Handleiding 9: De lofzang van Paulus en Silas
Jaarthema: ‘Zing een lied voor de Heere’
Toelichting
Dit jaar is het thema voor Kompas: “Zing een lied voor de Heere.” - Zangers in de Bijbel. In deze schets gaat het over Paulus en Silas in de gevangenis. Te midden van alle vragen en verdriet, mogen ze toch de Naam van de Heere groot maken. Voor hen is de inhoud van HC Zondag 10 waar geworden: ‘Dat ons niets bij geval, maar alles van Zijn Vaderlijke hand ons toekomt’. Dan mogen we in tegenspoed geduldig zijn. En dan kunnen we zingen: In de grootste smarten blijven onze harten in de HEERE gerust. (Psalm 33 vs. 10).
Intro
Gevangenissen van tegenwoordig zijn niet meer te vergelijken met gevangenissen van vroeger. Wat gebeurde er met Paulus? Wat was die stok nu eigenlijk waar hij in zat? Om de kinderen in de sfeer van het verhaal te krijgen/brengen, kun je hier mee beginnen.
Mogelijkheid 1: Neem een plaatje mee van de ‘stok’ waar Paulus met zijn voeten in gezeten heeft. Vragen die je daarbij kunt stellen:
• Wat is dit?
• Waar denk je dat het voor is?
• Gebruiken we dit nu in Nederland nog?
• Wordt dit in het buitenland nog gebruikt?
• Waarom wel in het buitenland en niet meer in Nederland?
Aanvulling: Neem (speelgoed)handboeien mee of een plaatje ervan. Je kunt ze omdoen.
• Hoe zou jij je voelen als je deze dragen moest?
• Zou je dan blij kunnen zijn?
Doel van de vertelling
De kinderen horen hier dat Paulus voor de Naam van de Heere lijden moet. Paulus vindt dit niet erg. Hij vindt dit juist een eer. De Heere heeft hem waardig geacht om voor de Naam van de Heere te lijden. Omdat hij dat als een voorrecht ziet, mag hij met een bebloede rug en met zijn voeten in de stok in de gevangenis psalmen zingen tot Gods eer. Dat zingen volgt op het gebed van Paulus en Silas. De kinderen horen, dat de Heere op het gebed rust en vrede en zelfs blijdschap geeft, zelfs in moeilijke omstandigheden.
Zingen en lezen
Zingen
• Psalm 33: 10
• Psalm 42: 5
• Psalm 66: 8, 10
• Psalm 116: 1, 2, 3
• Psalm 118: 1, 4, 7
• Psalm 136: 1,2,3, 4, 26
• Psalm 147: 3, 6
Liederen
• Lied: ‘k Stel mijn vertrouwen (Mdk-1, nr. 95)
• Lied: Als g’ in nood gezeten (TZe, nr. 8) • Lied: Neem mijn leven, laat het, Heer’ (TZe, nr. 69)
• Lied: ‘k Wil U, o God, mijn dank betalen (TZe, nr. 110)
• Lied: Heer wat wilt gij dat ik doe – vers 2, 3 en 4 (Mdk-1, nr. 75)
Lezen
Handelingen 16: 16-34
Kerntekst: Handelingen 16: 25a
En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen.
Vertelling
Hoor eens…! Hoor je dat roepen, daar midden op straat? ‘Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen!’ Wie roept dat? Het is een meisje. Terwijl ze dat roept, wijst ze naar een paar mannen die vóór haar lopen. Kent ze die mannen dan? Nee, maar ze móet het roepen. Dit meisje is bezeten. Er is een boze geest in haar en hij beveelt haar om dit te roepen. Maar over wie roept ze dat dan? Het zijn Paulus en zijn reisgenoten. Ze zijn uit het huis van Lydia de purperverkoopster weggegaan om ook aan anderen het Evangelie van Christus te verkondigen. De weg tot zaligheid. De weg van genade. Dus wat het meisje roept, klopt wel. Paulus en zijn reisgenoten zíjn dienstknechten van God, de allerhoogste Koning, en zij bréngen het Evangelie.
Maar waarom laat de duivel dit meisje dit dan roepen? Wil de duivel dan dat de mensen naar Paulus toekomen om het Evangelie te horen? Nee, de duivel doet dit alleen maar om de mensen te misleiden. De Heere wil niet door de duivel geholpen worden. Hulp van de duivel is geen hulp. Want de duivel is een leugenaar. En als iemand altijd liegt, dan geloof je hem ook niet als hij wél een keer de waarheid spreekt.
