Handleiding 1: De profeet Samuël ; Eben-Haëzer
Jaarthema: “Profeten in het Oude Testament”
Van de redactie
Het jaarthema van Kompas is ‘Profeten uit het Oude Testament’ en sluit mooi aan bij het jaarthema van de JBGG: ‘Alzo zegt de HEERE.’ In deze serie willen we minder bekende geschiedenissen en profetieën onder de aandacht brengen.
De eerste schets gaat over Samuël bij Mizpa. In deze geschiedenis zien we hoe de HEERE de ark van het verbond terugbrengt naar Israël. Verschillende Israëlieten komen daarbij om het leven, waarna het volk tot inkeer komt. Samuël, de opvolger van Eli, leidt deze geestelijke reformatie. Die gaat niet zonder gevaar: het leger van de Filistijnen verzamelt zich om tegen Israël te strijden. Toch blijkt op indrukwekkende wijze dat God de nederige niet vergeet en trouw blijft aan Zijn verbond.
De tweede schets gaat over Hulda, een profetes. Hoewel zij slechts kort wordt genoemd in de Schrift, speelt zij een sleutelrol in de geestelijke vernieuwing onder koning Josía. Haar woorden zijn helder, indringend en vol ontzag voor Gods oordeel. Tegelijk klinkt er hoop in haar profetie: Gods belofte blijft gelden voor wie zich tot Hem wendt.
Namens de redactie,
Pieter Avé
Toelichting op het thema
Dit jaar is het thema voor Kompas ‘Profeten in het Oude Testament’. Deze schets gaat over de profeet Samuël. Hierna volgen de profeten: Hulda, Elia, Amos, Daniël, Elisa, Ezechiël, Jesaja (kerstschets) en Jeremia. Het eerste boek van de profeet Samuël beschrijft de periode van de overgangstijd in Israël van de richters naar de koningen. De HEERE gebruikt Samuël om het koningschap en het profetenambt vorm te geven onder Israël. In de tijd voor de geboorte van Samuël lijkt het erop dat God Zijn beloften vergeet. Israël dient de afgoden en vergeet Zijn wetten en inzettingen. Dan stuurt God de profeet Samuël naar het volk. Er volgt een reformatie, een terugkeer tot de dienst van de Heere. Als profeet roept Samuël Israël op om alleen de HEERE te dienen (zie 1 Samuël 7:1-6 en 1 Samuël 12).
Doel van de vertelling
In deze vertelling horen de kinderen hoe erg het is als we de Heere vergeten en onze eigen gang gaan. De Heere wil dat we Hem dienen met ons hele hart. Hij wil dat we Hem oprecht én Hem alleen dienen. De Heere wil ons hele hart en ons hele leven, niet maar een stukje van ons hart, of een stukje van ons leven of van onze tijd. Ook wil Hij dat we onze zonden belijden en tot Hem bidden om vergeving. Geef de kinderen mee dat God de hoogste plaats in hun leven moet hebben. Hij is dat waard.
Zingen en lezen
Zingen
• Psalm 6:2 (Vergeef mij al zijn zonden) en 9 (De Heer’ wild’ op mijn kermen)
• Psalm 32:3 (‘k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden)
• Psalm 79:4 (Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven)
• Psalm 51:5 (Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad)
• Psalm 55:1 (O, God neem mijn gebed ter ore)
• Psalm 86:3 (HEER’ door goedheid aangedreven) en 6 (Leer mij naar Uw wil te hand’len)
• Psalm 99:5 (Ook was Samuël) en 7 (Gij, met hen begaan) en 8 (Geeft dan eeuwig’ eer)
• Psalm 103:2 (Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven) en 9 (Maar ’s Heeren gunst zal over die Hem vrezen)
• Psalm 119:1 (Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed)
• Psalm 130:4 (Hoopt op den HEER’, gij vromen)
Lezen
1 Samuël 7:1- 13
Kerntekst
Richt uw hart tot de HEERE en dient Hem alleen. (1 Samuël 7:3b)
Introductie bij de vertelling (keuze tussen 2 mogelijkheden)
Introductie 1:
Bij deze introductie gaat het om twee verschillende manieren van spijt hebben. Probeer bij de vraagstelling hier op aan te sturen. Situatie 1: Je hebt iets verkeerds gedaan. Je bent bang voor de straf en daarom zeg je maar snel “sorry” om het weer goed te maken en zo de straf niet te krijgen. Het gaat hier om je eigenbelang.
Vraag: Wie kan daar een voorbeeld van noemen/vertellen. Dat mag over iets wat je zelf hebt meegemaakt.
Situatie 2: Je hebt iets verkeerds gedaan. Je ziet dat je daarmee iemand echt pijn/ verdriet hebt gedaan. Je vindt dat erg. Je voelt van binnen dat je het niet had moeten doen of zeggen. Je hebt spijt. Je wilt het goedmaken en zegt “sorry”. Je dient daarmee het belang van de ander.
