naar hun land zorgt ervoor dat Benhadad lange tijd geen plundertochten meer houdt in het land van Israël. (vs. 23). Ook hier is Elisa een type van de Heere Jezus.

Engelen in de Bijbel
Het woord ‘engel’ betekent letterlijk bode of boodschapper. Het zijn dienstknechten van de Heere, Die Hem dienen. Dit kan op diverse manieren.
- Door een boodschap van Hem aan mensen te brengen (Gabriël aan Zacharias en Maria).
- Het kan ook door de oordelen van de Heere te voltrekken, zoals de engel die door Egypteland ging en alle eerstgeborenen doodde als er geen bloed aan de deuren zat, of de engel die in het leger van de Assyriërs 185.000 soldaten doodde (zie 2 Kon. 19:35).

- We zien ze ook tot dienst van de Heere Jezus gereed, toen Hij op de aarde rondwandelde. (Na de verzoeking door de duivel in de woestijn lezen we dat de engelen kwamen en Hem dienden. En in de hof van Gethsémané was er een engel, door Zijn Vader gezonden, die Hem versterkte.)

Bij de heilsfeiten lezen we ook over hen.
- Denk aan de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper en zes maanden later van de Heere Jezus.
– In de velden van Efratha verschijnt een engel aan de herders om de blijde tijding van de geboorte van de Heere Jezus aan de herders te melden en zingen duizenden engelen het ‘Ere zij God’.
- Bij de opstanding is er de engel die de steen voor het graf van de Heere Jezus wegrolt. Ook melden de engelen de opstanding aan de vrouwen.
- Met de Hemelvaart komen twee engelen om de discipelen te onderwijzen dat de Heere Jezus op dezelfde wijze zal wederkomen zoals zij Hem naar de hemel hebben zien heenvaren.
- Op de Oordeelsdag zullen de engelen er zijn.

Ook vandaag zijn de engelen werkzaam. Hoe, is voor ons grotendeels verborgen. Wel weten we vanuit Gods Woord dat ze tot dienst worden uitgezonden van degenen die de zaligheid beërven zullen (zie Hebr. 1: 14).

Schepping van de engelen
De engelen zijn allen tegelijk geschapen, waarschijnlijk op de eerste dag. In Job 38: 7 staat: Toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten’. Zowel met ‘de morgensterren’ als met ‘de kinderen Gods’ worden hier de engelen bedoeld.

Val van een deel van de engelen
Op de zevende dag zag God al wat Hij gemaakt had en ziet, het was zeer goed. Echter, niet lang daarna is dat veranderd. Hoe dat kan is voor ons een verborgenheid. Wel weten we dat de zonde in de hemel begonnen is. Eén van de voornaamste engelen was niet te tevreden met de plaats die Hij van God ontvangen had. Hij is tegen God opgestaan en gevallen. In zijn val heeft hij vele engelen meegenomen. Zij zijn duivelen geworden. Het hoofd van de duivelen heet satanas, wat letterlijk ‘tegenstander’ betekent. Hij heeft na zijn val ook de mens verleid, die hem gewillig gehoorzaam is geweest en daarmee ongehoorzaam werd aan de Heere. Daardoor is ook de mens - moedwillig en vrijwillig - gevallen. Maar waar de Heere uit enkel genade voor de mens een weg ontsloot, waardoor hij weer met God verzoend kan worden, is dat voor de duivelen onmogelijk.

De Engel des HEEREN
In de Bijbel komen we in het Oude Testament de benaming tegen van ‘de Engel des HEEREN’. Heel vaak wordt daar de Heere Jezus mee bedoeld, Die in het OT op deze wijze verscheen. Dan wordt ‘Engel’ meestal met een hoofdletter geschreven. Zo verscheen Hij aan Abraham, aan Gideon, maar ook aan de ouders van Simson. ‘Engel’ wordt dan meestal met een hoofdletter geschreven. Ook wordt uit het verband vaak duidelijk dat het niet om een geschapen engel gaat, maar dat daar de Heere Jezus mee bedoeld wordt. Hij is het Hoofd van de engelen, zoals Hij in Jozua 5 vers 14 Zelf zegt tegen Jozua: “Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN”.