Dit meisje roept dit niet één keer, of twee keer. Nee, ze roept dit iedere keer als ze achter Paulus en zijn vrienden aanloopt, dagen achter elkaar. Steeds opnieuw klinkt de roep achter de apostelen: ‘Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen! De apostelen zullen vast wel eens omgekeken hebben. Ze zien het meisje. Ze horen haar roepen. Ze hebben medelijden met haar en ze ergeren zich aan de macht van de duivel. Op een dag, kan Paulus niet langer zwijgen. Dan móet hij iets doen. Hij draait zich om en gebiedend klinkt zijn stem: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. Paulus geeft een opdracht, maar niet in zijn eigen naam. Nee, Paulus spreekt in de Naam van de Heere Jezus, van de Vorst des Levens. Als Paulus zo spreekt, gebeurt er wat. De duivel moet gehoorzamen: hij moet het meisje verlaten. Hij gaat op datzelfde moment weg uit dat meisje. Als Christus het Licht der wereld komt, dan moet de vorst der duisternis wijken en is er voor hem geen plaats meer.
Wat is het meisje blij. De duivel, de boze geest, is uit haar verdwenen. Maar dit meisje is geen eigen baas. Ze is een slavin. Ze moet doen wat haar bazen tegen haar zeggen. Iedere dag kwamen er mensen bij haar bazen op bezoek. Dan moest zij voor hen de toekomst voorspellen. Dat deed ze door de macht van de duivel. Dat meisje voorspelde de toekomst en ze kreeg hier geld voor. Dat geld was niet voor dat meisje, maar voor die bazen. Maar nu is van het ene op het andere moment alles anders geworden. Nu die boze geest uit haar weg is, kan ze de toekomst niet meer voorspellen. Al die mensen die bij haar komen, moet ze wegsturen. Haar bazen zijn boos. Al het geld dat ze verdienden aan deze slavin, krijgen ze nu niet meer en dat is de schuld van die mannen. Die moeten gestraft worden.
Kijk, daar gaan ze. Ze pakken Paulus en Silas beet en ze nemen ze mee naar de plaats waar recht gesproken wordt. Ze brengen ze bij de oversten van de stad en zeggen: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn. Hoor je dat? Ze spreken de waarheid niet, maar ze liegen! Paulus en Silas hebben helemaal geen oproer gemaakt. Ze zijn helemaal niet boos geweest. Ze hebben het meisje verlost van de boze geest. Nu wordt er gezegd dat ze een opstand willen in de stad. Maar dat is helemaal niet zo. En daar blijft het niet bij, nee, de mannen gaan verder: En zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn te doen, alzo wij Romeinen zijn. Ze beschuldigen Paulus en Silas ervan dat ze vertellen over manieren om God te dienen, zoals de Romeinen dat niet mogen en niet gewend zijn. Wat gaan die oversten nu doen? Zij moeten nu recht gaan spreken. Dan zullen ze nu wel gaan vragen wat Paulus en Silas daar op te zeggen hebben. Wat hun verhaal is. Dat zou eerlijk zijn.
Maar, dat gebeurt niet. Nee, kijk maar. Paulus en Silas worden vast gepakt. Hun kleren worden van hen afgescheurd en dan worden ze geslagen met gesels. Hard komen de geselslagen neer op hun ruggen. Rode striemen blijven erachter. Wat oneerlijk! Wat gemeen! Zullen ze nu gaan schreeuwen, of vloeken, of smeken of ze willen stoppen? Nee, dat doen ze niet. En dan? Mogen ze dan weer weg? Nee! Ze worden ruw beet gepakt en meegenomen naar de gevangenis. In de gevangenis krijgen ze de vreselijkste plaats. Een stinkend hol. Hun voeten worden vastgemaakt in een stok, een houten balk. Zo kunnen ze niet opstaan en niet lopen. Ze mogen absoluut niet ontsnappen. Dan gaat de stokbewaarder, de baas van de gevangenis die de misdadigers in de stokken vast zet, de kerker uit. De deur sluit hij achter zich. De sleutel wordt in het slot gestoken. De deur wordt op slot gedraaid en hij vertrekt naar zijn huis.
