JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 7: Het lied van Simson

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 7: Het lied van Simson

Jaarthema: ‘Zing een lied voor de Heere’

35 minuten leestijd

Toelichting op het thema
Dit jaar is het thema voor Kompas: ‘Zing een lied voor de Heere; zangers in de Bijbel’. In deze schets gaat het over de richter Simson, die eerst een lied zingt tot eer van zichzelf, maar daarna de Heere de eer mag geven van de overwinning die hij in Zijn kracht mocht behalen.

Doel van de vertelling
De kinderen horen in deze vertelling dat Simson, die duizend Filistijnen heeft verslagen met een ezelskinnebak - dat is de kaak van een ezel - daarover zingt. Eerst krijgt niet de Heere de eer daarvan, maar geeft hij zichzelf de eer. Als de Heere hem laat merken hoe zwak hij van zichzelf is, verandert dat en mag Hij de Heere de eer geven van de overwinning die hij behaald heeft. Simson was een type, een voorbeeld van de Heere Jezus.

Introductie op het thema
Idee
‘Zingen/leven tot eer van de Heere’, wat is dat eigenlijk? Kies een aantal van de volgende Psalmregels en schrijf ze op losse bladen.
Mogelijkheden:
• ’k Roep Heer in angst tot U gevloden.
• Mijn ziel is immers stil tot God.
• U alleen U loven wij.
• Maar, trouwe God, Gij zijt, het Schild dat mij bevrijdt.
• Ik hef tot U, Die in de hemel zit, mijn ogen op en bidt.
• ‘k Sla d’ ogen naar ‘t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht.
• Vergeef mij al mijn zonden. die Uwe hoogheid schonden;
• Loof, loof, den HEER’, mijn ziel, met alle krachten, verhef Zijn Naam, zo groot, zo heilig t’ achten.
• Gena, o God, gena, hoor mijn gebed’...

Lees ze zelf voor of laat de kinderen dat om de beurt doen.

Mogelijkheid 1. Vraag: Met welke regels eren de dichters de Heere. Waarom is dat zingen tot eer van de Heere? Zie verder bij ‘vervolgvragen’.

Mogelijkheid 2. Voor kleine(re) kinderen. Geef alle kinderen twee kaartjes, een groen en een rood. Lees zelf de eerste zin van één van de Psalmen voor en vraag de kinderen: Is deze Psalm tot eer van de Heere? De kinderen steken één van hun kaartjes omhoog. (het groene als ze vinden van ‘ja’, het rode als ze vinden dat dat niet zo is). Vraag daarna, waarom ze ‘ja’ of ‘nee’ kozen. Probeer al pratend uit te leggen, wat het betekent ‘iets tot eer van de Heere doen’. (Vaak zo anders dan wij denken...). Zie verder bij ‘vervolgvragen’.

Vervolgvragen
Over wie/Wie ging het in deze Psalm? Wat wordt er over de Heere verteld? Of: Wat kom je over de dichter te weten? Wat doet de dichter in deze Psalm? Is dat tot eer van de Heere? Waarom? Opmerking. Het gaat er dus niet om, of in een lied het woord loven, eren o.i.d. voorkomt, maar waarover het in het lied gaat. Of beter: over Wie het lied gaat en wat er over Hem verteld wordt, of waarvoor de dichter Hem nodig heeft!

Zingen en lezen

Psalmen
• Psalm 116: 1, 2, 3, 5, 7, 10
• Psalm 141: 1, 9
• Psalm 115: 1
• Psalm 118: 3, 9, 14
• Psalm 86: 1, 3
• Psalm 6: 9
• Psalm 66: 8, 10
• Psalm 75: 1
• Psalm 99: 2, 7, 8
• Psalm 52: 7

Liederen
• Neem mijn leven, laat het Heer’, (TZE, 69)
• Grote God, wij loven U, (TZE, 40)
• Nooit kan ’t geloof teveel verwachten. (TZE, 70)

Lezen
Richteren 15: 11-20

Kerntekst
Richteren 15:16, 18(a), Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebak, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebak heb ik duizend man geslagen. Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; (zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand dezer onbesnedenen?

Vertelling

“Wat heb je nu toch gedaan? Wist je niet dat de Filistijnen de baas over ons zijn? Waarom ben je dan tegen hen gaan vechten?”

Op de rots Etam staat een grote groep mannen. Boos kijken ze allemaal naar die ene man die daar voor hen staat. Die man is Simson. Ze wachten op zijn antwoord. Woedend zijn ze! Heeft hij ze dan kwaad gedaan? Nee, dat niet. Maar het is wel zíjn schuld dat de vijanden gekomen zijn. Wie zijn die boze mannen? Het zijn drieduizend mannen uit de stam van Juda. Ze zijn naar Simson gekomen, omdat de vijand, de Filistijnen, hun land Israël is binnengevallen. “Waarom zijn jullie gekomen”, hebben ze aan de Filistijnen gevraagd? “We hebben toch niets gedaan?” “Nee,” was het antwoord, “maar we komen ook niet om tegen júllie te vechten. Het gaat ons maar om één man. Als we díe hebben, dan gaan we weer weg.” Daarom staan de mannen van Juda hier nu tegenover die ene man, Simson.

Simson is helemaal alleen. En toch zijn de Filistijnen zo bang voor hem dat ze zelf niet naar hem toe durven gaan om hem gevangen te nemen. Want soms is Simson heel sterk. Dan kan hij zelfs alleen tegen een heel leger vechten. Dat komt omdat de Heere hem daar dan bijzondere kracht voor geeft. Simson is een knecht van de Heere. Al voor zijn geboorte heeft de Heere gezegd dat hij een Nazireeër van God zou zijn. Toen al heeft de Heere hem apart gezet. Omdat hij een Nazireeër zou zijn, mocht hij geen wijn drinken en ook niets eten of drinken wat van druiven gemaakt werd. Er was nóg iets wat hij niet mocht. Want je kunt het ook aan hem zíen dat hij een Nazireeër is. Kijk maar eens naar zijn haar. Dat is (heel) lang. Dat komt omdat er nog nooit een stukje van zijn haar is afgeknipt. Dat lange haar is het téken dat hij een Nazireeër is.

