Handleiding 2: Amazing grace, het lied van John Newton
Jaarthema: ‘Zing een lied voor de Heere’
Toelichting op het thema
Dit jaar is het thema voor Kompas: “Zing een lied voor de Heere.” In deze schets bij dit thema gaat het over John Newton, die leefde van 1725 tot 1807. Het is dan ook een kerkgeschiedenisschets, die goed gebruikt kan worden in de periode rond Hervormingsdag. John Newton is de dichter van het lied Amazing grace, dat wereldwijd bekend is en gezongen wordt.
Doel van de vertelling
De kinderen horen de geschiedenis van John Newton. Ze horen hoe hij eerst bewust leefde zonder God maar ook hoe de Heere zijn leven veranderde. Hij werd predikant en was diep doordrongen van het wonder dat het genade was, ‘amazing grace’ dat de Heere hem gered had van zijn zonde en schuld. De kinderen zien hoe dit lied wereldwijd bekend is geworden.
Introductie van het thema voor de kinderen
Koop bij de Hema of in een andere winkel een chocolade medaille (‘goud’) en ook zakjes chocolade munten, zodat er voor elk kind in ieder geval 1 chocolade munt is. Als het niet te duur is, zou het het mooiste zijn, om voor alle kinderen zo’n medaille te kopen, maar je kunt het dus ook bij munten laten. Houd de zakjes met munten of de medailles nog weg en laat die ene medaille zien. Neem ook een grote foto mee van iemand van wie je veel houdt. Houd ook die foto nog even weg. Wat moet je er voor doen om een medaille te krijgen? Een prestatie leveren! Je moet hem verdienen! Iets doen met gym, of alle antwoorden goed hebben bij een quiz. Sporters kunnen een gouden plak verdienen, omdat ze de beste ergens in zijn.
En als je die medaille nou krijgt, als je verloren hebt? Of als je er niets voor gedaan hebt? Dat klopt niet.
Pak dan de foto en zeg: ik wil die medaille gaan geven aan (je noemt de naam van wie op de foto staat). Waarom? Omdat ik van hem/haar hou! Heeft hij/zij dan een wedstrijd gewonnen? Nee, ik geef die medaille ook niet omdat hij/zij die verdiend heeft, maar omdat ik die medaille gewoon graag wil geven. Zomaar. Uit liefde.
Noem nu het woord: GENADE. Wat heeft dat met dit voorbeeld te maken? Juist. Genade is dat je iets krijgt, wat je niet verdient. En nog veel dieper! Dat ga je horen als ik je vandaag een verhaal uit de kerkgeschiedenis ga vertellen.
Als je wilt, kun je nu gaan vertellen. Je kunt ook het volgende er nog aan toe voegen.
En dat heeft alles te maken met een lied, het lied “Amazing grace”. Dat betekent: Wonderlijke genade. Laat nu (op je mobiel) de eerste regels van dit lied horen. https://www.youtube.com/watch?v=K_rkQWgSiCQ (Begint instrumentaal, misschien is dat al voldoende.)
Tip hierbij voor tijdens de vertelling
Aan het einde van de vertelling staat dat Newton zijn lied gaat schrijven. Het is het mooiste, als je die eerste twee Engelse regels dan ook daadwerkelijk zingt!
Kom aan het einde van de vertelling of van de club-bijeenkomst op dit voorbeeld terug en deel dan de munten uit of, de medailles. Niet verdiend, zomaar gekregen!
Zingen en lezen
Zingen
• Psalm 107 : 12, 13, 15, 16
• Psalm 103 : 2, 3
• Psalm 86 : 3, 6
• Psalm 32 : 3, 4
• Psalm 68 : 10, 11
• TZE Lied 10 : Amazing grace
• TZE Lied 112 : Wondere genade (Vertaling Amazing grace, door ds. C.J. Meeuse)
• TZE Lied 27 : Een vaste burcht
• TZE Lied 28 : Eens was ik een vreemd’ling
Lezen
1 Timotheüs 1: 1, 2, 12 – 17
Kerntekst
1 Timotheüs 1: 15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
Vertelling
Genade groot
“Weet je zeker dat we de goede kant op gaan?” John haalt zijn schouders op. “Weet jij het wel dan?” Zijn maat slaakt een zucht, terwijl hij even stilstaat en een slok water neemt. “We hadden er niet meer op uit moeten gaan. Wat kan ons dat vlees van die buffel schelen, we hebben genoeg eten aan boord. Het wordt donker. Straks worden we nog aangevallen door een tijger. Laten we terug gaan.” Even staan de mannen stil. John Newton tuurt naar de lucht. Het wordt inderdaad donker. Waarom is hij zo dom geweest om geen kompas mee te nemen van het schip?