Als er een geschapen engel wordt bedoeld, wordt ‘engel’ met een kleine letter geschreven. Ook aan mensen wordt wel de benaming ‘engel’ gegeven, omdat dit ‘bode’ betekent (Zie Openbaring 1 en 2, waar de voorgangers van de zeven gemeenten in Klein-Azië zo bijvoorbeeld genoemd).

Onderscheid in engelen
Er zijn vele engelen. Ze hebben niet allemaal dezelfde status.
- Er zijn ‘hoofdengelen’ of ‘archangels’; (‘arch’ betekent ’eerste’ of ‘voornaamste’), die dicht bij de Heere een plaats in de hemel hebben gekregen. Denk daarbij aan Gabriël, die zegt: Ik ben Gabriël, die voor God sta (Luk. 1: 19). Ook lezen we in de Bijbel over Michaël (dat is: Wie is als God). In Daniël 10 vers 13 wordt deze engel genoemd ‘één van de eerste vorsten’. Blijkbaar heeft Michaël een vorstelijke plaats onder de engelen.
- Andere engelen staan verder bij de Heere vandaan, maar allemaal hebben ze een plaats bij Hem. Er zijn cherubs: engelen die vooral de heerlijkheid, kracht en majesteit van God. Zij accentueren de afstand tussen God en mens; ze bepalen ons bij de kloof die er door de zonde geslagen is. Voorbeelden van cherubs: de engelen die met een uitgetrokken zwaard bij de ingang van het paradijs stonden, nadat Adam en Eva gezondigd hadden en daaruit verdreven waren. Ook komen we de cherubs tegen in de tabernakel (en later de tempel). Zo stonden er twee op het verzoendeksel in het Heilige der Heilige. We zouden kunnen zeggen: De cherubs symboliseren vooral de wet. Zij waken vooral voor Gods recht.
- Daarnaast lezen we in Jesaja van serafs (Jes. 6: 6). Zij hebben tot taak de zonde uit te branden. Zij bedienen het hemelse altaar. Misschien mogen we zeggen dat zij meer de genade symboliseren, hoewel we ook bij hen worden herinnerd aan de heiligheid Gods, want ze roepen rusteloos: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen, de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol’. Serafs benadrukken dus de heiligheid van God. Daar wijst ook het woord ‘branden’ op. Zij waken dus in het bijzonder voor Zijn heiligheid.

Met verblindheid geslagen
Verblindheid betekent niet dat de Syriërs blind werden, zodat ze niets meer konden zien. Waarschijnlijk was het een gezichtsverwarring, waarbij iemand de dingen anders ziet dan ze zijn, zoals dat ook was bij de mannen van Sodom (Gen. 19: 11), die de deur niet zagen. In deze geschiedenis herkenden ze de profeet Elisa niet meer en ook herkenden ze de omgeving niet meer. Eén van de verklaarders zegt: ‘Zij werden in een dikke mist gehuld’.

Voorbede
Elisa bidt voor zijn knecht tot de Heere. Hij vraagt Hem of Hij de ogen van zijn knecht wil openen, zodat die ook zien mag, wat Elisa ziet. Zo bad ook Abraham eenmaal voor Sodom en Gomorra, en indirect voor Lot, of de Heere die steden nog wilde sparen. Ook op ander plaatsen in de Bijbel lezen we dat mensen voor anderen bidden. De Heere Jezus Zelf deed dat ook. Hij zei het tegen Petrus en de andere discipelen: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:32). Op weg naar de hof van Gethsémané bad Hij in het gezelschap van Zijn discipelen en droeg Hij ze op aan Zijn Vader: Ik bid voor hen... Ik bid voor deze ... (Joh. 17 ). Zelfs aan het kruis op Golgotha heeft Hij voor Zijn Kerk gebeden. Paulus vraagt aan de gemeenten of ze hem in hun voorbede willen gedenken, omdat hij weet dat hij zonder de Heere niets kan. (Broeders, bidt voor ons, 1 Thess. 5:25, 2 Thess. 3: 1). En in het Onze Vader leert de Heere Jezus niet alleen voor onszelf te bidden, maar ook voor anderen, als Hij zegt: ‘Onze Vader (...) Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden... ‘

