Handleiding 8: De lofzang van Jezus
Jaarthema: ‘Zing een lied voor de Heere’
Van de redactie
Wat zijn goede omstandigheden om een loflied te zingen? Er zijn veel situaties waarin het gepast is om de Heere te prijzen. Denk bijvoorbeeld aan momenten waarop je iets van Gods genade hebt ervaren, of zoals tijdens een bruiloft, een jubileum. Maar wat als de omstandigheden moeilijk zijn? Wat als je worstelt met verdriet of je hart vol is van zonde en ongerechtigheid? Op zulke momenten lijkt het zingen van lofliederen misschien ongepast of zelfs onmogelijk.
Toch leren we van de Heere Jezus dat lofprijzing juist in donkere momenten krachtig is. Hij zingt het Hallel vlak voor Zijn gevangenneming. Het woord Hallel is afgeleid van Hallelujah, een Hebreeuws woord dat oproept om de Heere te loven. Dit Hallel omvat Psalmen 113 tot en met 118, een reeks lofpsalmen die vaak tijdens het Joodse Pascha worden gezongen. Jezus wist precies wat Hem te wachten stond – het diepe lijden van het kruis. Toch zingt Hij de lofzang. In Mattheüs 26:30 lezen we: En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. Slechts acht verzen later zegt Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe!
Maar wat betekent dit voor ons? Wij zijn de Heere Jezus niet, verre van zelfs. Toch zien we in de Bijbel hoe Zijn volgelingen in moeilijke omstandigheden Hem navolgen. Paulus en Silas (de tweede schets) zijn hier een prachtig voorbeeld van. Met hun ruggen kapotgeslagen, voeten vastgeklemd in een blok, en bewakers om hen heen, zingen zij geen klagende bastonen maar heerlijke lofliederen. Zelfs de andere gevangenen, die normaal wellicht vloekten, luisteren aandachtig. Hun cel wordt in korte tijd het toneel waar Gods overwinning op het leed van tijdelijke omstandigheden zichtbaar wordt. Laten we daarom zingen: ‘k Zal Zijn lof zelfs in den nacht. Zingen, daar ik Hem verwacht.’
Namens de redactie,
Pieter Avé
Toelichting op het thema
Dit jaar is het thema voor Kompas: ‘Zing een lied voor de Heere’. Zangers in de Bijbel. In deze Paasschets gaat het over de Heere Jezus en Zijn discipelen die na de Paasmaaltijd het tweede deel van ‘het Hallel’, de psalmen 115 t/m 118 hebben gezongen. (het hele ‘Hallel’ zijn de psalmen 113-118)
Doel van de vertelling
De psalmen zijn liederen van de Heere Jezus. Hij zingt ze Zelf vlak voor zijn lijden en sterven.
Zingen en lezen
Zingen
Als deze vertelling niet bij een paasviering, maar op een clubavond wordt gebruikt, kies dan zelf een aantal psalmen uit het ‘Hallel’, de psalmen 113 t/m 118 of zie programma voor de paasviering.