Vraag: Wie kan daar een voorbeeld van noemen?
Vraag: Wat is het verschil?
In het antwoord moet het woord ‘liefde’ komen. Dat toont het verschil. Bij de eerste situatie houd je eigenlijk meer van jezelf dan van de ander. Bij de tweede situatie komt veel meer de liefde tot iemand om de hoek kijken. Bijv. als je je vader of moeder verdriet hebt gedaan. God ziet ons hart. Dienen we Hem echt vanuit liefde? Dan willen we geen zonde doen. Dan voelen we dat we God verdriet doen. En hebben we daar zelf ook verdriet van. Je wilt dat het weer goed komt.
Introductie 2:
Je neemt een kan water mee en een schaal of teil. Je vult de kan helemaal met water. Je giet een klein beetje water uit de kan in de teil. Daarna vul je opnieuw de kan helemaal met water. Je giet nu de kan helemaal tot de laatste druppel leeg. Wat is het verschil?
Je gaat de vertelling vertellen en komt op het einde terug op deze introductie. Je kunt dan met de kinderen praten over het vertellen van de zonden aan de Heere.
De kan helemaal leeg = alles aan de HEERE vertellen. Al je zonden belijden.
Vertelling
Samuël zucht. Wat moet hij er toch mee? Hij heeft hen al zo vaak gewaarschuwd. Al zo vaak heeft hij hen verteld hoe het komt dat de Filistijnen de baas zijn in het land, maar het lijkt wel of ze hem niet horen. De Israëlieten willen niet luisteren. Kijk, daar loopt weer een groepje mensen. Samuël ziet ze gaan. Ze zijn op weg naar de afgodsbeelden. Ze gaan daar offeren en bidden. Daar staat een altaar en een beeld. Het is een afgodsbeeld van Baäl. Aan die afgod wordt geofferd en tot die afgod wordt gebeden. En dat gebeurt niet alleen op deze plaats, maar overal in het land Israël staan van die beelden en altaren voor de god Baäl en de godin Astaroth. Samuël vindt dat heel erg. Hij weet dat het de Heere verdriet doet. De Israëlieten hebben de Heere verlaten. In de tabernakel is het stil. Offers voor de Heere worden er haast niet meer gebracht. Ook de ark staat niet meer in de tabernakel. De Filistijnen hebben de ark veroverd en meegenomen. Gelukkig is hij weer teruggekomen naar het land van de Israëlieten. Nu staat de ark al weer twintig jaar in het huis van Abinadab. Maar niemand lijkt het erg te vinden. De Israëlieten zijn de HEERE vergeten. Ze bidden tot andere goden en offeren aan Baäl. Daarom is de Heere met Zijn straffen gekomen. Al jarenlang zijn de Filistijnen de baas in het land Israël. En de Israëlieten kunnen er niets tegen doen, want tegen de Filistijnen vechten en hen verdrijven, durven ze niet. De Israëlieten hebben aan Baäl en Astaroth gevraagd of zij hen willen verlossen van de vijanden, maar die luisteren niet naar hen. Hoe ze ook bidden en hoeveel dieren ze ook offeren, hun gebeden worden niet verhoord. Er verandert niets. En dat kán ook niet anders, want de goden die de Israëlieten dienen, zijn geen goden. Zij kunnen het volk van Israël niet helpen, want ze bestaan niet eens.
Daar gaat Samuël weer. In de steden en op de straten hoort hij steeds vaker de klacht van de Israëlieten dat ze het ook niet meer weten! De onderdrukking is zo zwaar! De meeste mensen lijken het door te krijgen dat Baäl hen niet helpen kan. Sommige mensen gaan nadenken. Vroeger waren er geen Filistijnen in het land, toen waren ze vrij. Maar toen dienden ze ook de afgoden nog niet. Toen baden ze tot de Heere, hun God. En wanneer er dan vijanden kwamen, werden die vijanden verslagen. Dan hielp de Heere hen. Verloste de Heere hen nu ook maar! Maar dat is het nu precies: De Heere alleen is God! Daar klinkt Samuëls stem weer voor de zoveelste keer: “Jullie moeten je met je hele hart tot de Heere bekeren! Jullie moeten de afgoden wegdoen! Onze God kan helpen! Hij alleen! Jullie zijn de Heere vergeten en hebben Hem verlaten.” Als de Israëlieten daaraan denken, dan schamen zij zich. De Heere is altijd zo goed geweest en wat hebben zij gedaan? Zij hebben Hem alleen maar verdriet gedaan. Ze hebben andere goden gekozen en die zijn ze gaan dienen. Ze zijn de HEERE vergeten. Wat erg!