Elisa, type van de Heere Jezus
In de Hof van Gethsémané heeft de Heere Jezus tot Zijn Vader gebeden of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht/kon gaan. Dat gebed sloot af met: Maar niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.’ Als de bende van het Sanhedrin komt om Hem gevangen te nemen, treedt de Heere hen vriendelijk tegemoet. Hij vraagt niet of er engelen zullen komen om Hem te bevrijden. Wel laat Hij de vijanden een ogenblik Zijn almacht voelen, als ze achterover op de grond vallen. Maar Hij geeft ze daarna ook weer de gelegenheid om op te staan. Dan stelt Hij ze opnieuw de vraag: Wie zoekt gij? Op hun antwoordt: Jezus, de Nazarener, zegt Hij: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen – en dan wijst Hij op Zijn discipelen – heengaan. De Heere gaf ze nog tijd om zich te bekeren. Op dezelfde manier handelde Hij ook met Judas. Toen die Hem kuste, vroeg Hij: “Vriend, waartoe zijt gij hier? Verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?” Ook Judas kreeg nog tijd om tot inkeer, bekering, te komen. Uiteindelijk was al Zijn bidden op de aarde tot heil van Zijn volk. En ook nu, in de hemel bidt Hij nog voor ze. Ook daarin is Elisa een type van de Heere Jezus. Wat hij in deze geschiedenis deed, was ten goede van anderen en in wezen voor het hele volk van Israël.

Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben...
Elisa vertoont ook nog op een andere manier iets van het beeld van de Heere Jezus, Die het eenmaal zei: ‘Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart’ (Mattheüs 11: 29). Elisa wreekt zich niet op de Syriërs, die toch zijn ondergang op het oog hadden. Maar als Joram hem vraagt of hij de vijanden moet doden, weigert Elisa dat. In plaats daarvan doet hij hen goed door hen eten te geven. Daarin volbrengt hij het gebod van de Heere, Die gezegd heeft: Wreekt uzelven niet beminden... (Rom. 12:19).

Belijdenisgeschriften
• Heidelbergse Catechismus Zondag 9 en 10
Dat ons niets bij geval, maar alles van Zijn Vaderlijke hand ons toekomt ..., opdat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar en voor het toekomende een goed toevoorzicht (vertrouwen) hebben...
• Heidelbergse Catechismus Zondag 19, vraag 51
Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.
• Heidelbergse Catechismus Zondag, vraag 118
Wat heeft ons God geboden van Hem te bidden?
• Heidelbergse Catechismus Zondag 52, vraag 127
De zesde bede: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
• Heidelbergse Catechismus Zondag 52, vraag 128
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.


Antwoorden bij werkboekje groep 5 en 6

Weet je het nog?

Kies het goede antwoord. Zet daar een rondje om.

1. Nebukadnezar (n)/ Benhadad (o), de koning van Syrië, vocht tegen Israël.
2. Maar de plannen die hij maakte wist koning Joram (p)/ Josia (e) al.
3. De koning van Syrië dacht dat zijn eigen knecht (e)/ de knecht van Elisa (g) dat aan die koning verteld had.
4. Maar één van zijn knechten zei: Nee, dat vertelt de profeet Elia (o)/Elisa (n) hem!
5. De koning van Syrië hoorde dat de profeet in Dothan (t)/ Sichem (n) was.
6. Daarom stuurde hij daar ’s morgens vroeg (ij)/ ’s nachts (o) een groot leger naartoe.
7. De soldaten moesten Elisa gevangennemen (c)/ doden (z).
8. Elisa (n)/ de knecht van Elisa(h)/ schrok heel erg toen hij al die soldaten zag.
9. Maar de profeet ging hem raad geven (p)/ voor hem bidden (z).
10. Toen zag de knecht dat de berg ook vol was met soldaten van Israël (e)/ vurige wagens en paarden met engelen (ij).
11. Elisa bad ook of de Heere de soldaten van Syrië met verblindheid (n)/blindheid (o) wilde slaan.
12. Toen bracht hij ze naar Samaria (o)/ Jeruzalem (p).
13. Daar werden ze weer ziende (g)/ blind (r).
14. Koning Joram wilde hen doden (e)/ gevangen nemen (a).
15. Maar Elisa zei tegen de koning dat hij de soldaten brood en wijn (n)/ brood en water (l) moest geven en ze weer terug moest sturen naar hun koning.