Daar zitten ze, Paulus en Silas. Ze hebben niets verkeerd gedaan. En toch zitten ze hier nu in de gevangenis. Met een rug die bloedt van al de geselslagen. Wat zullen ze boos zijn, wat zullen ze verdrietig zijn. Ze zullen wel schelden. Ze zullen wel roepen. Dat zouden wij wel doen. Als iemand iets naars tegen je zegt, dan scheld je toch terug? Dan roep je toch dat het niet eerlijk is? Als iemand je slaat, dan sla je toch terug? Of als iemand je schopt? Dan doe je dat toch ook even? Ja, je weet best dat het eigenlijk niet mag. Dat de Heere aan ons vraagt om op een goede manier met de ander om te gaan. Zelfs als de ander dat niet met jou doet. Maar, om dan niet terug te schelden of te slaan of te schoppen? Dat kan toch bijna niet, dat is toch te moeilijk? En voor Paulus en Silas dan, zij zitten nu zelfs in de gevangenis met een bebloede rug. Dan zullen ze toch zeker wel iets terug doen? Nee, ze doen iets heel anders. Ze bidden. In dat donkere hol bidden Paulus en Silas. En dan gebeurt er iets. De vrede van de Heere daalt neer. Het hol is nog net zo donker, de pijn is nog net zo erg. En toch is alles anders geworden. Dat komt door het gebed. De Heere ziet hen hier. En hoor, wat klinkt daar? Paulus en Silas zingen. Zingen? Nu? Terwijl hun rug zo’n pijn doet en ze midden in de nacht vastzitten in de gevangenis? Dan kun je toch niet zingen? Ja, toch wel. Want Paulus en Silas mogen weten, dat de Heere het nooit verkeerd doet. Dat Hij zorgt. Hoe, dat weten ze niet. Maar het is voor hen genoeg dat de Heere het weet! Wat ben je gelukkig als je zo op de Heere mag vertrouwen.
Hoor, ze zingen lofzangen, tot eer van de Heere. Waarom dan? Om de Naam van de Heere zitten ze hier in de gevangenis. Omdat ze dienaars van Christus zijn, is hen dit aangedaan. En juist daarom mogen ze zingen. Zingen, omdat zij blij zijn om voor de Naam van de Heere mogen lijden. Dat de Heere hen deze eer geeft. Vol dankbaarheid zingen ze Zijn grote Naam toe.
Wat een wonder dat ze in de gevangenis kunnen zingen. Dat ze de Heere hier groot mogen maken. Is dat niet iets om jaloers op te worden? De Heere zo lief te hebben, dat je zelfs als het helemaal niet goed gaat, je Hem toch mag danken voor Wie Hij is en voor wat Hij wel geeft. Wat vergeten wij dat snel! We hebben de Heere wel nodig als we ziek zijn, of als er iets ergs gebeurt. Maar wat vergeten we de Heere snel als het goed gaat met ons. Wat vergeten we dan vaak om Hem te danken. Laat staan, als het helemaal niet goed met ons gaat. Kunnen we de Heere dan wel danken voor wat Hij toch nog geeft? Paulus en Silas mochten dat doen. Ze mogen hier een beeld van de Heere Jezus laten zien. Die als een Lam ter slachting werd geleid. Als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Dat kunnen ze niet van zichzelf. Dat is genade van God gegeven.
In de gevangenis zitten nog meer gevangenen. Ze zijn wakker geworden. Wat horen ze daar? Zingen, vanuit die onderaardse gevangenis? Dat hebben ze nog nooit gehoord! Mensen die in die cel zitten en die zingen!? Verbaasd luisteren ze. Maar dan, plotseling, begint de grond te bewegen. De aarde beeft. De muren bewegen. Een aardbeving! Kijk eens, zie je deur? Net zat hij nog dicht, stevig op slot. Toen konden ze er niet uit. Maar nu is door het bewegen van de grond de deur geopend. Nu kunnen ze zo door die deur naar buiten lopen. Alle deuren zijn geopend. De hele gevangenis die eerst helemaal afgesloten was, is nu ineens open. De Heere Zelf opent de deuren voor Zijn knechten. Op hun gebed en zingen doet Hij grote wonderen.