Wij zijn niet beter dan deze Israëlieten. Jij hebt vast geen beeld in de tuin waar je voor knielt, maar vergeet jij God niet vaak? Hoeveel tijd besteed je aan bidden en Bijbellezen? Sla je het over omdat je andere dingen belangrijker vindt?
Samuël heeft gelijk, zeggen ze. We moeten de Heere weer gaan aanbidden! We dienen Hem niet meer! Het is onze eigen schuld dat God ons straft. En dan, na twintig jaar, begrijpen ze waarom de Filistijnen de baas zijn in hun land. Het dringt eindelijk tot hen door! Samuël, die vroeger bij Eli in Silo woonde, heeft hen heel vaak gezegd dat ze de afgoden weg moeten doen. Alle altaren en afgodsbeelden moeten afgebroken worden. We moeten de Heere, onze God alleen dienen. En, heeft Samuël gezegd, dan zal de Heere jullie van de Filistijnen verlossen!
En kijk! Er zijn Israëlieten die weer tot de Heere gaan bidden. Ze gaan de Heere weer zoeken, zoals vroeger. Ze zeggen het tegen elkaar: “We moeten de Heere weer gaan dienen. We moeten niet meer tot de afgoden bidden en we moeten geen offers meer brengen aan Baäl en Astaroth. Want Baäl en Astaroth zijn geen goden, het zijn afgoden. Ze trekken ons bij de Heere vandaan. We moeten de beelden en de altaren die we voor hen gemaakt hebben, afbreken en we moeten de Heere alleen gaan dienen. Hij is onze God! We moeten alleen de Heere, onze God, offers brengen. Laten we tot Hem bidden en vragen om vergeving. Laten we onze zonden belijden en vragen of Hij nog naar ons wil luisteren. Of Hij ons wil verlossen van de Filistijnen. Het is onze schuld dat God ons heeft verlaten, want wij hebben Hem verlaten! We hebben gezondigd!”
De Heere wil niet dat de Israëlieten een andere god dienen. Hij wil alleen gediend worden. Hij wil de belangrijkste plaats hebben. Heeft Hij ook in jouw leven de allerbelangrijkste plaats?
Nu luisteren ze wel naar de woorden van Samuël. Kijk, daar lopen een paar mannen. Ze hebben bijlen bij zich. Ze gaan naar de plaats waar het beeld en het altaar van Baäl staan. Ze gaan het afbreken. Het moet helemaal kapotgemaakt worden, want het mag niet meer gebruikt worden. Daarna lopen ze naar het beeld van Astaroth. Ook dat slaan ze in stukken. Steeds meer mensen volgen dit voorbeeld. Door het hele land worden de beelden en altaren van de afgoden afgebroken. Er mag niet één beeld over blijven! Alles moet weg. Alleen de HEERE mag aangebeden worden. Want Hij alleen is God!
Samuël hoort en ziet wat het volk van Israël doet. Dankbaarheid vult zijn hart. Hij stuurt boodschappers door het hele land. Die moeten tegen de Israëlieten zeggen: ‘Jullie moeten allemaal naar Mizpa komen, dan zal ik daar voor jullie tot de Heere bidden.’ En? Luisteren de Israëlieten nu wel naar de oproep van Samuël? Ja, kijk, op de wegen is het druk. Uit het hele land gaan de Israëlieten op reis naar Mizpa, een plaatsje midden in het land Israël. En ook al is het voor veel Israëlieten een lange, moeilijke reis, toch gaan ze. Ze komen samen om met de andere Israëlieten tot de Heere te bidden.
Kijk, de straten in Mizpa zijn vol met mensen. Wat fijn dat er zo ontzettend veel mensen gekomen zijn! Daar staat ook Samuël. Hij heeft hen geroepen en ze zijn gekomen. Wat een wonder. Nu mag hij voor hen bidden tot de HEERE. En de Israëlieten bidden mee.
“Heere, wij hebben tegen U gezondigd, want wij hebben U vergeten. Wij hebben niet meer aan U gedacht, maar we zijn andere goden gaan dienen, de Baäl en de Astaroth. Daarmee hebben wij U verdriet gedaan. U had gezegd dat we geen andere goden mochten dienen. En we hebben het toch gedaan. HEERE, vergeef het ons! U had gezegd dat we geen beelden mochten maken en aanbidden en we hebben het toch gedaan! We hebben U verlaten. Daarom zijn de Filistijnen gekomen en moeten we hen gehoorzaam zijn. Heere, dat is onze schuld. Want U had gezegd, dat als wij de afgoden zouden gaan dienen, U ons zou verlaten. Dat U vijanden zou sturen, die ons zouden onderdrukken. Heere, wilt U onze zonden vergeven. Wij hebben het niet verdiend dat U nog naar ons wilt luisteren, maar Heere, doet U het uit genade. Leer ons in Uwe wegen wandelen, zodat we doen zullen wat U wilt. En wilt U ons ook verlossen van de vijanden?”