Voordat Simson geboren werd, vertelde de Heere aan zijn ouders ook welke bijzondere opdracht Hij voor Simson had. Simson zou beginnen Israël van de Filistijnen – dat zijn de vijanden die de baas zijn in Israël – te verlossen. Daar staat Simson en tegenover hem de drieduizend mannen uit Juda. Ze zijn naar de rots Etam gekomen, waar Simson in een grot woont.

Ze hebben wel gehoord wat Simson in het land van de Filistijnen gedaan heeft. Hij heeft daar helemaal alleen tegen heel veel vijanden gevochten. En... hij heeft het ook gewonnen. Hij heeft er velen gedood. Eerst had hij al driehonderd vossen gevangen. Steeds had hij twee vossen met hun staarten aan elkaar gebonden, en daartussen een brandende fakkel gestoken. Met die brandende fakkels waren de vossen de korenvelden van de Filistijnen ingelopen. Daardoor was al het koren in brand gevlogen. De hele oogst van de Filistijnen was verbrand. En niet alleen de korenoogst. Ook de wijngaarden, waarin de druiven groeiden, en de olijfbomen, waren door de vossen in brand gestoken. Van de oogst was niets overgebleven. Wat waren de Filistijnen boos geweest. Maar ze durfden er niets tegen te doen.

Ja, de mannen uit Juda weten dat allemaal wel, maar toch zijn ze niet blij dat Simson dat heeft gedaan. Het is waar: ze zijn niet zelf de baas meer in hun eigen land. Maar als ze de Filistijnen gehoorzamen, gaat het toch wel goed en hebben ze eigenlijk niet zoveel last van ze. En dat willen ze graag. Rust! En geen oorlog. Maar nu Simson wel tegen de Filistijnen is gaan vechten, is de rust weg. Dat willen ze helemaal niet.

En nu staan ze voor Simson. Hoor eens wat ze zeggen! “Wij zijn gekomen om u gevangen te nemen en u aan de Filistijnen over te leveren.” Ze willen liever vrede met de Filistijnen hebben dan samen met Simson tegen hen strijden. Ze geven liever hun redder, die de Heere hen geeft, in de handen van de vijanden, dan dat ze geloven dat hij hen kan helpen. Dat is erg! De mannen van Juda willen liever de vijand dienen dan dat ze vrij zijn. Maar weet je dat dat bij ons ook zo is? Of is dat in jouw hart anders?

En wat doet Simson, als hij hoort dat ze hem willen binden en aan de vijanden overleveren? Hij doet niets! Wel vráágt hij iets. Hij zegt: “Jullie moeten me beloven dat je niet tegen mij zult gaan vechten.” “Nee,” zeggen de mannen van Juda, “dat zullen we niet doen, maar we zullen u wel binden.” Dan nemen ze twee nieuwe, sterke touwen. Daarmee binden ze de handen van Simson vast en zo nemen ze hem mee naar de plaats, waar de Filistijnen zijn.

En Simson? Hij laat zich gewillig meevoeren. Simson heeft zijn volk lief. En dan tegen hen vechten? Nee, dat wil, dat kán hij niet. Daarvoor heeft de Heere hem niet geroepen. De Heere heeft hem juist de opdracht gegeven om te beginnen zijn volk van de Filistijnen te verlossen. Daarvoor krijgt hij van de Heere de kracht en de wijsheid. Simson lijkt hier op de Heere Jezus, Die Zijn discipelen liefhad en Zich voor hen overgaf aan de vijand. Hij liet Zich vrijwillig binden.

Als de Filistijnen Simson gebonden aan zien komen, beginnen ze te juichen! O, nu kan hun vijand Simson niet meer ontsnappen! Nu kunnen ze hem gevangennemen en hem doden. Maar, de Filistijnen juichen te vroeg. Ze komen naar Simson toe en steken hun handen al uit...

Dan, plotseling, gebeurt er iets. De Geest van de Heere komt over Simson. En die Geest van de Heere geeft hem een bijzondere kracht. Kijk eens, Simson breekt de nieuwe touwen, waarmee hij gebonden is, zomaar kapot. Net alsof het maar dunne touwtjes zijn. Daar staat hij. Hij is weer vrij!

Snel kijkt hij om zich heen. Is er misschien iets, waarmee hij zich kan verdedigen tegen de Filistijnen, die hun handen al uitsteken om hem gevangen te nemen? Ja, daar op de grond ziet hij iets liggen! Het is een ezelskinnebak, de kaak van een ezel; hij is nog vers en stevig. Vlug raapt hij hem op en begint ermee in het rond te slaan. Het duurt niet lang, of om hem heen liggen heel veel Filistijnen die hij met de ezelskaak geraakt heeft. De andere Filistijnen die zien wat er gebeurt, schrikken. Dat hadden ze niet verwacht. Zo snel mogelijk draaien ze zich om en vluchten weg, bij Simson vandaan. Het duurt niet lang en dan zijn alle Filistijnen verdwenen.

Daar staat Simson. Alle vijanden zijn weg. Om hem heen liggen alleen nog dode Filistijnen en in zijn hand heeft hij nog steeds de ezelskinnebak, de ezelskaak. Dan begint Simson te zingen: “Met een ezelskinnebak, één hoop, twee hopen, met een ezelskinnebak heb ik duizend man verslagen.” Eigenlijk drijft hij de spot met de Filistijnen. Want eigenlijk zingt hij: “Met de kaak van een ezel heb ik al die ezels geslagen.” De plaats waar dit gebeurd is, geeft hij een naam. Hij noemt hem: Ramath-Lechi, dat betekent: ‘hoogte van de kinnebak’ of ‘kaakbeenhoogte’. Dan gooit hij de ezelskaak weg. Die heeft hij niet meer nodig.