Naast de gevangenis staat het huis van de stokbewaarder. Hij is ’s avonds naar bed gegaan. Nu wordt hij wakker van de aardbeving. Zo snel als hij kan, gaat hij naar de gevangenis. Hij is verantwoordelijk. Hij moet zorgen dat er niemand kan ontsnappen. Maar als hij bij de gevangenis komt, schrikt hij. Alle deuren staan wijd open. Dit is vreselijk. Alle gevangenen zijn weg. Nu zal hij een vreselijke straf krijgen. Ja, hij zal gedood worden. Wat is hij bang! Dan gaat hij iets vreselijks doen. Hij pakt zijn zwaard en wil zichzelf doden. Nee, hij wil niet wachten op die vreselijke straf die hem wacht, omdat de gevangenen waar hij verantwoordelijk voor was, weg zijn. Dan zal hij zichzelf wel doden. Maar, dan klinkt er een stem: Doe uzelf geen kwaad; want wij zijn allen hier. U mag uzelf niet doden. Dat is niet nodig. Wij zíjn niet weg. Wij zíjn niet gevlucht. Wij hebben de gevangenis niet verlaten. Het is Paulus, die dat roept. Hij heeft gemerkt wat de stokbewaarder van plan is. In de donkere gevangenis geeft de stokbewaarder opdracht om licht te maken. Dan ziet hij het. Iedereen is nog binnen. Niemand is weg. Hij begrijpt ineens wat er gebeurd is. Hij gelooft dat deze mannen werkelijk knechten van de Allerhoogste God zijn. Die God geeft een aardbeving en bevrijdt zijn knechten. Maar die knechten van die God heeft híj in de binnenste kerker gestopt en hun voeten in de stok gedaan. Hij heeft het verdiend als die God hem nu straft. Zou hij nog van die straf verlost kunnen worden? Zou hij nog gered, zou hij nog zalig kunnen worden? Hij haalt Paulus en Silas uit die donkere en binnenste kerker. Nee, deze mannen horen niet in de gevangenis. Deze mannen dienen een almachtige God. Een God die hij ook wil leren kennen. Een God Die hem gelukkig kan maken. Hoe? Ja, dat weet hij niet, maar dat gaat hij vragen. Vol eerbied valt hij op zijn knieën voor hen neer en vraagt: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde? Hij wil weten hoe hij behouden kan worden. Hoe hij van zijn zonden verlost kan worden. Hij zegt eigenlijk tegen Paulus en Silas: ”U bent knechten van die allerhoogste God. Wilt u mij vertellen wat ik doen moet? Leg het mij alstublieft uit!” Ben jij ook op zoek naar vergeving van je zonden? Vraag jij ook aan de Heere hoe je bekeerd kan worden?
Paulus mag deze stokbewaarder antwoorden. Hoor maar: Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Paulus zegt eigenlijk: “Er is er maar Eén, Die u kan verlossen van de zonden, Die u echt gelukkig kan maken, Die u zalig kan maken. Er is er maar Eén, Die ervoor kan zorgen dat het weer goed komt tussen de Heere en u. En dat is de Heere Jezus. Bekeer u - doe de zonden, al die verkeerde dingen, niet meer - en geloof dat Hij u kan redden, verlossen, van al uw zonden. Hij is daarvoor naar de aarde gekomen. En een ieder die in Hem gelooft en tot Hem de toevlucht neemt, zal zalig worden, die zal behouden worden, en eeuwig mogen leven. Maar dat Evangelie is niet alleen voor u. Dat Evangelie is voor iedereen die dat wil horen. Dat is ook voor alle mensen in uw huis. De Heere komt in zijn hart en dat kan je direct zien. Hij neemt Paulus en Silas mee naar zijn huis. Hij gaat hij die bebloede ruggen van Paulus en Silas schoonwassen. Hij verzorgt niet alleen hun wonden, maar geeft hen ook te eten. Wat is dat een gelukkige maaltijd geweest. Daar zal de Heere geloofd en gedankt zijn. Daarna wordt hij door Paulus gedoopt. En niet alleen hij, maar ook ‘zijn huis’. In diezelfde nacht nog. Het Woord van de Heere is echt waar: Ieder die in de Heere Jezus gelooft, ontvangt vergeving van zonden. Wat een wonder! Dat wil de Heere uit genade geven. Nog steeds.
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte
Onderwijs dat Saulus heeft ontvangen
Van Saulus lezen we dat hij onderwijs heeft ontvangen aan de voeten van Gamaliël. Dat betekent dat hij van jongsaf aan was onderwezen in de Heilig Schrift. Gamaliël was een farizeeër die in de raad stond(Handelingen 5: 34). Het volk had achting voor hem.
Bekering van Saulus
Op de weg van Jeruzalem naar Damascus verschijnt de Heere aan Saulus. Hij openbaart Zich aan Saulus als Degene tegen Wie Saulus strijdt. Zomaar opeens, in een enkel ogenblik, wordt Saulus omgekeerd. Als een vervolger ging hij Jeruzalem uit. Als een blinde wordt hij Damascus binnen geleid. In Damascus krijgt Saulus de opdracht en belofte dat de Heere hem zal gebruiken. Hij wordt geroepen als apostel. Dan moet hij wachten. Wachten op Gods tijd.