Lezen
Mattheüs 26: 26-30 en 28: 1-6
Kerntekst
En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij heen naar de Olijfberg. (Mattheüs 26:30)
Vertelling
De paasmaaltijd is bijna afgelopen. Samen met Zijn discipelen heeft Jezus wijn gedronken en het paaslam gegeten met het brood en de bittere saus. Samen hebben ze de psalmen 113 en 114 gezongen. “Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN, looft den Naam des HEEREN, De Naam des HEEREN zij geprezen van nu aan tot in der eeuwigheid…Wie is gelijk de HEERE onze God? Die zeer hoogt woont.” Ze zingen van de grote werken van God. Zo eren ze Hem. “Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk dat een vreemde taal had. De zee zag het en vlood, de Jordaan keerde achterwaarts.” Zo hebben ze zo de uittocht uit Egypte herdacht. Ja, wat is er veel gebeurd. Daarna heeft Hun Meester gesproken over verraad. En het ergste van alles is, dat Hij heeft gezegd; “Eén van jullie zal Mij verraden”. De discipelen zijn onrustig en verdrietig geworden. Judas is zojuist vertrokken. Johannes heeft gezien dat Jezus aan hem een stuk brood heeft gegeven en heeft gezegd: “Jij bent het, Judas, doe snel wat je moet doen”. Vragend hebben ze Judas nagekeken. Wat ging hij doen? Moest hij nog iets kopen voor de maaltijd misschien? Ze hebben zoveel vragen…
Ook Jezus heeft Judas zien vertrekken. Hij heeft hem nagekeken toen hij de zaal uitliep. Judas, die Hem nu aan het Sanhedrin verraadt. Straks zal Hij, Jezus, gevangengenomen worden. Ze zullen Hem kruisigen. Zijn lichaam zal verbroken worden. Ze zullen Zijn bloed vergieten. Zijn discipelen begrijpen niet dat Hij zo hen en alle andere volgelingen van Hem, zal verlossen. De paasmaaltijd is nu bijna voorbij. Het is de laatste keer dat deze maaltijd zo gevierd zal worden. Want waar die maaltijd altijd naartoe wees, zal straks gaan gebeuren. Straks zal Hij, het Paaslam, Zichzelf overgeven. Straks zal Zijn bloed vloeien. Hij zal gaan sterven. Net als het lam voor het paasfeest, zal Hij Zijn leven geven. Het offer van de Heere Jezus is zo groot dat er daarna nooit meer een offer nodig is. Daarom zal er na deze avond nooit meer een paasmaaltijd gevierd hoeven te worden.
Nog één keer neemt Jezus het brood dat over is van de paasmaaltijd. Dan breekt Hij het en geeft het aan de discipelen. Nee, niet om nog een keer het paasmaal te vieren. Die tijd is echt voorbij.
Terwijl Jezus het brood uitdeelt zegt Hij: ‘’Neemt, eet! Dat is Mijn lichaam, dat voor u verbroken wordt!” Dan neemt Jezus de drinkbeker met de wijn. Het wordt nu de beker en de wijn van het Heilig Avondmaal. Want straks zal Hij Zijn bloed storten. Hij kijkt omhoog en dankt Zijn Vader.
Dan geeft Hij de beker aan Zijn discipelen en zegt: “Drinkt allen daaruit. Dit is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, van een nieuwe tijd die nu aanbreekt, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving van de zonden.” Eén voor één drinken de discipelen de wijn. “Doe dit tot Mijn gedachtenis”, zegt Jezus, “totdat Ik terugkom”. Ze zien dat alles heel anders is dan eerst. Ze begrijpen het allemaal niet. Zal Hij dan écht gaan sterven? Straks, na Zijn dood en opstanding, zullen ze het pas begrijpen.
Het is stil aan de paastafel. Alleen Jezus’ stem klinkt. Het zijn woorden van afscheid, maar ook woorden van troost. Nog een korte tijd ben Ik bij jullie. Straks zullen jullie Mij zoeken. Waar ik heenga, kunnen jullie niet komen. Jezus gaat naar Zijn Vader in de hemel. De discipelen horen hun Meester praten, maar ze begrijpen er zo weinig van. Ze voelen aan alles dat Jezus afscheid van hen neemt. Jezus weet van hun vragen. Hij kent hen. Troostend zegt Hij: “Uw hart worde niet ontroerd”. Wees niet verdrietig en bevreesd. Jullie geloven in God, geloof ook in Mij. Vertrouw op Mij. Geloof dat Ik ook doe wat Ik beloof! In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen. Ik ga heen om voor u een plaats te bereiden. Luister goed: Ik kom terug! Dan zal Ik jullie tot Mij nemen. Dan mogen jullie ook zijn, waar Ik ben. En dat voor altijd!