Misschien heb jij ook zo wel eens tot de Heere gebeden. Dat je alles aan Hem vertelt wat je verkeerd hebt gedaan. Dat wil de Heere. Hij wil niet dat je je zonden verbergt en wegstopt. Maar dat je je zonden belijdt. Dat is dat je alles aan Hem vertelt en Hem om vergeving vraagt. Durf je dat? Om zo eerlijk te zijn voor de Heere?
Samuël en het volk nemen water en gieten dat op de grond. “HEERE”, zeggen ze, “zoals wij dit water uitstorten, zo storten we onze harten uit voor U. We hebben berouw van onze zonden. Vergeef ons HEERE! Verlos ons!” De Israëlieten smeken om vergeving! Iedereen bidt mee. Het belangrijkste voor hen is, dat de Heere hun zonden wegneemt en vergeeft. Ze vasten. Ze eten niets, want ze willen zich helemaal overgeven aan God. Zo vernederen ze zich voor Hem. Ze beseffen heel goed dat ze het niet verdiend hebben dat de Heere hen hoort. Maar de Israëlieten weten ook dat de Heere het kan geven, alleen uit genade.
Maar dan opeens horen ze mensen roepen: “De Filistijnen komen! De Filistijnen komen!” Wat schrikken de Israëlieten! Ze worden bang! Vroeger dachten ze, dat ze wel voor zichzelf konden zorgen. Maar nu weten ze, dat ze het zelf niet kunnen. Ze hebben de Heere hun zonden beleden, ze hebben om vergeving gevraagd en ze hebben ook gevraagd of de Heere wil helpen als ze tegen de Filistijnen moeten gaan vechten. Maar moeten ze nu al vechten? De Filistijnen hebben inderdaad gehoord dat de Israëlieten in Mizpa bij elkaar zijn gekomen en denken dat ze tegen hen willen gaan vechten. Ze hebben al hun soldaten bij elkaar geroepen en zijn op weg naar Mizpa. Dat hadden de Israëlieten niet verwacht! “Samuël!”, roepen ze, “bid voor ons! Zwijg alstublieft niet, maar roep tot de HEERE, onze God of Hij ons verlossen wil van de Filistijnen!” Hoor je dat? Ze roepen: “HEERE, onze God!” Ja, ze weten heel goed dat Hij alleen God is. En ze geloven dat Hij ook hun God is. Wat een wonder! Samuël hoort het volk roepen. Hij heeft gezien hoe het volk tot God heeft gebeden. En hoe het zich heeft bekeerd. Voordat Samuël gaat bidden, bouwt hij eerst een altaar. Hij neemt een klein lam en slacht dat. Waarom doet hij dat? Samuël weet dat de Heere zijn gebed niet kan verhoren omdat hij het verdiend heeft of omdat het volk van Israël dat verdiend heeft. Nee, de Heere kan alleen naar hen luisteren als hun zonden weg zijn. En voor de zonden moet betaald worden. Eigenlijk zouden alle Israëlieten moeten sterven, omdat ze tegen de Heere hebben gezondigd. Maar nu sterft er een lam in de plaats van het volk. Alleen als dat lam sterft, kan de Heere het gebed van Samuël verhoren. Dat lammetje kan de zonden niet wegnemen, maar zo zien de Israëlieten dat de Heere de zonden alleen kan vergeven als er voor de zonden betaald wordt. De Israëlieten hebben straf verdiend en nu sterft er een lam. Dat lam wijst heen naar de Heere Jezus, Het Lam. Hij wilde naar deze wereld komen. En Hij is ook gekomen! Hij wilde lijden en sterven en zo de straf die wij verdiend hebben, wegnemen. Alleen door Hem, de Heere Jezus kan het weer goed komen met God. En ook alleen daarom kan Hij het gebed van Samuël, wat hij voor het volk bidt, verhoren.
Als de rook van het offer omhoogstijgt, buigt Samuël zijn knieën. Hij bidt tot de Heere om hulp. En de Heere verhoort zijn gebed. De Filistijnen zijn nu heel dichtbij gekomen. Nog even en dan...
Opeens begint het heel hard te onweren. Boven de Filistijnen barst een grote onweersbui los. De Filistijnen schrikken en slaan op de vlucht. Ze rennen weg! Ze zijn vreselijk bang! De Israëlieten hoeven niets meer te doen dan alleen achter hen aan te rennen en hen te verslaan. God helpt hen! Hij verhoort hun gebed! Wat een wonder is dat! Dat hebben ze niet verdiend! De Israëlieten zien dat de Heere voor hen wil zorgen. Maar dan moeten zij ook alleen Hem dienen. Hij is het waard om alleen gediend te worden! Hij is ook de Enige God! Ze moeten alle afgoden wegdoen en alleen op Hem vertrouwen! De Heere moet de allerbelangrijkste plaats in hun leven krijgen. Als de Heere dan met hen is, kan niet één vijand hen kwaad doen.