De eerste zendingsreis
In Handelingen 11 lezen we dat Barnabas, die het grote geldbedrag had geschonken aan de gemeente van Jeruzalem (denk aan de geschiedenis van Ananias en Saffira), Saulus gaat opzoeken in Tarsen en hem in Antiochië brengt. In Handelingen 13 lezen we dat Barnabas en Saulus afgezonderd worden door de Heilige Geest en door de gemeente van Antiochië in Syrië, aan de kust van de Middellandse Zee worden uitgezonden Duidelijk staat Barnabas hier voorop. Hij heeft de leiding en Saulus volgt hem, zoals ook Johannes Markus. Ze vertrekken en varen naar het eiland Cyprus waar ze eerst Sálamis en later Pafos aandoen. Als Barnabas en Saulus gaan preken, brengen ze het Evangelie altijd eerst aan de Joden. Ze gaan altijd eerst naar de synagoge. Wanneer de Joden zich afkeren van het Evangelie, gaat Paulus naar de heidenen.
Vanaf Handelingen 13 vers 8 wordt Saulus ‘Paulus’ genoemd. Dit was de Romeinse naam van Saulus. Saulus, die een Jood was, had - omdat hij in Tarsen geboren was - ook het Romeinse burgerrecht (Handelingen 22: 22-29) Dat betekende dat hij niet geboeid, gegeseld of gekruisigd mocht worden als hij gevangen genomen werd. Hij mocht ook niet door een stadhouder ter dood veroordeeld worden. Net als alle vrije mannen had hij het recht om zich te beroepen op de keizer en in de stad Rome, voor de keizer, terecht te staan.
Paulus en die met hem waren (behalve Johannes Markus, die teruggereisd is naar Jeruzalem), zijn van Pafos naar Perge (Pamfilië) gevaren. (Handelingen 13:13) Vanaf dit moment lezen we dat Paulus de leiding heeft op de zendingsreizen. Van Cyprus zijn ze overgevaren naar Azië, waar ze de stad Antiochië in Pisidië en de plaatsen Ikónium, Lystre en Derbe hebben aangedaan. Deze hebben ze op de terugweg ook weer bezocht, waarna ze van Antiochië (Písidië) via Attálië teruggevaren zijn naar Antiochië (in Syrië). Daar vandaan waren ze uitgezonden. Tijdens de eerste zendingsreis hebben ze lopend en varend ongeveer 2000 km afgelegd. De reis heeft ca 2 jaar geduurd. Van 46-48.
De tweede zendingsreis. In Filippi
Ook deze reis begint in Antiochië (Syrië). Over land gaat de reis van Paulus door Klein-Azië naar Tróas. Onderweg bezoekt hij – samen met Silas - Derbe, Lystre, Ikónium en Antiochië (Pisidië). Als Paulus naar het noorden wil trekken richting Bithynië, laat de Heilige Geest dit niet toe. Aangekomen in Troas, krijgt Paulus een gezicht van een Macedonisch man die roept: Kom over in Macedonië, en help ons. (Handelingen 16:9) Daarop scheept Paulus met degenen die bij hem zijn in en maakt hij de oversteek naar het huidige Europa. Hij komt aan in de havenstad Neápolis en reist de andere dag door naar de stad Filippi, de belangrijkste stad in Macedonië. Daar komen Paulus en zijn reisgenoten (Silas, Timótheüs en Lukas) erachter dat er in die stad geen synagoge is. De Romeinen hebben zo’n hekel aan de Joden dat de synagoge misschien wel verboden is geweest. Er is in iedere geval geen ruimte voor in de stad. Ze weten dat de Heere hier werk heeft, maar waar moeten ze beginnen? Na onderzoek te hebben gedaan, komen ze erachter dat de Joden op de sabbat buiten de stad samenkomen aan de rivier, de plaats waar het gebed placht te geschiedden. En dan lezen we in Handelingen 16:13: En nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen die samengekomen waren. Daar ontmoeten ze Lydia, de purperverkoopster, van de stad Thyatíra (in het noorden van Azië waar Paulus en zijn metgezellen in eerste instantie naar toe wilden reizen). Als Paulus daar het Woord preekt, opent de Heere het hart van Lydia, zodat ze acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd (Handelingen 16 vers 14). Nadat ze gedoopt is, dwingt ze Paulus en Silas in haar huis. (Dat is: zeer dringend aanhouden, Genesis 19:3). Na dat Paulus en Silas Lydia verlaten hebben, vindt deze geschiedenis plaats.