Antwoord: Open toch zijn ogen.

Om over te praten

1) De knecht van Elisa was bang toen hij al die soldaten zag.
a. Waarvoor ben jij weleens bang? Waarom?
Eigen antwoord
b. Wat doe je dan?
Eigen antwoord
c. Wat deed de knecht van Elisa?
Hij ging met zijn vragen naar Elisa, de knecht van de Heere.
d. Wat kun jij van hem leren?
Om met al onze vragen naar de Heere te gaan.
2) Elisa bad voor zijn knecht.
a. Bid jij weleens voor andere mensen? Voor wie bid je?
Eigen antwoord
b. Voor wie zou jij kunnen bidden?
Familieleden, zieke mensen (uit de gemeente, vandaar de voorbede), als er andere zorgen zijn, maar ook voor de dominee en de ouderlingen en diakenen, de juf en de meester, mensen die in de Zending en Evangelisatie werken, mensen in andere landen, maar ook in ons land die nog nooit van de Heere gehoord hebben. Mensen die vervolgd worden. Mensen die in nood zijn (oorlog, hongersnood).
c. Wat zou je dan voor hen kunnen vragen? Waarvoor zou je dan bidden?
Of de Heere ze wil bekeren, maar ook als ze de Heere al kennen of ze Hem meer mogen leren kennen. Ook voor alle tijdelijke noden en zorgen (als er ziekte is). Of de Heere wil helpen bij al het werk, maar ook of Hij hun werk wil zegenen. (Dus bidden om de hulp van de Heere en Zijn zegen.)
d. Waarom is bidden voor anderen belangrijk?
Als we anderen liefhebben, wensen we toch het beste voor hen. En het is de Heere alleen Die kan geven alles wat we nodig hebben, en bovenal een hart dat Hem liefheeft en dient. En ook bij het dienen van Hem hebben we Hem nodig! De Heere heeft dat Zijn discipelen Zelf geleerd: Onze Vader ... Geef ons heden, en vergeef ons onze zonden. Ook de Heere Jezus heeft voor anderen gebeden (voor de discipelen, en in het bijzonder voor Petrus die Hem zou verloochenen.)
e. Noem nog eens een paar andere mensen uit de Bijbel die ook voor anderen baden? Zet een rondje om de namen van de mensen die ook voor anderen baden. Voor wie baden ze? Werd hun gebed verhoord? Hoe?
David (voor het kind van Bathséba en ook voor Salomo) – Mozes (voor zijn zus Mirjam toen ze melaats was en ook voor het volk van Israël toen het gezondigd had) – Job (voor zijn kinderen) – Samuël (voor het volk in Mizpa) – Paulus (voor de gemeenten) – Jozua (toen de Israëlieten bij Ai verslagen waren) – mensen in Jeruzalem (voor Petrus, toen hij in de gevangenis zat)
3) Elisa en zijn knecht zagen engelen. Wanneer hebben de volgende mensen een engel /engelen gezien? Trek streepjes naar het goede feest.

Of: ‘voordat de Heere Jezus geboren werd’, ‘bij de geboorte van de Heere Jezus’, ‘bij de opstanding van de Heere Jezus’, ‘bij de hemelvaart van de Heere Jezus’.