Heb je gehoord wát Simson zong? Ík heb die mannen verslagen... Simson doet net alsof hij dat zélf, door zijn eigen kracht, heeft gedaan...

Maar dan... opeens... O, wat heeft Simson een dorst! Niet een beetje, maar heel erge dorst. En het is zo warm! Als de Filistijnen hem nú zouden zien, zouden ze hem zo kunnen doden. Hij kijkt om zich heen of er ook ergens water is. Maar hoe hij ook zoekt, nergens is water te vinden. O, wat erg! Want Simson voelt het: als hij nu geen water krijgt, zal hij sterven van de dorst.

De Heere laat Simson merken hoe zwak hij van zichzelf is, en dat hij zelf niets kan. Hij gaat hem leren Wie Simson moet eren en ook hóe hij Hem moet eren. De Heere laat hem zien wat hij gedaan heeft. Simson heeft niet de Heere, maar zichzelf de eer gegeven. De Heere, Die zo goed voor hem zorgde. Die hem verloste van de Filistijnen. Die zorgde dat er een ezelskinnebak lag, die nog vers en stevig was. Het was de Heere, Die hem kracht gaf, zodat Simson zich tegen de vijand kon verdedigen. Die ervoor zorgde dat de andere Filistijnen op de vlucht sloegen. Dat deed Símson niet, maar dat deed de Héére, Die hem wilde gebruiken om het volk Israël te verlossen van de vijanden. Wat doe jij als je iets hebt gedaan? Geef je dan de Heere daarvan dan de eer? Of geef je de eer aan jezelf?

Als de Heere Simson dat allemaal laat zien, gaat Simson opnieuw zingen. De Heere leert hem zingen. Maar wat klinkt het nu heel anders! Nu is het geen overwinningslied, maar een gebed. “HEERE,” zegt Simson, “dat heb ík niet gedaan, maar Ú hebt de overwinning, de verlossing gegeven. En wat een wonder: daarvoor hebt U mij willen gebruiken! U hebt dat door de hand van Uw knecht, willen doen. Ú hebt dit heil, deze verlossing gegeven.” Hoor je dat? Nu geeft Simson de Heere de eer: “Heere, niet ík, maar Ú hebt het gedaan!”

”Maar, Heere,” gaat Simson verder, “ik heb zo’n dorst. En als nu de Filistijnen terugkomen, zullen ze me gemakkelijk kunnen doden. Dan zullen ze toch nog met U gaan spotten... Dat is toch niet tot Uw eer? Wilt U me alstublieft water geven?”

Nu zingt Simson tot Gods eer, omdat de Heere hem dat leert. Nu heeft Simson de Heere weer nodig, omdat hij het weet: ik heb zelf niets. Maar ik heb álles van Ú nodig en zonder U kan ik helemaal niets.

En verhoort de Heere dat gebed? Ja, dat wil de Heere uit genade doen. Want kijk eens... Opeens scheurt de grond open en borrelt het water als een fontein omhoog. De Heere geeft hier, in de wildernis waar niets groeit, water uit de bodem. Hij verhoort het gebed van Simson en geeft hem te drinken.

De Heere verhoort Simson. Niet, omdat hij dat verdiend heeft door te belijden dat de Heere hem geholpen heeft. Ook niet, omdat hij gebeden heeft. Maar de Heere verhoort hem alleen uit genade, om de Heere Jezus’ wil. Hij heeft aan het kruis geroepen: “Mij dorst”. En zo heeft Hij verdiend dat de Heere zondige mensen kan geven wat ze nodig hebben.

Simson drinkt net zoveel als hij wil. En dan voelt hij het: zijn krachten komen weer terug. Simson geeft deze plaats een naam. Hij noemt hem: ‘De fontein van de aanroeper’. Eigenlijk zegt Simson: Hier heb ik tot de HEERE geroepen, en de HEERE heeft mijn geroep gehoord. Hij zorgde voor een fontein.

De Heere leerde Simson te zingen tot Gods eer. Dat wil de Heere ook vandaag leren: Hoe wij de Heere de eer weer kunnen geven. Van onszelf doen we dat niet meer. Dat kunnen we niet meer en dat willen we ook niet meer. Maar de Heere wil dat ook vandaag nog leren.

Bid dan maar: Heere, leert U ook mij te leven en te zingen tot Uw eer.


Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte

De tijd van de richters
De tijd van de richters begon na het sterven van Jozua. Zolang Jozua en de oudsten die hem nog gekend hadden, leefden, diende het volk van Israël de Heere. Maar toen zij gestorven waren, vergat het volk de Heere en diende het vreemde goden (afgoden). Als straf en om het volk tot inkeer – bekering - te brengen, stuurde de Heere vijanden. Door de onderdrukking van die vijanden, ging het volk de Heere weer zoeken. Het bad Hem ook, of Hij de vijanden weg wilde nemen. In Zijn goedheid en genade stuurde de Heere dan een richter, die het volk terug moest roepen tot de dienst van de Heere en het volk van de vijanden mocht verlossen. Vóór Simson waren er zo al elf richters geweest.

De tijd van Simson
Simson (zijn naam betekent: ‘zonnekind’) is de twaalfde richter. In de tijd dat Simson geboren wordt, heersen de Filistijnen over Israël. Maar in tegenstelling tot de andere keren, roept het volk nu niet om een verlosser. Het buigt onder de overheersing van de vijand. Toch stuurt de Heere ook nu een richter.

De ouders van Simson
Simson komt uit de stam van Dan. Zijn vader heet Manoach, de naam van zijn moeder is onbekend. De ouders van Simson vrezen de Heere.