De tweede zendingsreis heeft Paulus lopend en varend ongeveer 4500 km afgelegd. De reis duurde ca 4 jaar. Van 48-52
De stad Filippi
Filippi, in het huidige Griekenland, werd gesticht door Philippos II van Macedonië en later door de Romeinen veroverd. De stad had een strategische ligging en lag aan de weg van Rome naar Constantinopel. Na de verovering door de Ottomanen (Turken) in de 14e eeuw, is de stad verlaten. De ruïnes bevinden zich ongeveer 20 km ten noordwesten van het huidige Kavála in Griekenland.
De geest van Python
Python is een oude naam voor Delphi, een plaats in Griekenland, (zie het landkaartje) waar een tempel voor de afgod Apollo stond. Apollo was een van de belangrijkste godheden van de Grieken. Zijn eredienst was het meest verspreid onder de Grieken en had een hoog aanzien. Apollo wordt wel als de vertegenwoordiger van rationele schoonheid en orde gezien. Er wordt vaak gedacht dat hij ‘de god van het licht’ was. Apollo is de zoon van Zeus (de oppergod) en Leto (licht en leven brengende godin). Ze was de Griekse versie van Diana (Romeinse godin)
Lukas
Lukas is de schrijver van het boek Handelingen. Hij was een Griek en afkomstig uit de stad Antiochië in Syrië. De stad waarvan de apostelen als zendelingen uitgezonden zijn. Hij is arts en wordt Evangelist. Hij vergezelt Paulus vanaf Troas op zijn tweede zendingsreis. Uit de wij-vorm van Lukas’ beschrijving blijkt dat hij achterblijft in Filippi. Als Paulus ongeveer zes jaar later opnieuw in Filippi komt, gaat Lukas weer met hem mee op zendingsreis en vergezelt hij Paulus ongeveer tien jaar lang, tot aan het einde van diens leven. Lukas is de schrijver van de twee Bijbelboeken: het Evangelie van Lukas en de Handelingen der apostelen.
Geselen
Paulus en Silas worden aan de geselpalen op het marktplein vastgebonden, (aan handen en voeten en een gekromde rug) en vervolgens met de roede gegeseld. De roede of gard was een bundel twijgen (takken, takjes van de olm of de berk), die net als de geselriem als strafwerktuig werd gebruikt. Na deze geseling werden Paulus en Silas van de geselpaal losgemaakt en in de gevangenis geworpen.
Daar werden beide voeten van de apostelen in het blok gesloten. Dat was een instrument dat uit twee houten balken bestond, waarin op flinke afstand van elkaar gaten waren aangebracht. Door die openingen werden de benen, nogal gespreid, gestoken. Het gevolg was dat men in een zeer ongemakkelijke houding terecht kwam, die er na korte tijd al voor zorgde dat men zware, soms ondragelijke spierpijn kreeg. Bovendien was de rug van Paulus en Silas door de roeden open gekerfd, wat ook zeer pijnlijk moet zijn geweest. Alles bij elkaar moet het voor de apostelen een zeer vreselijke marteling zijn geweest. Hij heeft dit ongetwijfeld aan gedacht toen hij de eerste brief aan de Thessalonicenzen schreef (1 Thessalonicenzen. 2: 2). (Bron: Bijbelse plaatsen.nl).
De gevangenis
De gevangenbewaarder werpt Paulus en Silas in de binnenste kerker en sluit hun voeten in de stok. De binnenste kerkers waren vochtige, koude plaatsen, waar het erg stonk en waar volkomen duisternis heerste. Het woord ‘sprong’ (‘sprong hij in, vers29) schijnt te wijzen op het neerspringen in een onderaardse cel. Zulke kerkers waren bijna onbereikbaar; de enige toegang was een ronde opening in de vloer van de ‘bovenste kerker’. Door deze opening werden de gevangenen in de ‘binnenste kerker’ neergelaten, waar ze vaak van de honger stierven. De ‘stok’ was zo samengesteld, dat de benen naar willekeur door de stokbewaarder van elkaar konden worden getrokken, waardoor een verschrikkelijke marteling werd veroorzaakt. Het huis van de stokbewaarder hoorde waarschijnlijk bij de gevangenis.