Als de strijd voorbij is, komen de Israëlieten weer bij elkaar. Nu om te danken! De HEERE, hun God moet gedankt worden. Hij heeft hen verlost van de Filistijnen. Samuël neemt een steen en zet die overeind. Want wat er vandaag is gebeurd, mag nooit vergeten worden. Hij geeft die steen een naam: Eben-Haëzer. Dat betekent: steen van de hulp. En, zegt Samuël, tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen. Hij, hun God heeft het gebed verhoord. Hij heeft Israël verlost en dat alleen uit genade. Omdat Hij de zonden wil en kan vergeven, om Jezus’ wil! Zie je wel dat de Heere echt de zonde wil vergeven? Het volk had heel lang gezondigd en toch wilde de Heere hen vergeven. Dien dan de HEERE alleen! Hij is het waard! Belijd je zonden en vraag om vergeving. Hij is nog Dezelfde God! Hij wil ook jouw God zijn!
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte voor leidinggevenden
Samuël: In 1 Samuël 7 komt weer de naam Samuël naar voren. Ten tijde van de wegvoering van de ark uit Silo en gedurende een tijd van 20 jaren van duisternis en ellende in Israël horen we niets van hem. In de tijd is Samuël het land doorgereisd. Van Rama - de plaats, waar hij woonde, naar Bethel en Gilgal en Mizpa. Daar heeft Samuël het volk gericht. Hij heeft het gewaarschuwd en opgeroepen tot bekering. Alleen, het volk deed daar niets mee.
In Samuël 7 lezen we dat het ganse huis Israëls de HEERE achterna klaagt. Samuël moedigt de Israëlieten aan zich opnieuw aan de dienst van God te wijden. Ook beveelt hij hun de valse goden weg te doen en spoort hen nadrukkelijk aan tot ernstige en oprechte bekering. Hij wordt zelfs hun voorspraak, zodat zij weer bij God in genade zullen worden aangenomen.
Met de komst van Samuël treedt het profetisch ambt op de voorgrond, wat in de komende zeven eeuwen een grote rol in de geschiedenis gaat spelen. In de dagen van Samuël lezen we voor het eerst van Profetenscholen, waarin knechten van God werden voorbereid om Gods gezant te zijn en het volk raad te geven, hen te vermanen en te bestraffen.
De toestand in Israël als Samuël het volk gaat richten in Mizpa: Op dat moment is er geen tabernakel en geen eredienst meer. Silo waar de tabernakel met de ark stond is waarschijnlijk verbrand. De ark staat in een kamer in het huis van Abinadab (1 Samuël 7: 1 en 2). Een hogepriester en priesters zijn er niet meer. Want Eli en zijn zonen zijn gestorven. Er is ook geen eredienst meer. In het land zijn de Filstijnen de baas. Zij hebben alle smeden weggehaald uit Israël, zodat het volk geen wapens meer kan maken en zelfs de hoeven van hun paarden niet meer kan laren beslaan. Het volk van Israël dient de afgoden, de Baäls en de Astharoths. Astharoth is het meervoud van Astharthe. Dit was de vrouw van Baäl. Zij werden gediend onder bomen; vandaar de bossen in dit verband steeds genoemd worden. Samuël roept het volk op die afgoden weg te doen.
Mizpa: We lezen dat het volk samen wordt geroepen te Mizpa. Deze plaats was hoog gelegen. Het woord betekent: uitkijktoren. Vanaf die plaats kon je het land dat er omheen lag goed zien. Op die plaats werden de bid- en dankdagen gehouden. Daar kon je de vijand al van ver aan zien komen.
Bekering: De bekering wordt in de Heidelbergse Catechismus omschreven als ‘een afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Het afsterven van de oude mens is een leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en vlieden. En de opstanding van de nieuwe mens is een hartelijke vreugde in God door Jezus Christus, en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.
De oproep tot bekering komt in de Bijbel vaak voor, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Deze gaat altijd gepaard met het verlaten van de zonden en je richten op God, Die de zonden kan en wil vergeven.
Middelaar: Samuël offert en bidt voor het volk. Hij is door God uitverkoren om het middel te zijn van gemeenschap tussen Hem en het volk. Hierin is hij een duidelijk voorbeeld van onze Middelaar Jezus Christus, door Wiens offer en voorbede ons verhoring gegund wordt.
Droefheid: Zonder droefheid is er geen verootmoediging. De Heere spreekt alleen diegenen vrij van zonden die onder hun zonden zuchten, zichzelf veroordelen en zonder verzoening/vergeving niet kunnen leven.