De geboorte/afkomst van Simson
Hoewel de moeder van Simon onvruchtbaar is, krijgt ze toch een kind, een kind met een bijzondere taak. Hij zal vanaf zijn geboorte een Nazireeër Gods zijn, iemand die helemaal aan de Heere is gewijd. Simson zal zijn hele leven een Nazireeër zijn. Het teken van zijn Nazireeërschap is zijn lange haar, wat hij beslist niet af mocht knippen. Al vóór zijn geboorte zal hij aan de Heere gewijd zijn. Daarom mocht zijn moeder niets eten of drinken wat van de wijnstok kwam. Over de derde verplichting die bij het Nazireeërschap hoorde (niets aanraken wat onrein was, waaronder gestorvenen) lezen we niets. Gezien de opdracht die Simson kreeg, is dat ook wel te begrijpen. Simson moest immers gaan vechten tegen de Filistijnen. De belofte die de Heere bij de aankondiging van zijn geboorte geeft, is: Hij zal beginnen Israël van de Filistijnen te verlossen. Simson zou het volk dus niet volkomen van hen verlossen. Alles in het leven van Simson riep om de komst van de Meerdere van Simson, de Heere Jezus, van Wie Simson een voorbeeld een type was. (Zie verder bij Simson als type van de Heere Jezus).

Een Nazireeër Gods
Het woord ‘Nazireeër’ betekent ‘een gewijde’ (iemand die door een bijzondere belofte gehouden was om van anderen afgezonderd te worden voor de dienst van God).

Er waren twee soorten Nazireeërs. Nazireeërs die dat voor een bepaalde tijd van hun leven waren. Voor hen golden de volgende regels (zie Numeri 6:1).
1. Een Nazireeër moest een afgezonderd leven leiden, om zo voor de Heere te leven.
2. Hij mocht geen wijn en sterke drank drinken en ook niets, wat van de wijnstok kwam, eten.
3. Hij mocht zijn hoofdhaar niet af laten knippen.
4. Hij mocht niet bij een dode komen en hem zeker niet aanraken.
5. Hij mocht niets onreins eten, maar deze regel gold voor alle Israëlieten.

Naast vrijwillige Nazireeërs, waarvan Paulus een voorbeeld is (zie Hand. 18:18 en 21: 23, 24), waren er ook mensen die dat hun hele leven waren. In de Bijbel lezen we dat van drie personen: Simson, Johannes de Doper en Samuël. We moeten Nazireeër (van het Hebreeuwse ‘nazir’, dat is ‘gewijde’) niet verwarren met Nazarener (dat is: iemand die afkomstig is uit Nazareth).

Simson als richter; verschil tussen hem en andere richters
Tussen Simson en de andere richters van Israël zijn diverse verschillen. Allereerst wordt Simson al vóór zijn geboorte tot het richterschap afgezonderd. Daarbij is hij al vanaf zijn geboorte een Nazireeër Gods. Bij de andere richters werd er, voordat ze tot hun ambt geroepen werden, door het volk om verlossing gebeden, maar bij Simson lezen we daar niets van. In plaats van dat het volk zich achter hem schaart, leveren ze hem zelfs over in de handen van de vijand. In wezen wordt Simson door zijn eigen volk verworpen en willen ze hem niet erkennen als de van God gezonden verlosser.

Zijn strijd tegen de Filistijnen
Simson heeft te strijden tegen het volk van de Filistijnen. Over ‘Filistijnen’ lezen we al in Genesis 10. Het zijn nakomelingen van Cham. In Genesis 10 vers 14 staat: En Pathrusim en Kasluchim, vanwaar de Filistijnen uitgekomen zijn, en Kaftorim. De kanttekeningen zeggen daarbij, dat ‘het schijnt dat enige nakomelingen van deze twee broers – bedoeld worden Pathrusim en Kasluchim - naar het land ‘Palestina’ gegaan zijn en dat hebben ingenomen. Van de naam ‘Palestina’ is waarschijnlijk ook hun naam ‘Filistijnen’ afkomstig. Later worden ze in de Bijbel ook steeds vaker ‘Palestijnen’ genoemd. We moeten hen niet verwarren met de Palestijnen in onze huidige tijd, (want dat zijn geen nakomelingen van hen). In Kanaän hebben ze zich uiteindelijk gevestigd in de steden Gath, Asdod, Gaza, Askelon en Ekron. De laatste drie steden behoorden bij het erfdeel van de stam van Juda. Ook Abraham en Izak hadden in hun tijd al met Filistijnen te maken. Toch lezen we niet, dat bij de inname van Kanaän, Jozua en het volk van Israël tegen hen hebben moeten vechten. Pas in het begin van het boek Richteren, na de dood van Jozua, horen we voor het eerst dat er tegen hen gestreden wordt (Richt. 1:18). In Richteren 3 vers 1 tot 3 staat nog iets heel opmerkelijks over hen: Dit nu zijn de heidenen die de HEERE liet blijven om door hen Israël te verzoeken, (allen die niet wisten van al de krijgen van Kanaän) (...). Vijf vorsten der Filistijnen ... In datzelfde hoofdstuk lezen we over de richter Samgar, die tegen moet strijden. Hij sloeg zeshonderd Filistijnen met een ossenstok en alzo verloste hij Israël (Richt. 3:31). Kort voordat Simson geboren wordt, lezen we opnieuw over de Filistijnen.

Een alleenstaande strijder
Hadden andere richters een leger om zich heen, Simson stond in wezen alleen. Nergens lezen we dat het volk hem heeft geholpen in zijn strijd tegen de Filistijnen. Wel het tegendeel. De mannen van Juda namen het hem hoogst kwalijk dat hij de strijd tegen de vijand begonnen was. Ze leverden hun verlosser zelfs over hun handen. Voor Simson betekende dit grote eenzaamheid. Niemand van zijn volk voegde zich bij hem. Hij werd zelfs van zijn eigen volksgenoten verlaten.