Belijdenisgeschriften
• HC, vraag 65, (Recht geloven )
• NGB art. 34 (Sacrament van de Heilige Doop)
• DL 3,4 art. 11 (Ware bekering)
• NGB 22 (Oprecht en waar geloof)
Antwoorden bij werkboekje groep 5 en 6
Weet je het nog?
Streep het foute antwoord door. Schrijf de letters onderaan op. Wat komt er uit?
1. Met wie was Paulus op zendingsreis? Silas(l) / Ananias(z)
2. In welke stad waren de apostelen Antiochië(i) / Filippi (o)
3. Paulus kwam bij Lydia vandaan. Lydia was een purperverkoopster / profetes
4. Het meisje was een slavin(f) / prinses(n)
5. De apostelen zijn knechten van de Machtige(e) / Allerhoogste God(z)
6. De apostelen(f) / de Heere(i) werpt de duivelen uit het meisje
7. De bazen van het meisje zijn boos(n) / dankbaar(k).
8. De apostelen worden gegeseld(g) / uitgenodigd voor een maaltijd(a).
9. Ze worden geworpen in de gevangenis en zijn verdrietig(h) / zingen psalmen tot eer van God(e)
10. Als de aarde beeft, gaan de gevangenis deuren open en alle gevangenen vluchten(d) / zijn nog gevangen(n).
Antwoord: lofzingen
Om over te praten
Welke plaatjes horen bij het verhaal?
• Goede plaatjes: De gevangenis – de stok – Paulus en Silas zingen in de gevangenis
• Verkeerde plaatjes: Paleis – handboeien – Paulus en Silas, huilend in de gevangenis
Paulus en Silas zaten onterecht in de gevangenis. In de Bijbel lezen we over meer mensen die onschuldig in de gevangenis zaten. Welke horen bij elkaar?
Jozef De Heere was ook in de gevangenis bij hem. Hij mocht de dromen van de farao uitleggen en werd onderkoning van Egypte.
Johannes de Doper Hij stuurde een paar van zijn discipelen naar de Heere Jezus met een boodschap. Toen er later een knecht van Herodes kwam die hem doodde, mocht hij voor eeuwig bij de Heere komen wonen en was al zijn lijden voor altijd voorbij.
De apostelen De Heere stuurde een engel die de deuren van de gevangenis opende, en zei dat ze in de tempel het Woord van de Heere moesten gaan preken.
Petrus Hij lag rustig te slapen in de gevangenis, terwijl hij wist, dat hij de volgende dag zou sterven. De Heere stuurde Zijn engel om hem uit de gevangenis te verlossen.
3. Deze vraag gaat over Paulus in de gevangenis.
a. Hoe kwam het dat Paulus in de gevangenis kon zingen? Hij wist dat de Heere Jezus bij hem was in de grootste nood, pijn en moeite. Paulus was niet bang voor mensen. Hij mocht weten dat de Heere altijd voor hem zal zorgen.
b. Wat betekent dat voor jou? Wat kan/kun jij daarvan leren als er verdrietige dingen in je leven gebeuren? De Heere zorgt altijd voor Zijn kinderen. Je mag Hem altijd in gebed vragen om Zijn hulp. De Heere hoort altijd, maar verhoort niet altijd. De Heere doet wat goed voor ons is, al begrijpen wij niet waarom verdrietige dingen moet gebeuren. De Heere heeft een plan/bedoeling met ons leven.
c. Lees Psalm 33 vs. 10. Onderstreep de regels die daarover gaan.
Zijn machtig' arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van den dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen
In duren tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
Blijven onze harten In den HEER gerust;
'k Zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.
4. Paulus en Silas zongen Gode lofzangen.
a. Wat betekent deze zin?
Paulus en Silas mogen psalmen zingen tot eer van de Heere. Ze zingen dat de Heere goed voor hen is.
Waarom past de volgende psalm hier zo goed bij?
Antwoord: David mag in deze psalm zingen, dat wat er ook gebeurt, de Heere altijd voor hem zal zorgen. Zelfs in de nacht, wanneer het donker is en niemand meer uitkomst ziet. Zelfs dan, mag hij zingen en alle hulp van de Heere verwachten.
Puzzel
Oplossing: Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God.
Antwoorden bij werkboekje groep 7 en 8
Weet je het nog?