Verzoening: Zonder verzoening geen voldoening. De volle, volmaakte betekenis van verzoening wordt omschreven in de brief aan de Hebreeën (Hebr.4-10). Het gaat hierin om het verzoeningswerk van Christus. Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (Johannes 4:10).
Vasten: Vasten is een uiting van verootmoediging. Vasten en bidden gaan gewoonlijk samen. Het Hebreeuwse werkwoord voor vasten krijgt zelfs de betekenis van ‘zich verootmoedigen’. De profeten waarschuwen het volk dat het vasten alleen geen betekenis heeft voor God, als het niet samen gaat met waarachtige verootmoediging en vernieuwing van het hart en leven. Het vasten is ook een teken van grote droefheid en daarmee een rouwgebruik
Vasten is ook bedoeld om ‘beter’ te kunnen bidden. Dan hoef je nergens anders aan te denken dan aan het bidden en kun je je daar helemaal op richten. Vasten hoeft niet alleen ‘niets eten’ te betekenen, maar ook je van andere dingen onthouden. Daarmee doelend op dingen die je af kunnen houden om tot God te bidden en je van Hem af kunnen trekken. Ook in onze tijd is vasten alleen niet voldoende om God te dienen.
Water uitgieten: Dit is hier een godsdienstige daad. Ze gieten water uit voor het aangezicht des HEEREN. Alle Israëlieten hebben hun waterkruik gevuld bij de fontein Mizpa en die gieten ze uit voor het aangezicht des HEEREN. Eerst hadden ze gebeden. Daarmee willen ze zeggen: Heere, zo is ons hart nu voor U. Als water zo vloeibaar. (of als was zo kneedbaar). Zoals wij het water uitgieten uit ons kruikje, zo willen wij onze ziel voor Uw aangezicht uitgieten vgl. Hanna in 1 Sam. 1: 15).
Eben-Haëzer: Samuël nu nam een steen en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer. Waarom op dit plekje? Hier, op dit plekje is twintig jaar geleden iets gebeurd. Hier heeft het volk onder leiding van Hofni en Pinehas de ark in het leger gehaald. Hier hebben ze zó ontzaglijk gejuicht dat de aarde scheurde. Hier hebben ze die vreselijke dwaasheid begaan om te denken dat ze God met zich mee konden nemen. Hier hebben ze de ark verspeeld. Dit plekje is de plaats van hun grootste schande, Daarom op deze plaats, opdat ze dit nooit zouden vergeten.
Hij zet die steen niet te Mizpa waar ze hun kruiken leeg hebben gegoten, maar daar waar ze hun grootse schande hebben beleefd. Samuël zette deze steen bij de plaats van de schande. Die mag het volk nooit vergeten/ Ze mogen de overwinning niet vergeten, maar ze mogen ook hun schande niet vergeten.
‘Eben’ betekent steen en ‘Haëzer’ betekent hulp. Eben-Haëzer betekent dus letterlijk: steen der hulp. En Samuël zegt erbij: tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen. Daarmee eindigt hij niet in het volk, niet in zijn eigen gebed, maar in de Heere, Die helpt. (Uit: ‘De richter uit Rama’, Ds. A. Moerkerken).
Belijdenisgeschriften
• Heidelbergse Catechismus zondag 33: vraag 88, 89 en 90 over de bekering, het afsterven de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens.
• Vraag 91 over de dankbaarheid.
• Heidelbergse Catechismus vraag 95: Wat is afgoderij?
• Nederlandse geloofsbelijdenis artikel 26 (van de enige voorbidding van Christus)
Antwoorden bij werkboekje groep 5 en 6
WEET JE HET NOG?
Lees de zin en onderstreep het goede antwoord.
1. Het volk van Israël diende de Baäl en de Moloch (m) /en de Astaroth (e)
2. Na twintig (b) / veertig (r) jaar riepen ze weer tot de Heere.
3. De profeet Samuël riep ze bij elkaar in Rama (o) / Mizpa (e).
4. Daar ging het volk bidden (k) / bidden en water uitgieten voor de Heere (n)
5. Ook gingen ze vasten en hun zonden belijden (h) / zingen en bidden (p) 6. Plotseling kwamen de Amalekieten (e) / Filistijnen (a).
7. Het volk riep tot de Heere (m) / vroeg aan Samuël of hij voor hen wilde bidden (e).
8. Samuël slachtte eerst een bokje (n) / een lammetje (z) en ging toen bidden.
9. De Heere verhoorde zijn gebed en de Filistijnen werden verjaagd door onweer (e)/ hagel (f)
10. Samuël dankte God en bouwde weer een altaar (e) / zette een steen overeind (r).
Welke letters staan er achter jouw antwoorden? Zet die in de vakjes hieronder onder het goede cijfer.