Eerbiedig luisteren ze naar de woorden van hun Meester. Wat een troost en wijsheid zit er in Zijn woorden. Hij drukt de discipelen op het hart om Hem en elkaar altijd lief te hebben! Echte liefde is: je leven geven voor de ander. Alles voor je vrienden overhebben. Ik geef Mijn leven voor jullie, want jullie zijn Mijn vrienden. Voor jullie ga Ik de dood in. Ik moet sterven, want de wereld haat Mij. De wereld zal jullie ook haten. De mensen zullen jullie ook vervolgen, zoals ze Mij vervolgd hebben. Dat zullen jullie wel gaan merken. Maar… Onthoud en bewaar Mijn woorden. Neem ze met je mee! Ik zal de Trooster, de Heilig Geest sturen. Hij zal in jullie hart van Mij en van Mijn woorden spreken.
Wat hebben de discipelen veel vragen. Wat is het moeilijk om de woorden van hun meester te begrijpen. “Het is goed voor jullie dat Ik naar Mijn Vader ga”. Ze horen deze woorden wel, maar hun verstand is te klein om het te snappen. Zijn woorden zijn zo diep, zo ondoorgrondelijk! “Nog veel meer dingen heb Ik jullie te zeggen, maar die kunnen jullie nu niet door zwakheid en verdriet dragen. Maar als de Heilige Geest zal gekomen zijn, dan zal Hij het jullie uitleggen. Die zal spreken in jullie harten.”
Sta op!” zegt Jezus, “laten we dan gaan.” Allemaal komen ze overeind. Staande zullen ze de paasmaaltijd besluiten. Ze zullen het tweede deel van het Hallel zingen. Er zal ook nog een beker wijn rondgaan. Daarna zullen ze gaan. Waarheen? De discipelen weten het niet. De toekomst is onzeker. Ze kijken naar hun Meester. Ze wachten tot Hij Psalm 115 inzet. Diep onder de indruk staan ze rond de tafel. Dan begint Jezus te zingen! “Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid, om Uw waarheid wil. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Ja, de Heere heeft Zelf voor een Verlosser gezorgd. Een Middelaar, Die ons van al onze zonden wil en kan verlossen!
De discipelen zetten ook in. Ze zingen mee. Wat zou er in hen omgaan? Wat zou er in Jezus omgaan, nu Hij deze psalmen van het Hallel zingt? De psalmen die allemaal vertellen en zingen van wat de Messias zou gaan doen. De psalmen, waarvan Hij, het Lam, de inhoud is! “De banden van de dood hadden mij omvangen, en de angsten van de hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep de Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE, bevrijd mijn ziel. De HEERE is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermende (Psalm 116). Af en toe kijken de discipelen naar hun Meester. Veel, heel veel gedachten hebben ze. Ze zingen mee. “Loof de HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën. Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid. HALLELUJA! (Psalm 117). Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam des HEEREN; wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN. De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar (Psalm 118).”
Na het zingen neemt Jezus voor de laatste keer de beker. Nog één keer drinkt Hij van de wijn en laat Hij de beker rondgaan. Dan is de maaltijd afgelopen. Hij loopt de zaal uit en gaat naar buiten. De discipelen volgen Jezus. Ze volgen Hem de trap af. Door de straten van de stad richting de Olijfberg. Daar gaan ze door de vallende duisternis. Er komt voor Jezus nu ook een donkere tijd. Vóór Hem ligt het lijden, het zwaarste lijden dat iemand ooit moest meemaken. Jezus weet wat komen gaat. Hij weet het volmaakt! Maar Zijn discipelen niet. Wat hebben ze Hem en Zijn wijsheid hard nodig. Hij zal voor hen bidden tot Zijn Vader. Luister maar. Hij heft Zijn handen omhoog en kijkt naar de hemel. “Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon.“ Met diepe eerbied luisteren de discipelen naar Zijn gebed. Wat is hun Heere heilig! Hij spreekt met Zijn Vader. Hij spreekt over hen. Hij bidt voor hen. Ze kunnen niet anders dan Hem in stilte aanbidden en meebidden. Hij bidt voor de tijd dat Hij niet meer bij hen is. Wat een liefde! Hij bidt dat ze blijdschap mogen hebben in hun hart. Hij bidt of God hen wil beschermen tegen de boze, de duivel. Hij bidt voor hen om kracht en leiding. Dat ze dicht bij Zijn Woord blijven leven en ver van de wereld. Hoor! “Ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven zullen! Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet. Maar Ik ken U. En deze discipelen hebben geloofd en beleden dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt en zal die ook nog verder bekendmaken. Opdat de liefde waarmee Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen, Amen”.