Beantwoord de vragen. Weet je het niet meer? Zoek dan op: Handelingen 16: 16-34
1. De apostelen waren in de stad .... Filippi
2. Paulus was samen met .....toen er een meisje achter hen aan liep dat hen nariep. Silas
3. Dat meisje moest de hele dag .... Waarzeggen
4. Paulus wierp in de Naam van .... ....de duivel uit. Jezus Christus
5. De hoofdmannen spreken geen recht. Ze bevelen dat de apostelen, onverhoord, .... moeten worden. gegeseld
6. De man die de gevangenen in de gevangenis moest bewaren noemen we de ... Stokbewaarder
7. Midden in de nacht ... de apostelen. Bidden en zingen.
8. De Heere helpt/antwoordt Zijn knechten. Hij geeft een .... aardbeving
9. Daardoor gaan de deuren van de gevangenis.... open.
10. Als de gevangenbewaarder dat ziet, wil hij…… zich doden
11. De gevangenbewaarder neemt de apostelen mee ……. naar zijn huis
12. De apostelen verkondigen daar het Evangelie aan ... een ieder die het horen wil.
13. Als de stokbewaarder het Woord van de Heere heeft gehoord, wordt hij ... gedoopt en zijn huis.
Om over te praten
1. Wat betekent het zinnetje: Ze bracht hen groot gewin toe?
Antwoord: Ze verdienden veel geld aan haar.. Dat waren ze nu in één keer kwijt. Hun bron van inkomsten was weg.
2. Wat vind jij van veel geld verdienen? Geef eens voorbeelden wanneer het wel of niet goed is. Eigen antwoorden
3. Paulus en Silas zitten in de gevangenis. Hun ruggen zijn bebloed van de geselingen. Hun voeten zitten gebonden in de stok. Ze kunnen niet eens staan en zeker niet weglopen. Toch kunnen ze de Heere lofprijzen. Misschien heb jij ook wel iets heel verdrietigs meegemaakt. Er is iemand van wie je heel veel hield gestorven of heel erg ziek.
• Hoe kan jij/kunnen wij de Heere dan toch danken?
• Hebben mensen in oorlog of die vervolgd worden een reden om dankbaar te zijn? Waarom wel/ niet?
Antwoord: Ja, ook dan mogen zij de Heere danken voor wie Hijs is, juist in moeilijke omstandigheden. Alleen ons leven is al een reden tot dankbaarheid. Juist Paulus en Silas zaten in zulke moeilijke omstandigheden. Toch mochten zij de Heere danken dat Hij juist hen wilde gebruiken om Zijn Woord te vertellen.
3. Lees de uitspraak in het praatwolkje eens. Beantwoord nu de vragen.
a. Wat zou dat betekenen?
b. Waarom zou dit bij deze vertelling passen?
c. In de vertelling ging het over de blijdschap van Paulus en Silas om voor de naam van de Heere te lijden. Waarom zouden Paulus en Silas hier blij om zijn geweest? Antwoord:
a. Als andere mensen zien dat kinderen van God alles voor de Heere over hebben, dat ze zelfs voor de HEERE willen sterven, dan maakt dat nieuwsgierig. Die liefde voor de Heere zorgt ervoor dat de mensen daar meer van willen weten en op zoek gaan naar de Heere.
b. De gevangenschap van Paulus en Silas, was voor de stokbewaarder het middel om het Woord van God te horen, waardoor hij de Heere Jezus mocht leren kennen. Juist het volharden door het geloof onder moeilijke omstandigheden maakt anderen nieuwsgierig naar die God. Dat gebeurde in het verhaal ook. De stokbewaarder wist zeker dat hij die God ook wil kennen.
c. De Heere had hen waardig geacht om voor Hem te lijden. Ze mochten gebruikt worden als middel om anderen tot de Heere te brengen.
4. De stokbewaarder vraagt: Wat moet ik doen om zalig te worden.
a. Wat voor antwoord zou jij de stokbewaarder hebben gegeven.
b. Wat is het antwoord van Paulus?
c. Past jouw antwoord bij het antwoord van Paulus? Waarom wel of niet?
d. Wil jij de Heere leren kennen? Waarom wel of niet?
e. Wat doe jij om de Heere te zoeken?
Antwoord:
a. Bidden, uit de bijbel lezen, naar de kerk gaan, luisteren naar de mensen die de bijbel uitleggen of eruit vertellen, zingen
b. ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis’.
c,d,e Eigen antwoord.
Puzzel
Zet de letters die nog over zijn achter elkaar. Er staat dan:
Antwoord: Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die ons de weg der zaligheid verkondigen (Handelingen 16 vers 17).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2025
Kompas Handleiding | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2025
Kompas Handleiding | 16 Pagina's