Antwoord: Eben-haëzer
1. GOD DIENEN
Zoek in de bijbel het bijbelboek ‘Psalmen’ op. Vul in de onderstaande teksten uit de psalmen telkens het ontbrekende woord in. Zet als je klaar bent al die ontbrekende woorden op een rij. Wat staat er dan?
1. Psalm 29:2 Geef …….. Heere de eer Zijns Naams. (antwoord: den)
2. Psalm 28:6 Geloofd zij de ………, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord. (antwoord: Heere)
3. Psalm 27:14 Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal …. hart versterken. (antwoord: uw)
4. Psalm 115:3 Onze …… is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. (antwoord: God)
5. Psalm 119: 82 Wanneer …… Gij mij vertroosten? (antwoord: zult)
6. Psalm 9:11 Omdat ………….. , HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken. (Gij)
7. Psalm 95:6 Komt, laat ons ……………en nederbukken, laat ons knielen voor de HEERE (antwoord: aanbidden)
8. Psalm 103:8 Barmhartig ………..genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. (antwoord: en)
9. Psalm 130:7 Israël hope op den HEERE, want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij ……..is veel verlossing. (antwoord: Hem)
10. Psalm 51:6 Tegen U, U ……………… heb ik gezondigd (antwoord: alleen)
11. Psalm 102:23 Wanneer de volken tezamen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te ………….. (antwoord: dienen)
Antwoord: Den Heere uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.
a. Bespreek waarom deze tekst bij dit bijbelverhaal van Samuël past.
(Antwoord: Het volk van Israël diende afgoden en was de Heere vergeten. Samuël riep de Israëlieten telkens op om alleen tot de Heere te bidden en Hem alleen te dienen).
b. Omcirkel de plaatjes die horen bij het dienen van de HEERE.
Hoe kunnen we de Heere dienen?
(antwoord: de kinderen kunnen zeggen dat je eigenlijk overal de Heere kunt dienen. Dat is natuurlijk waar, maar als ze de keuze tussen de plaatjes moeten gaan maken, kun je erop wijzen dat er plaatsen zijn, waar dat “logischer” is. De plaatjes die horen bij het dienen van de Heere zijn: de bijbel, de kerk, de dominee, de psalm, gevouwen handen, en kinderen die zingen. Benoem daarbij ook dat het niet verkeerd is om een potje te voetballen of een klusje te doen voor mama, maar dat het niet het allerbelangrijkste van de dag of van je leven mag zijn.)
c. Wat kunnen voor ons afgoden zijn? (Welke dingen kunnen ons afhouden om juist de Heere te dienen?)
(Antwoord: onze hobby, onze sport, onze kleding, onze computer/telefoon, onze bezittingen/geld)
d. Wanneer noemen we iets een afgod?
(Antwoord: Ze trekken, brengen/ voeren ons van God af. Ze nemen te veel van onze tijd in beslag. We vinden het belangrijker dan het dienen van God. God staat daardoor niet op de belangrijkste, eerste plaats in ons leven. Ze komen dus op plaats van de Heere.)
e. Hoe kun je ervoor zorgen dat aardse dingen je niet te veel in beslag nemen? Hoe kun je ervoor zorgen dat je meer tijd voor de Heere hebt/maakt? Wat doe je dan? (Antwoord: Lees en bid op vaste tijden en houd jezelf hieraan. Belijd je zonden en vraag om vergeving. Vertel tegen God welke dingen jou afhouden van God te zoeken. Welke dingen jou in beslag nemen, waar je veel tijd aan besteedt. Maak daar regels over. Bespreek het met andere jongeren of met je ouders of een vriend. Misschien kun je er samen beter op letten dan alleen)
VERGEVING
In veel psalmversjes gaat het over vergeving krijgen van onze zonden. Vul het juiste woord in de psalmregel in. Je weet het misschien wel uit je hoofd. Anders kun je het opzoeken. De psalm staat er achter.
a. Vergeef mij al mijn zonden. (Psalm 6:2)
b. Maar neen, daar is vergeving. (Psalm 130:2)
c. Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden. (Psalm 51:1)
d. Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven. (Psalm 32:1)
e. Hoeveel het zij, genadig wil vergeven. (Psalm 103:2)
Het zijn allemaal gebeden om vergeving.
f. Waarom moeten wij om vergeving vragen? (Antwoord: omdat wij zonden doen en zondig zijn. Wij hebben vergeving nodig. Onze schuld moet ‘betaald’ worden, anders zullen we zelf voor die zonden moeten betalen/ straf krijgen en kunnen we geen gemeenschap met God hebben. De Heere kan niet bij ons wonen en wij niet bij de Heere. We kunnen alleen bij God horen als onze zonden vergeven zijn).
g. Zeg het “Onze Vader” samen op. Welk gedeelte gaat over vergeven? (Antwoord: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren)
h. Wat betekent dat voor ons? Waarom moeten we dat bidden? (Antwoord: omdat we schuldig zijn, want anders zouden we niet om vergeving hoeven te vragen. Het betekent ook dat wij elke dag om vergeving moeten vragen en ook anderen moeten vergeven)
Antwoorden bij werkboekje groep 7 en 8
1. BEROUW
In elk vierkant staat één van de volgende woorden.