Het is enkele uren later. Op Golgotha staan drie kruisen. Boven het middelste kruis hangt een bordje. “Jezus, de Nazarener, de Koning der Joden”, staat erop. Het klopt precies! Daar hangt een Koning. Dé Koning! Onschuldig! De mensen spotten ermee en zeggen: “Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij dan van het kruis afkomen, dán zullen wij Hem geloven!” En een ander roept: “Anderen heeft Hij verlost. Laat Hij nu Zichzelf verlossen, als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God!”
Het is op het heetst van de dag. De zon schijnt fel. Maar plotseling is het alsof er een grote, donkere wolk voor de zon schuift. Op de heuvel Golgotha wordt het plotseling helemaal donker. Het lijkt wel nacht. De spottende stemmen zwijgen. Het wordt stil. Angstig stil. De pijn van de kruisiging, de spot van de mensen… het snijdt door de ziel van Jezus. In het donker is de pijn en de smart nog erger. Daar hangt Hij, alleen in de duisternis. Onschuldig! Zelfs Zijn Vader heeft Hem verlaten. Aan alle kanten voelt Hij de aanvallen van de duivel. De pijnigingen treffen Hem diep, heel diep. De hemel is gesloten. Zijn Vader heeft Hem verlaten. Onbeschrijfelijk zwaar drukt de toorn van God op Hem. Hoor! Daar klinkt in het donker Zijn stem. Er klinkt een psalmregel: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?” Dan opeens is daar de zon weer. Nog even, en het lijden is voorbij. Hij, het Lam, heeft alles gedaan wat Zijn Vader van Hem had gevraagd. Hij heeft de straf op de zonden gedragen. Hij, de Zoon van God, heeft overwonnen. Daarom roept Hij het uit: “HET IS VOLBRACHT!
Een licht als van een bliksemstraal schiet door het duister van de vroege zondagmorgen. Rond het graf van Jezus schudt en beeft alles. Een engel daalt uit de hemel neer. De soldaten bij het graf vluchten zo snel ze kunnen! De engel opent het graf. Jezus is niet in het graf te houden. Zelfs niet met zegels en wapens. Hij, de Zoon van God, heeft ALLES volbracht! Hij heeft de schuld betaald! En zó heeft Hij het eeuwige leven verdiend. Nee, niet voor Zichzelf, maar om het uit te delen aan zondige mensen. Hij is machtiger dan de dood en de duivel. Hij staat op! Hij komt uit het graf en staat in het nieuwe licht van een pas begonnen dag! Wat een wonder!
Ja, een nieuwe tijd breekt aan! Paasfeest: de dag van Gods grote daden. Hij heeft de dood overwonnen! Hij leeft! En Hij regeert tot in alle eeuwigheid! Als je in Hem gelooft, hoef je niet voor de dood te vrezen. Als je in Hem gelooft, zal je eeuwig mogen leven! Want Hij, de almachtige Zoon van God, de Levensvorst, de Koning van Pasen, Hij zorgt voor hen! Voor altijd! “Looft den HEERE, want Hij is goed. Want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid!”