De Geest des HEEREN werd vaardig over Simson
In de geschiedenissen van Simson lezen we regelmatig dat ‘de Geest des HEEREN hem dreef’ of: ‘de Geest des HEEREN werd vaardig over hem’. (Richt. 13: 25; 14: 6 en 19; 15: 14). Op die momenten gaf de Heere hem zoveel kracht dat hij in staat was om alleen, zonder hulp van andere mensen, grote en krachtige daden te doen. Als Simson zo door de Geest van de Heere wordt gedreven, gaat het hem niet om eigenbelang. Hij treedt dan op als richter en verlosser van Israël.

Kort overzicht van wat aan deze geschiedenis voorafging (Richt. 13, 14 en 15: 1- 8)
Als Simson opgroeit, drijft de Geest hem van tijd tot tijd de richting van de Filistijnen uit. Zo komt Simson meer en meer met hen in aanraking. Hij wil zelfs trouwen met een Filistijnse. Onderweg doodt hij een leeuw. Een tijd later blijkt dat een bijenzwerm een nest in het dode lichaam heeft gemaakt. Dat geeft Simson stof voor het raadsel, dat hij op zijn bruiloft opgeeft. Door de vrouw van Simson onder druk te zetten weten de Filistijnen op een slinkse manier achter de oplossing te komen. De diepste betekenis ervan begrepen ze echter niet. Met al hun slimheid geven ze echter Simson de mogelijkheid hen te benadelen. Want als Simson hen voor de juiste oplossing van het raadsel moet betalen, doodt hij dertig mannen van hun eigen landgenoten. Nadat zijn vrouw aan een ander is gegeven, ziet Simson daarin opnieuw een aanleiding om hen te treffen. Dit doet hij door 300 vossen met brandende fakkels het staande koren van de Filistijnen in te jagen, waardoor de oogst in vlammen opgaat. De Filistijnen verbranden daarop de vrouw van Simson en haar vader. Dat roept bij Simson ook weer reactie oproept. En hij sloeg hen, de schenkel en de heup, met een grote slag (Richt. 15: 8). Hierna gaat hij terug naar Israël, waar hij in een spelonk op de hoogte van de rots Etam gaat wonen.

Vossen
De ‘vossen’, waarvan in vers 4 en 5 van hoofdstuk 15 gesproken wordt, zijn mogelijk ‘jakhalzen’ geweest. In Israël wordt weinig verschil gemaakt tussen ‘vossen’ en ‘jakhalzen’.

De redenen van zijn verblijf in de deze rotssteen
Dat Simson ervoor kiest om in een afgelegen gebied, op een hoge rots, te gaan wonen, heeft verschillende redenen. Simson zoekt de eenzaamheid en aanvaardt op die manier zijn Nazireeërschap. Hij was immers afgezonderd. Daar in de eenzaamheid wacht hij tot hij een nieuwe taak zal krijgen en de Geest hem weer zal aangorden om zijn werk voort te zetten. (als mogelijk de Filistijnen hem op komen zoeken) Hij doet het ook om te voorkomen dat de Filistijnen wraak zullen nemen op de inwoners van de plaats, waar hij zich zou huisvesten. Nog een andere reden is: Simson heeft door zijn strijden tegen de Filistijnen getoond dat de Heere hem tot richter over Israël heeft aangesteld. Nu wacht hij in dit afgelegen gebied, in de rotssteen Etam, op de mannen uit zijn volk, zodat ze gezamenlijk tegen de vijand kunnen gaan vechten.

De mannen van Juda
De mannen van Juda komen, maar met een heel ander doel dan waar Simson op gewacht en gehoopt had. Deze mannen uit Juda, de koningsstam, die door Jakob op zijn sterfbed bij een ‘leeuw‘ werd vergeleken, tonen hier geen leeuwenaard. Ze vrezen voor de Filistijnen en hebben ook helemaal geen behoefte om tegen hun vijanden te gaan vechten. Ze willen met rust worden gelaten. Daarom nemen ze het Simson ook hoogst kwalijk dat hij wél tegen de Filistijnen heeft gestreden. In plaats van zich achter hem te scharen en zo samen tegen de vijand op te trekken, kiezen ze de weg van de minste weerstand. Het kan ook zijn dat er een stuk hoogmoed meespeelt. Simson kwam immers niet uit de stam van Juda, maar uit Dan.

List van de Filistijnen
De Filistijnen vallen Juda binnen. Het is hen daarbij niet om Juda te doen, maar om Simson. Eigenlijk willen ze het volk van Juda voor hun karretje spannen. Omdat ze Simson zelf niet gevangen durven te nemen, dragen ze de mannen uit Juda op dit te gaan doen. Op deze manier proberen ze een wig te drijven tussen Simson en het volk van Israël. Ze beseffen heel goed, dat Simson het volk van Juda kan verlossen uit hun macht. Simson laat zich echter door zijn volk binden en naar de vijand brengen.

Een ezelskinnebak als wapen
Een wapen heeft Simson echter niet, wel is er een overmacht aan vijanden die op hem afstormt. Als Simson om zich heen kijkt, ziet hij een ezelskinnebak, de kaak van een ezel, die nog vochtig is en dus ook stevig en hard, liggen. Daarmee doodt hij duizend Filistijnen. Mogelijk is het getal ‘duizend’ een symbolisch getal. Er wordt dan verwezen naar Deuteronomium 32 vers 30, waar staat: Hoe zou een enige duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, tenware dat hunlieder Rotssteen hen verkocht en de HEERE hen overgeleverd had. De Heere gebruikt een heel eenvoudig middel als wapen in de hand van Simson om zoveel vijanden te verslaan. Waarschijnlijk heeft hij zich daarbij naar twee kanten moeten verdedigen. (‘twee hopen’).