Belijden – Berouw – Vasten – Schuldig – Dienen - Bidden
Als je het woord gevonden hebt, blijven er soms wat letters over. Schrijf deze letters in de balk. Wat lees je?
Antwoord: Droefheid
a. Wat betekent droefheid? (Antwoord; verdriet hebben/verdrietig)
b. Waarover kun je verdrietig zijn? (Eigen antwoorden. Kinderen kunnen hier ook allerlei dagelijkse dingen noemen, maar misschien ook al het woord ‘zonde’ of dat je de Heere kwijt bent.)
c. Waarover was het volk van Israël verdrietig? (Dat ze God hadden verlaten. Ze dienden de afgoden en God was met Zijn straf gekomen. Ze voelden schuld. Ze hadden berouw van hun zonden)
d. 1. Je kunt spijt / berouw hebben van iets, omdat je bang bent voor de straf. 2. Je kunt spijt / berouw hebben van iets, omdat je iemand pijn/verdriet hebt gedaan. Is het berouw bij punt 1 echte berouw? (nee, je bent alleen bang voor de gevolgen, maar je hebt niet echt berouw over de verkeerde dingen die je gedaan hebt.) Wat is het berouw van de Israëlieten? 1 of 2? (2, want ze laten merken in hun bidden dat ze echt berouw hebben dat ze hun God vergeten/verlaten hebben en Hem niet alleen hebben gediend. Ze beseffen heel goed dat ze de HEERE hiermee verdriet hebben gedaan en dat Hij telkens toch weer voor hen zorgt, terwijl ze dat niet hebben verdiend.)
Stelling: Als je berouw hebt over je zonden, ga je bidden.
Ben je het daar mee eens? Waarom wel/ niet? Waar ga je dan om bidden? (In het antwoord van de kinderen moet in ieder geval naar voren komen dat echt berouw over de zonden je aan God verbindt. Hij is de Enige die de zonden kan vergeven. Je krijgt Hem dan echt nodig! Je hebt Hem verdriet gedaan met je zonden en je verlangt naar vergeving)
2. BIDDEN EN DANKEN
a. Wat doen de mensen op deze afbeeldingen (Antwoord: bidden en/of danken)
b. Welke stelling kies jij? Waarom?
1) Bij Mizpa was het alleen Biddag
2) Bij Mizpa was het Biddag en Dankdag tegelijk
(Antwoord: kinderen kunnen allebei de stellingen kiezen. Zie hieronder een mogelijke motivatie Biddag: Het volk beleed schuld en vroeg aan Samuël of hij voor hen wilde bidden. Ze riepen God aan. Ze beleden hun schuld. Ze voelden dat ze God nodig hadden. Zonder Hem ging het niet goed. Dankdag: God verhoort! Hij ziet hun berouw en verlost hen van de Filistijnen. Samuël richt een gedenksteen op. Als dank voor Gods hulp en ook opdat het volk niet zou vergeten wat God heeft gedaan. Hij moet gedankt en geëerd worden).
c. Waar moet/mag jij God voor bidden? (Antwoord: Je mag God om alles vragen en ook bidden voor anderen ,maar het belangrijkste is om te vragen of God je zonden wilt vergeven)
d. Waar moet/ mag jij God voor danken? (Antwoord: Je mag God danken voor alles wat Hij je geeft! Laat de kinderen maar voorbeelden opnoemen. Laat merken dat we alles van Hem krijgen en dat is heel veel en dat we het krijgen terwijl we dit niet verdiend hebben. Wij vergeten God zo vaak en nemen geen of te weinig tijd om Hem te eren/dienen/danken)
EVEN PUZZELEN
Zet de letters die je overhoudt achter elkaar. Wat lees je dan? (Antwoord: Eben-Haëzer)
a. Wat betekent die naam? (Antwoord: Letterlijk betekent het: steen der hulpe. Ook vaak gezegd: tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen)
b. Waarom zette hij die steen overeind? (Antwoord: Hij wilde dat het volk zich steeds zou herinneren dat ze gezondigd hadden én hoe God voor hen gezorgd had).
c. Waarom noemen sommige mensen hun huis, school of kerk ‘Eben-Haëzer’?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2025
Kompas Handleiding | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2025
Kompas Handleiding | 28 Pagina's