Achtergrondinformatie bij deze paasvertelling
Pascha: Met Pascha herdachten de Israëlieten de bevrijding van de slavernij uit Egypte. Dit vierden ze op de veertiende dag van de eerste maand (zie Exodus 12:18). Het betekent ‘voorbijgang’ en verwijst naar twee gebeurtenissen. Allereerst naar de haast waarmee de Israëlieten Egypte verlaten hebben. Daarnaast verwijst het naar de verderfengel die de huizen waar bloed aan de deurpost zat, voorbijging.
Jezus viert meerdere keren het Pascha met Zijn discipelen. In Mattheüs 26 doet Hij dat voor de laatste keer. Op deze dag stelt Jezus de viering van het Heilig Avondmaal in. Hij is het eigenlijke Paaslam Dat geslacht wordt voor de zonde der wereld, zoals Johannes zegt: ‘Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt’ (Johannes 1:29) en Paulus in 1 Korinthe 5:7 ‘Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.’ Het Pascha bracht voor het volk Israël bevrijding uit Egypte, maar Christus brengt door Zijn dood, voor Zijn volk de bevrijding van de zonde, de dood, de wereld en de duivel. Offers zijn nu niet meer nodig. Jezus beveelt om Zijn dood te verkondigen totdat Hij komt (1 Korinthe 11:26). Na Zijn wederkomst viert Hij weer het Avondmaal met Zijn gemeente (Lukas 22:18).
Zie ook de kanttekeningen bij Mattheüs 26:2 “Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden.”
De geestelijke betekenis van Pascha: Zoals elk offer naar Christus en Zijn verzoeningswerk verwees, verwees ook het paaslam hiernaar. In het Nieuwe Testament wordt verschillende keren over Jezus gesproken als over het Lam. De eerste keer dat we dit in de Bijbel tegenkomen, is in het Evangelie van Johannes, waar Johannes de Doper naar Jezus wijst met de woorden: Zie het Lam Gods (Johannes 1:36). Bij deze uitdrukking ligt het voor de hand te denken aan het paaslam. Dit wil niet zeggen dat de uitdrukking Lam Gods niet ook naar andere beelden in het Oude Testament zou kunnen wijzen, zoals het dagelijks brandoffer en verschillende speciale offers. Een andere belangrijke verwijzing naar Christus als het ware Lam vinden we bij de apostel Petrus: Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandel (...), maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1: 18 en 19). Petrus lijkt hier allereerst naar het paaslam te verwijzen, vooral vanwege de toevoeging 'onbestraffelijk' en 'onbevlekt'. Ook het paaslam moest gaaf zijn, er mocht geen gebrek aan zijn. In Johannes 19: 36 wordt een duidelijk verband gelegd tussen het Pascha en Jezus' kruisdood. Er staat dat geen been gebroken werd bij Jezus, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden. Dit is een citaat uit Exodus 12, het hoofdstuk waar over het paaslam wordt geschreven.
Eén van de meest opvallende overeenkomsten tussen het paaslam en Jezus is dat Jezus stierf op het moment waarop in de tempel de paaslammeren geslacht werden. Christus, en waarschijnlijk ook de Farizeeën, hebben een dag eerder het pascha gehouden dan het volk Israël. Er zijn verschillende theorieën om dit te verklaren. De meest voor de hand liggende is dat Jezus het vierde op de juiste datum, terwijl de anderen het een dag later vierden. Deze dag was een sabbatdag en zo hoefden ze geen twee dagen achter elkaar rustdag te houden. De Evangelisten delen ons mee dat Jezus stierf op de negende ure en dit was het uur waarop de paaslammeren geslacht werden.