Zijn ‘lied’
Als Simson ziet dat alle Filistijnen óf gedood óf gevlucht zijn, gooit hij de ezelskinnebak weg en begint te zingen: Met een ezelskinnebak, één hoop, twee hopen; met een ezelskinnebak heb ik duizend man geslagen. In het Hebreeuws zit hierin een woordspeling. Het woord ‘ezel’ en het woord ‘hoop’ klinken in het Hebreeuws bijna hetzelfde. Vertaald zou het dan ongeveer hierop neerkomen: ‘Met een ezelskinnebak heb ik één ezel, twee ezels, met een ezelskinnebak heb ik duizend man geslagen’. Of: ‘Met een ezelskaak heb ik al die ezels geslagen’. Maar het is geen lied tot eer van de Heere Die hem de overwinning heeft gegeven. Het gaat in dit lied alleen over Simson: Ik heb... Het is alleen maar: Ik... ik... ik. Ík heb dat gedaan! De plaats, waar dit gebeurd is, noemt Simson: Ramath-Lechi. Dat betekent: ‘kaakbeenhoogte’ of ‘hoogte van de kinnebak’.

Simson door de Heere op zijn plaats gebracht/ Simson zingt opnieuw
Maar de Heere weet Simson door een heel gering middel wel op zijn plaats te krijgen. Simson krijgt heel erge dorst. Dorst is in het Midden-Oosten een verschrikkelijke vijand, want wie niet drinkt, droogt uit en sterft. Zo laat de Heere Simson voelen hoe zwak hij van zichzelf is. Dat brengt Simson tot het gebed en de erkentenis dat het de Heere alleen is, Die alle eer toekomt. Dan gaat Simson opnieuw zingen. Maar nu niet meer over zichzelf (over ‘ik’), maar nu is het een loflied tot eer van de Heere, waarin hij erkent en belijdt Wie de Heere is. ‘Gij hebt door Uw grote kracht dit werk gedaan’.
Tegelijk bidt hij of de Heere hem water wil geven. Waarom? Ook dat zal zijn tot eer van de Heere. Want als nu de Filistijnen terugkomen, dan is het verloren. Maar dan zal ook de Naam van de Heere onteerd worden. Dan zullen de Filistijnen zeggen: De Heere was niet machtig genoeg om Simson uit onze hand te redden. En dat gebed wordt door de Heere verhoord.

Simson, een geloofsheld
In Hebreeën 11 noemt Paulus een hele rij namen op van mensen die door het geloof hebben geleefd, en die door het geloof grote wonderen en tekenen hebben gedaan. En in die rij heeft ook Simson een plaats gekregen (Hebr. 11:22 en 23). Ondanks al zijn zonden, wordt ook Simson een geloofsheld genoemd. In zichzelf had Simson niets waarmee Hij voor de Heere kon bestaan. Hij was en bleef een zondaar. Maar door het geloof heeft hij mogen strijden. Simson was en bleef, net als al Gods kinderen, een tweemens. Als de Geest des Heeren over hem kwam, kon hij grote dingen doen; op die momenten was hij een type van de Heere Jezus. Maar als die Geest hem niet aangordde, viel Simson in allerlei zonden. Zonder de Heere kon Simson niets!

Simson, type (voorbeeld) van de Heere Jezus
Hieronder een aantal momenten (uit dit hoofdstuk):
• Simson is door de Heere apart gezet/afgezonderd en geroepen om zijn volk te verlossen en te strijden tegen de vijanden.
• Simson, een alleenstaande strijder. Staat niet aan het hoofd van een leger dat met hem vecht zoals de andere richters.
• Simson in zijn eenzaamheid.
• Simson zoekt het goede voor zijn volk.
• Als de mannen van Juda naar hem toekomen en hem niet erkennen als de door de Heere gegeven
• verlosser.
• Als de mannen van Juda komen, zoekt Simson niet zichzelf. Hij begint de strijd niet tegen hen. De Filistijnen hadden het liefst gewild dat Simson tegen zijn eigen volk had gestreden, maar wat er ook
• gebeurt, strijden tegen zijn eigen volk doet Simson niet; hoe erg hij ook door hen wordt gekwetst.
• Simson geeft zich in, tegendeel, gewillig aan hen over en laat zich binden en naar de vijand brengen.
• Hij strijdt tegen de vijanden en sluit op geen enkel moment een compromis met hen.
• Hij geeft – uiteindelijk – de Heere de eer.

Simson is niet in alle dingen een type van de Heere Jezus. Wel zijn er meerdere momenten aan te wijzen. De momenten, waarop dit niet zo is, riepen temeer om de komst van de Heere Jezus, Die volkomen volmaakt zou leven tot eer van Zijn Vader en Hem in alles zou verheerlijken.

De Heere de eer geven
Dat betekent: Hem in alles nodig te hebben en zonder Hem niets te kunnen en willen doen. Hem ook voor alles wat Hij schenkt te erkennen, en te belijden dat Hij het was Die het ons gaf. In afhankelijkheid van Hem te leven. (vgl. HC Zondag 34 vraag en antwoord 94 en Zondag 47, vraag en antwoord 122). Dan wordt de Heere groot en wij worden heel klein.

Wij zijn in het paradijs eerrovers van de Heere geworden. Van onszelf kunnen en willen wij de Heere nooit meer de eer geven. Maar de Heere belooft in Zijn Woord: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes. 43:21). Daarom is de Heere Jezus gekomen, Die altijd de eer van Zijn Vader bedoeld heeft. Hij kan en wil van eerrovers mensen maken, die de eer van de Heere weer gaan zoeken en bedoelen. Hier op aarde is dat nog zo onvolkomen. Maar straks zal al Gods volk voor eeuwig de Heere alle lof en eer mogen toebrengen. En dat volmaakt!