• Advent – Zacharias
• Kerstfeest – De herders – Jozef, de man van Maria -
• Paasfeest – Vrouwen die naar het graf gingen – Maria Magdalena
• Hemelvaart – Maria, de moeder van de Heere

4) Elisa ging het land door en hielp andere mensen. Hij had daarvoor gaven van de Heere gekregen. Jij hebt ook gaven van de Heere gekregen. Wat zou jij voor andere mensen kunnen doen? Teken het in de vakken hieronder. Eigen antwoord

5) ‘En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.’
Of: Zoek dat eens op: Mattheüs 28 vers 30.
a. Probeer dat eens met eigen woorden te zeggen.
Eigen antwoord
b. Wat betekent dat?
De Heere is overal, ziet je overal en is altijd bij je.
c. Wat heeft dat met het verhaal over Elisa te maken?
Elisa nam de taak van Elia over in vertrouwen dat de Heere met hem was.
d. Is dat vandaag nog zo? Hoe dan?
Eigen antwoord

Puzzel

Wat staat hier? Begin bij de eerste letter waaronder een streepje staat, en sla steeds één hokje over. Begin daarna opnieuw tot je aan het eind bent. Wat lees je? (Of: Zet eerst alle zwarte letters achter elkaar. Ga daarna verder met de rode letters.) Wat lees je?

Antwoord: Die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn!


Antwoorden bij werkboekje groep 7 en 8

Waar of niet waar. Hieronder staan 19 zinnen. Lees de zin heel goed. Kies dan uit: waar of niet waar. Zet een rondje om het goede antwoord.

Antwoord: Open zijn ogen, opdat hij zie

Om over te praten
1. De knecht van Elisa was bang toen hij al die soldaten zag.
a. Wat zou jij gedaan hebben als je de knecht van Elisa was geweest?
Eigen antwoord
b. Wat doe jij als je bang bent?
Eigen antwoord
c. Wat kun je van Elisa’s knecht leren?
Om met al onze vragen naar de Heere te gaan.
2. Elisa bad voor verschillende mensen.
a. Bid jij weleens voor anderen? Voor wie?
Eigen antwoord
b. Voor wie zou jij kunnen bidden?
Familieleden, zieke mensen (uit de gemeente, vandaar de voorbede), als er andere zorgen zijn, maar ook voor de dominee en de ouderlingen en diakenen, de juf en de meester, mensen die in de Zending en Evangelisatie werken, mensen in andere landen, maar ook in ons land die nog nooit van de Heere gehoord hebben. mensen die vervolgd worden. Mensen die in nood zijn (oorlog, hongersnood).
c. Waar kun je voor hen om bidden?
Of de Heere ze wil bekeren. maar ook als ze de Heere al kennen of ze Hem meer mogen leren kennen. Ook voor alle tijdelijke noden en zorgen (als er ziekte is). of de Heere wil helpen bij al het werk, maar ook of Hij hun werk wil zegenen. (Dus om de hulp van de Heere en Zijn zegen.)
d. Waarom is het belangrijk dat wij niet alleen voor onszelf maar ook voor andere mensen bidden?
Als we anderen liefhebben, wensen we toch het beste voor hen. En het is de Heere alleen Die kan geven alles wat we nodig hebben, en bovenal een hart dat Hem liefheeft en dient. En ook bij het dienen van Hem hebben we Hem nodig! De Heere heeft dat Zijn discipelen Zelf geleerd: Onze Vader ... Geef ons heden, en vergeef ons onze zonden. Ook de Heere Jezus heeft voor anderen gebeden (voor de discipelen, en in het bijzonder voor Petrus die Hem zou verloochenen.)
e. Noem eens voorbeelden van mensen uit de Bijbel die voor anderen baden.
David (voor het kind van Bathséba en ook voor Salomo) – Mozes (voor zijn zus Mirjam toen ze melaats was en ook voor het volk van Israël toen het gezondigd had) – Job (voor zijn kinderen) – Samuël (voor het volk in Mizpa) – Paulus (voor de gemeenten) – Jozua (toen de Israëlieten bij Ai verslagen waren) – mensen in Jeruzalem (voor Petrus, toen hij in de gevangenis zat)
3. ‘Wie God bewaart, is wél bewaard’.
a. Wat betekent die zin?
Als de Heere je bewaart, dan ben je echt veilig.
b. Hoe zag je dat bij Elisa?
De Heere stuurde engelen om Elisa en zijn knecht te bewaren. Ze waren als een muur om hen heen.
c. Noem eens een paar voorbeelden uit de Bijbel voor wie dat ook zo was.
(Daniël, Jakob in Bethel, Israëlieten in Egypte achter het bloed/ door de Rode Zee – Israël veilig erdoor/ Noach in de ark/ Petrus in de gevangenis/ jongelingen in de vurige oven)
4. Zoek eens op Johannes 18 vs. 1 - 11. Het gaat daar over de Heere Jezus in de Hof van Gethsémané.
a. Welke overeenkomsten zie je met het Bijbelverhaal/tussen Elisa en de Heere Jezus?
Er komen vijanden naar Elisa, naar de Heere Jezus ook
Elisa gaat naar hen toe en is vriendelijk voor hen, net als de Heere Jezus
Vraagt niet of de Heere ze doodt. De Heere Jezus bidt hier ook niet om hun ondergang
b. Welke verschillen?
Elisa
Elisa omringd door engelen,
Elisa samen met zijn knecht
Elisa maakt zich niet bekend aan de vijanden.
Elisa brengt ze naar Samaria
Daar bidt hij of de Heere hun ogen wil openen
Elisa wordt niet gevangen genomen