Het feest van de ongezuurde broden: In Mattheüs 26:17 staat; ‘En op de eerste dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus.” Vóór de uittocht uit Egypte heeft de Heere het feest van de ongezuurde broden ingesteld. Zie Exodus 12:15-20. Dit was het feest dat volgde op het Pascha en zeven dagen duurde. Dan moesten de Israëlieten ongezuurde broden eten; dat is brood zonder zuurdesem, zonder gist. Ongezuurd brood smaakt flauw. Sommige uitleggers zeggen: als je ongezuurd brood doopt in bittere saus, dan is het opeens lekker. (Citaat Ds. Moerkerken uit: ‘Intocht’, over Pascha in Gilgal).
Pascha en het Heilig Avondmaal: In de christelijke gemeente leeft de paasviering voort in de viering van het Heilig Avondmaal, zoals dit door Christus is ingesteld tijdens Zijn laatste paschaviering. Bij het breken van het brood zei Hij: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En bij het nemen van de wijn: Drinkt allen daaruit. Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. Het pascha wees heen naar Christus en het offer dat Hij zóu brengen. Het Avondmaal is ingesteld om de vervulling hiervan in gedachtenis te brengen. Zoals het paaslam onberispelijk moest zijn, zo was Jezus 'onbestraffelijk en onbevlekt'. Zoals geen been van het paaslam gebroken werd, zo werd geen been van Jezus gebroken. Zoals de eerstgeborenen van Israël schuilden achter het bloed van het paaslam, zo mogen Gods kinderen schuilen achter het bloed van Christus. Zoals de Joden tijdens Pascha hun bevrijding uit de Egyptische slavernij vierden, zo viert Gods volk het Avondmaal, om hun bevrijding uit de slavernij van de zonde te herdenken op grond van de dood van Christus. Door het verzoenend werk van het Lam werden zij uitgeleid uit het 'Egypte' der zonde, worden zij geleid door de 'woestijn' van het leven en gebracht in het beloofde land.
Het Hallel:De psalmen 113 t/m 118 worden samen ‘het Hallel’ genoemd. Hallel betekent loven. Het is de afkorting van Hallelujah’, wat ‘looft den HEERE’ betekent. Het is de Hebreeuwse benaming voor deze psalmen. In deze psalmen komt daarom ook regelmatig deze oproep, Hallelujah, voor. Deze psalmen hebben een speciale functie in de joodse eredienst. Ze worden gezongen tijdens de viering van het Pascha, Pinksterfeest en Loofhuttenfeest. Tijdens het Pascha werden deze psalmen door de Levieten in de tempel gezongen. De Heere Jezus heeft vlak voor Zijn gevangenneming deze psalmen met Zijn discipelen gezongen tijdens de paasmaaltijd. Vóór de maaltijd Psalm 113 en 114, die samen het klein-Hallel worden genoemd. Na de maaltijd Psalm 115 t/m 118, het groot-Hallel. Deze psalmen werden reciterend gezongen (hardop geciteerd/ lezend).
Matthew Henry zegt in zijn Bijbelverklaring: “Bij het zingen van moeten wij Gods macht en goedheid erkennen in hetgeen Hij voor Israël gedaan heeft, en het toepassen op het nog veel grotere wonderwerk, onze verlossing door Christus, en onszelf en anderen aanmoedigen om ook in de grootste benauwdheid op God te vertrouwen.” De grote waarde van de psalmen en het zingen daarvan, dient onder ons alleen maar toe te nemen wanneer we bedenken dat de Heere Jezus Zelf deze psalmen gezongen heeft en er Zelf ten diepste de Maker van is.
Verband met de belijdenisgeschriften
Heidelbergse Catechismus;
• Zondag 15: geleden en gekruisigd
• Zondag 16: gestorven, begraven en nedergedaald ter helle.
• Zondag 17: opgestaan.
• Zondag 28 en 29: Het Heilig Avondmaal
• Zondag 47: Uw Naam worde geheiligd. (God eren en prijzen door o.a. het zingen van de psalmen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2025
Kompas Handleiding | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2025
Kompas Handleiding | 16 Pagina's