Verband met belijdenisgeschriften
• Heidelbergse Catechismus zondag 2, Ellende, verlossing dankbaarheid
• Heidelbergse Catechismus zondag 9 en 10, De voorzienigheid Gods
• Heidelbergse Catechismus zondag 12, vraag en antwoord 32, Waarom wordt gij een christen genaamd? ‘...opdat ik Zijn Naam belijde en mijzelf als een levend dankoffer Hem offere.‘

Zie ook Heidelbergse Catechismus zondag 16, antwoord. 43, het laatste stukje: ‘Maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.’

• Heidelbergse Catechismus zondag 21, De gemeenschap van Christus met Zijn Kerk
• Heidelbergse Catechismus zondag 19, vraag en antw. 52: ‘Die al Zijn en mijn vijanden... ‘

De Heere de eer geven:
Heidelbergse Catechismus zondag 34, antwoord 94: ‘De enige ware God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebben, vreze en ere.’

• Heidelbergse Catechismus zondag 47, (de eerste bede): ‘Geef dat wij U recht kennen en U in al uw werken (...) heiligen, roemen en prijzen.’


Antwoorden bij werkboekje groep 5 en 6

Weet je het nog?
Zet een rondje om het goede antwoord.
1. Simson woonde in Thimnath (e)/ op de rots Etam (s)
2. Daar kwamen de mannen uit Juda (e)/de Filistijnen (i) naar hem toe.
3. Het waren er wel duizend (m)/ drieduizend (n).
4. Ze wilden hem binden met twee nieuwe touwen (n)/ twee koperen ketenen (s).
5. Ze brachten hem naar de Filistijnen (a)/Edomieten (o).
6. Die begonnen te juichen (z) /te vechten (n) toen ze Simson zagen komen.
7. Simson vond een ossenstok (w)/ een vers ezelskinnebak (i).
8. Daarmee joeg hij duizend Filistijnen op de vlucht (a)/ doodde hij duizend Filistijnen (r).
9. Simson zong toen een lied tot eer van de Heere (s)/ tot eer van zichzelf (e).
10. De Heere liet Simson merken hoe sterk (r)/zwak (e) hij van zichzelf was.
11. Simson had opeens heel erge dorst (e)/honger (i).
12. Maar nergens was iets te eten (c)/ te drinken (r).
13. Toen ging Simson bidden tot de Heere (G)/een overwinningslied zingen (h).
14. De Heere gaf hem water (o)/manna (t).
15. Daarom noemde Simson die plaats ‘de hoogte van de kinnebak’ (e)/ ‘de fontein van de aanroeper’ (d).
16. Simson had wel (r)/ geen (s) leger soldaten dat hem hielp.

Antwoord
1. op de rots Etam
2. de mannen uit Juda
3. drieduizend
4. twee nieuwe touwen
5. Filistijnen
6. te juichen
7. een ezelskinnebak
8. doodde hij duizend Filistijnen
9. tot eer van zichzelf
10. zwak
11. dorst
12. te drinken
13. bidden tot de Heere
14. water
15. ‘de fontein van de aanroeper’
16. geen

Oplossing: Een nazireeër Gods

Om over te praten
1. Kies uit. Wat hoort bij Simson? Kleur het vakje (met een lichte kleur) of zet er een kruisje naast.
Antwoord: zijn leven aan de Heere wijden, geen druiven eten, zijn haar laten groeien, geen wijn drinken, heilig leven, de Heere dienen.

2. Simson vocht met een ezelskinnebak tegen de Filistijnen. De Heere gaf hem daarvoor wat hij nodig had. Het was tot eer van de Heere. Ook andere mensen hadden soms maar een heel eenvoudig middel, waarmee ze toch grote dingen mochten doen. Zoek bij elkaar wat de volgende mensen gebruikten en wat ze ermee deden.

Antwoord: David - een slinger en een/ steen/stenen – versloeg Goliath.
Mozes - een staf – sloeg ermee op de rots en er kwam water uit
Elia - zijn mantel – sloeg ermee op het water en er kwam een pad door de Jordaan.

3. Zoek op Richteren 15 vers 16 en 18. Simson zong twee keer een lied.
a. Het eerste lied van Simson was niet tot Gods eer. (vers 16). Waarom niet? Aan welk woord zie je dat? Hij geeft niet de Heere de eer, maar zichzelf. Dat zie je aan het woordje ‘ik‘.
b. En het tweede lied? (vers 18) Aan het woordje ‘Gij’.
c. Noem eens een lied, waarin de Heere de eer krijgt. Eigen antwoorden. Hierop zijn heel veel antwoorden mogelijk. In de Psalmen gaat het juist daar om!

4a. Wanneer eren we de Heere? Kies uit de volgende dingen. Zet een cirkel om de goede antwoorden. Antwoord:
als we zingen tot onze eigen eer – als we vragen wat de Heere wil dat we doen moeten – als we de Heere in alle dingen nodig hebben – als we denken dat we de dingen zelf wel kunnen doen – als we ons vertrouwen op mensen stellen – als we alle dingen van de Heere alleen verwachten – als we Hem eerlijk onze zonden belijden – als we proberen onze zonden voor te Heere te verbergen – als we de Heere bidden om vergeving – als we Hem al onze zorgen en moeiten vertellen – als we zonder Hem niet meer kunnen leven – als we Hem danken voor alles wat Hij ons geeft
Of: a. Als we vragen wat de Heere wil dat we doen moeten, als we de Heere in alle dingen nodig hebben, als we alle dingen van de Heere alleen verwachten, als we Hem eerlijk onze zonden belijden, als we de Heere bidden om vergeving, als we Hem al onze zorgen en moeite vertellen, als we zonder de Heere niet meer kunnen leven, als we Hem danken voor alles wat Hij ons geeft.
b. Dat kunnen we pas echt als we de Heere kennen met ons hart. (Zondag 47, Uw Naam worde geheiligd: ‘Geef dat wij U recht kennen en U in al Uw werken (...) heiligen, roemen en prijzen).
c. Nee, want de Heere wil ons helemaal hebben, ook ons hart.