Het is in de herfst van het jaar 1747. Het schip waar ze op varen, ligt voor de kust van Afrika voor anker. John was die ochtend met een paar maats op jacht gegaan om hun voedselvoorraad wat aan te vullen. Ze hadden een buffel geschoten en een deel van het vlees meegenomen naar het schip. In de loop van de middag zijn ze op pad gegaan om de rest op te halen. Wat dom dat ze niet eerder zijn weggegaan. Ze kunnen de plek niet meer terugvinden en nu zijn ze verdwaald. Ze moeten inderdaad terug. Dan maar zonder vlees.
De mannen zwoegen verder. Af en toe kappen ze planten af die over het pad groeien. Het is nu helemaal donker geworden. Het is bewolkt, er is geen ster te zien. Ze geven hun ogen goed de kost, op hun hoede voor slangen of wilde dieren. Af en toe klinkt een angstaanjagend gebrul door het donker. Ze zwijgen en lopen stug verder. Maar ze zien geen enkel herkenningspunt in de wildernis. “Zou ik nu toch niet meer in Engeland terug komen?” denkt John. Hij denkt aan zijn vader en aan Mary, het meisje waar hij van houdt. Hoeveel jaren hebben ze niet op hem gewacht? Gewacht, tot hij weer terug zou komen? Maar John had het veel te goed naar zijn zin in zijn vrije leven. Eerst op een oorlogsschip, later in dienst van een slavenhandelaar in Afrika. Hij verdiende goed, hij kon doen en laten wat hij wilde. Niemand hoefde hem te zeggen wat hij wel of niet mocht doen. Totdat… John door een ruzie met zijn baas zelf een slaaf geworden was. Gevangen aan de kust van Afrika. Hij werd ziek en kreeg bijna geen eten meer. Tenslotte was een kapitein die met zijn vader bevriend was, hem op het spoor gekomen en had hem meegenomen op zijn schip.
Nu is hij alweer maanden aan boord van de ‘Greyhound’, die rond de kust van Afrika vaart om goud en andere kostbaarheden in te kopen. Voorlopig gaan ze nog niet naar huis. Eerst gaan ze nog naar Brazilië en Canada, dan pas zullen ze weer op Engeland aankoersen. En dan… Dan zal hij Mary weer zien. En zijn vader…
“Kijk, daar komt de maan door!” Zijn maat blijft staan en trekt hem aan zijn mouw. John ziet het. “Dan is daar het oosten,” wijst John. “We moeten proberen iets meer rechts aan te houden.” En verder lopen ze weer. Het maanlicht geeft gelukkig wat meer licht op het pad. De begroeiing wordt nu ook wat minder dicht. John rilt. Nog steeds is hij slecht op zijn gemak. Er hoeft maar een giftige slang tevoorschijn te schieten en het is gedaan met hen. Bij die gedachte rilt hij weer. Aan de dood denkt hij niet graag. Als het waar is, wat zijn moeder hem vroeger vertelde, dat God je oordeelt als je sterft… dan zal hij er niet best afkomen. Hoeveel keer heeft hij niet gevloekt in de afgelopen maanden? Hij maakte er bijna een spelletje van om steeds weer nieuwe vloeken te bedenken. Zelfs de scheepsmaats, die zelf toch ook geen lieverdjes zijn, zeiden dat hij nu maar eens moest stoppen. En de kapitein was er boos om geworden. Het is maar goed dat zijn moeder dat niet meer weet… Als John aan haar denkt, wordt hij even verdrietig. Toen hij nog maar een kleine jongen was, is zijn moeder gestorven. Hij hield veel van zijn moeder. Zij had de Heere lief. Ze zou veel verdriet hebben gehad als ze wist hoe hij nu leefde…
“Hoor eens…” Zijn maat trekt hem opnieuw aan zijn mouw. “Ik hoor de zee!” John staat stil en luistert. “Ja, je hebt gelijk! We zijn in elk geval op de goede weg!” Opgelucht lopen ze verder. Hun voeten beginnen pijn te doen, maar ze letten er niet op. Als ze maar eerst bij het schip terug zijn!