De Heere Jezus
De Heere Jezus niet; bidt daar ook niet om.
De Heere Jezus samen met Zijn discipelen
De Heere Jezus zegt: Ik ben het.
De Heere Jezus toont Zijn almacht, waardoor ze achterover op de grond vallen.
Laat ze ook weer opstaan
De Heere Jezus laat Zich wel gevangen nemen

5. De Heere Jezus heeft gezegd: ‘Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart’.

a. Wat is dat, zachtmoedig zijn? Zet een rondje om de dingen die daarbij horen. Onderstreepte antwoorden.

Gauw boos worden
Anderen helpen
Vergeven
De Heere bij alles nodig hebben

Vriendelijk zijn
Hard zijn voor anderen
Wraak willen nemen
Anderen niet (willen) helpen

Onvriendelijk zijn
Ongeduldig zijn
Zelf alles kunnen
Geduldig zijn

b. Noem nu eens een aantal dingen uit het verhaal, wanneer Elisa zachtmoedig was. Welke dingen deed hij?
Elisa zachtmoedig: toen hij voor zijn knecht ging bidden (had medelijden met hem en wilde graag dat hij ook zag wat hij zag, zodat hij niet meer bang hoefde te zijn.) Toen de vijanden kwamen: vroeg niet of de Heere ze wilde straffen, maar of Hij heb wilde verblinden. Daarna liet hij ze niet alleen, maar bracht hen naar Samaria. Toen ze in Samaria kwamen, wilde de koning hen doden. Maar Elisa zei dat hij hen eten moest geven. Zorgde dus juist goed voor hen en liet hen ook weer teruggaan naar hun land.
c. Wat kunnen wij van Elisa leren?
Om behulpzaam te zijn naar anderen toe en hen te helpen, en ook voor hen te bidden. En dat niet alleen voor mensen die aardig voor ons zijn, maar ook voor die dat niet zijn.

6. Zoek eens op Mattheüs 28 vers 30.
a. Probeer eens met eigen woorden te zeggen, wat daar staat.
Eigen antwoord
b. Wat betekent dat?
De Heere is overal, ziet je overal en is altijd bij je.
c. Wat heeft dat met het verhaal over Elisa te maken?
Elisa nam de taak van Elia over in vertrouwen dat de Heere met hem was.
d. Is dat vandaag nog zo? Hoe dan?
Eigen antwoord

Legpuzzel

Oplossing: De HEERE der heirscharen is met ons (Psalm 46: 8a, 12a)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 2025

Kompas Handleiding | 28 Pagina's

Handleiding 7: De profeet Elisa ; Elisa in Dothan, 2 Koningen 6 vs. 8 - 23

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 2025

Kompas Handleiding | 28 Pagina's