Puzzel
In het werkboekje staat een zin in geheimschrift. Zoek de tekens op en schrijf de letters in het vakje eronder.

Oplossing: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote werk gedaan


Antwoorden bij werkboekje groep 7 en 8

Waar/niet waar?
Lees de zin. Kies uit: waar of niet waar. Zet een rondje om de letter in het goede hok.

Waar Niet waar

1. Hij ging wonen op de rotssteen Etam. e* s*
2. Daar kwamen de mannen van Dan naar hem toe. l e
3. Het waren er wel tweeduizend. m n
4. Zij wilden hem binden met twee koperen ketenen. s n
5. Zo brachten ze hem naar de Filistijnen. a o
6. Toen die Simson zagen, begonnen ze te juichen. z n
7. Simson vond een oude ezelskinnebak. w i 8. Daarmee versloeg hij duizend Edomieten. z r
9. Simson zong een lied tot eer van zichzelf. e s
10. De Heere liet hem merken hoe zwak hij zelf was. e r
11. Simson was plotseling heel moe en had honger. I e
12. Simson ging danken. c r
13.Hij gaf de Heere de eer van de overwinning. g* h*
14. De Heere gaf hem water. o t
15. Dat kwam uit de rotssteen. e d
16. Simson noemde die plaats: ‘de fontein van de aanroeper’. s r

Antwoord: Een nazireeër Gods

Om over te praten
1. Kies uit. Wat moest een Nazireeër doen? En: wat mocht hij juist niet doen?
a. Een Nazireeër moest: zijn leven aan de Heere wijden, zijn haar laten groeien, heilig leven.
b. Dit mocht een Nazireeër níet: wijn drinken, voedsel eten wat onrein was, druiven eten, een dode aanraken, zijn haar afknippen, dingen eten die van de wijnstok kwamen.

2. Simson vocht met een ezelskinnebak tegen de Filistijnen.
Ook andere mensen hadden soms maar een heel eenvoudig middel, waarmee ze toch grote dingen mochten doen. Zoek bij elkaar wat deze mensen gebruikten en wat ze ermee deden.

Antwoord: David – slinger en steen – versloeg Goliath
Mozes – een staf - sloeg op de rots en er kwam water uit
Elia - zijn mantel – sloeg ermee op het water en toen kwam er een pad
Elisa - een stuk hout – het ijzer van de bijl kwam boven drijven
Samgar – een ossenstok – versloeg 300 Filistijnen

3. Schrijf drie momenten op waarin Simson zich eenzaam voelde.
Antwoord: Toen hij heel alleen op de rots Etam woonde. Toen de mannen uit Juda kwamen om hem gevangen te nemen. Toen ze hem bonden en naar de Filistijnen brachten. Toen hij alleen tegen de Filistijnen streed. Toen hij 1000 Filistijnen versloeg. Toen hij heel erge dorst had. Toen hij de Heere de eer gaf van de overwinning.

4. Simson was door de Heere, al voor zijn geboorte, apart gezet.
Wat betekende dat voor Simson? Welke opdracht kreeg hij? Wat moest hij gaan doen? Antwoord: Simson was een Nazireeër Gods. Hij moest zijn leven wijden aan de Heere en tot Zijn eer leven. Hij kreeg een bijzondere opdracht: het volk van Israël gaan verlossen van de Filistijnen.

5. Ook wij zijn al vanaf onze geboorte door de Heere apart gezet
Je ziet hier twee stukjes uit het Doopformulier.
a. In het eerste vak lees je hoe de Heere wil dat wij zullen leven. Wat zou er met ‘een godzalig leven’ worden bedoeld? Probeer dat eens met eigen woorden te zeggen. Een leven, zoals de Heere dat wil (dat lezen we in de Wet), een leven tot Zijn eer.
b. Kijk nu eens naar het tweede vak. Simson moest strijden. Waartegen moeten wij strijden? (Drie dingen). Zet er een streepje onder. De wereld, de duivel en ons eigen vlees
c. Hoe moeten we dat doen? Dat kunnen we alleen door de kracht van de Heere. Als Hij ons bekeert en ons dat leert, en ons daarbij helpt.

6. Simson zong een lied. Zoek eens op Genesis 4 vs. 23. Daar gaat het over Lamech, die ook een lied zong.
a. Wat is bij Lamech en Simson hetzelfde? Ze zongen allebei tot eer van zichzelf: het lied van Lamech helemaal en bij Simson het eerste lied.
b. Wat is anders? Simson mocht door genade later, de tweede keer, ook zingen tot eer van de Heere.
c. Noem eens mensen, die zongen/spraken zoals Simson de eerste keer deed. Voorbeelden: Goliath, koning Nebukadnezar, koning Beltsazar, farizeeër in de gelijkenis (die zei: Ik dank U., Heere, dat ik niet ben zoals die tollenaar...). En nog vele anderen.
d. Noem ook eens mensen, die Simsons ‘tweede lied’ zongen. Voorbeelden: Mozes en het volk van Israël bij de Rode Zee, Hanna, Maria (de moeder van de Heere Jezus), Elisabet, Zacharias, Simeon, Paulus en Silas in de gevangenis van Filippi, de tollenaar uit de gelijkenis, Daniël (toen hij tot de Heere bad en belijdenis deed van zijn zonde en die van zijn volk), Josafat (In ons is geen kracht tegen die grote menigte, maar onze ogen die zijn op U), Abraham (ik heb mij onderwonden te spreken, hoewel ik stof en as ben). En nog vele anderen.

Puzzel
Antwoord: Simson een alleenstaande strijder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 2024

Kompas Handleiding | 20 Pagina's

Handleiding 7: Het lied van Simson

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 2024

Kompas Handleiding | 20 Pagina's