De zon is al opgegaan als John en zijn maat eindelijk hun schip bereiken. Moe vallen ze in hun kooi in slaap. Even later licht het schip zijn anker en zet het koers naar Brazilië.
“Ik ga mijn kooi opzoeken.” John rekt zich uit en staat op. Het is bijna een half jaar later, 9 maart 1748. Het is laat in de avond. Hun schip ‘ Greyhound’ vaart midden op de Atlantische Oceaan. Een paar weken geleden zijn ze uit Canada vertrokken en nu koersen ze eindelijk op Engeland aan. Er is een westerstorm opgestoken. Dat is goed, vinden de mannen, want die blaast hen precies de goede kant uit. John zegt zijn maats gedag en vertrekt naar beneden. Als hij in zijn kooi komt, hoort hij de westenwind loeien. Het schip deint hevig op de golven. Maar dat is hij wel gewend. Het duurt niet lang of hij is in een diepe slaap gevallen.
Plotseling schiet John overeind. Wat is dat? Voorzichtig voelt hij naast zich, om licht te maken. Koud water spat plotseling over zijn handen heen. Water in de hut! John springt uit bed en zoekt zijn kleren. Hij vindt ze, half nat van het water. Maar zonder na te denken, trekt hij ze aan. Hij stapt in zijn laarzen en trekt de deur van de kajuit open. De koude wind komt hem tegen. Hij rent naar de ladder die naar het dek voert. “Ga naar mijn hut en haal een mes!” roept de kapitein vanaf het dek. John draait zich om. Zijn maat schiet hem voorbij, de ladder op. Plotseling hoort hij een schreeuw. Hij ziet nog net hoe zijn maat bovenaan het trapgat gegrepen wordt door een hoge golf. Dan verdwijnt hij in de kolkende zee. John staat als versteend. Daar zou hij gelopen hebben, als… Dan zou hij nu in de golven verdwijnen… voor Gods rechterstoel moeten verschijnen… Maar er is geen tijd om na te denken. John rent de hut van de kapitein binnen. Hij moest een mes gaan halen.
Als hij even later het luik naar het dek openduwt, wordt hij zelf ook bijna omvergeblazen door de storm. Kruipend over het dek, zich zo goed mogelijk vasthoudend waar hij zich maar vastgrijpen kan, gaat hij naar de kapitein. Schreeuwend geeft de kapitein bevelen aan de mannen. Een van de masten is gebroken en er moeten touwen doorgesneden worden om te voorkomen dat ook het andere deel zal breken. Bliksemflitsen volgen elkaar voortdurend op en de donder komt haast niet boven het geloei van de storm uit. Het schip deint als een speelbal op de golven. Terwijl John de bevelen van de kapitein opvolgt, flitsen er allerlei beelden door zijn hoofd. Mary, zijn vader… Het is bijna onmogelijk dat hij hen ooit nog zal zien.
Het is vroeg in de ochtend. De wind is wat gaan liggen, maar de zee is nog steeds onrustig. Wonder boven wonder heeft het schip het tot nu toe nog gered. Hard werken de mannen om het water uit het schip te pompen. Anderen stoppen de scheuren in het schip dicht met alles wat maar voor handen is. Ze moeten blijven drijven! “Als dit niet lukt, mag God ons genadig zijn,” zegt John tegen de kapitein. De kapitein kijkt hem nors aan. John weet wel waarom. Hij schrikt zelf van zijn eigen woorden. Genade voor hem? Hoe zou dat kunnen?
Tot tegen de middag blijft John pompen. Dan kan hij niet meer. Even uitrusten beneden… Maar dat duurt niet lang. “John!” Een matroos komt zijn hut binnen. “De kapitein zegt dat je het roer moet nemen!” John haast zich naar boven. Terwijl hij aan het roer staat, gaan zijn gedachten naar zijn moeder. Wat heeft ze hem vaak uit de Bijbel voorgelezen. Hij weet nog heel goed wat daarin staat. “Als de Bijbel waar is, is er geen grotere zondaar dan ik,” denkt John. Alles wat God verbood, heeft hij gedaan. Tegen elk gebod heeft hij gezondigd. En nog… heeft God hem niet weggenomen
Het is vier dagen later. “Land in zicht!” John schrikt wakker. Hoorde hij het goed? Snel rent hij zijn hut uit en botst bijna tegen een van zijn maats aan. Ze hebben zich tot nu toe in leven kunnen houden met het kleine beetje eten en schoon water dat ze aan boord hebben. Nauwelijks genoeg voor een hele week. Maar nu… land in zicht? Dan zijn ze gered! De scheepslui drommen samen op het dek. De wacht wijst naar het oosten. Ja, daar zien ze in het rood van de eerste zonnestralen berghellingen liggen. “Ierland!” roept iemand. “Ja, de westkust van Ierland waarschijnlijk,” zegt de kapitein. “Mannen, haal ons laatste vat brandewijn!” Dat laten de matrozen zich geen twee keer zeggen. Nog even en ze kunnen zich aan meer dingen warmen dan aan een beker brandewijn. Een warm bed, een knappend haardvuur, warme aardappels en soep… Opgetogen staan de mannen bij elkaar. De opkomende zon verlicht hun blije gezichten. Plotseling kan er weer gelachen worden. Ze raden hoeveel kilometer het nog is naar de kust. Dertig? Of minder misschien? Een van de matrozen tuurt naar het oosten. “Die bergen zijn toch niet zo dichtbij als ik dacht…” zegt hij twijfelend. ´Het lijkt wel of ze omhuld worden met mist.” De gesprekken verstommen. Iedereen tuurt nu naar het oosten, waar de zon steeds krachtigere stralen over de horizon werpt. En met het opkomende licht… verdwijnen de bergen. Het was een luchtspiegeling, die hen bedroog. Het is stil. Op de gezichten van de mannen staat diepe teleurstelling en wanhoop te lezen. Ze zijn nog steeds midden op de oceaan. En waar? Niemand die het weet.
Zwoegend staat John aan de pomp. De honger knaagt aan hem. De harde wind slaat steeds weer nieuw water binnenboord. De wind is gedraaid in de afgelopen nacht. Ze moeten naar het oosten, maar de harde zuidoosten wind drijft hen juist de andere kant op. Er is bijna geen eten meer. Zullen ze nu, in plaats van te verdrinken, de hongerdood moeten sterven?
Het humeur van de kapitein wordt er ook niet beter op. Steeds loopt hij met een woedende blik in zijn ogen naar John te kijken. “Jij bent de schuld van alle ellende,” zegt hij. “Jij vloeker en spotter. We hadden je niet mee moeten nemen. Nu straft God ons voor jouw zonden. Eigenlijk zouden we je overboord moeten gooien, net als Jona.” John zwijgt. Hij weet het: de kapitein heeft gelijk: hij is een grote zondaar. Maar toch… als hij even alleen is, gaat er telkens een gebed uit zijn hart op tot God. Geen gebed met mooie woorden, het is maar een schreeuw tot God. Ja, hij is bang. Maar zijn hoop op God is toch sterker.
“Zie ik het goed? Kijk jij ook eens.” De wacht roept John naar de voorplecht. Hij tuurt in de verte. Het lijkt wel… “Het zouden kliffen kunnen zijn,” zegt John aarzelend. “Ja,” zegt de wacht, “dat dacht ik ook.” Ze blijven nog een poosje stil in de verte staren. Ze roepen hun maats er nog niet bij, bang voor weer een teleurstelling. Maar kijk, de kliffen aan de horizon worden steeds duidelijker. Naast de boot klinken plotseling kreten van zeevogels. Verrast kijkt de wacht John aan. “Vogels!” zegt hij, ‘Dan is er land!” Nu schreeuwt hij het ook naar de rest van de bemanning: “Land in zicht!” De mannen komen aanlopen met een onzekere blik in hun ogen. Maar als ze de kliffen zien en de vogels horen, is het hen duidelijk: deze keer is het geen bedrog! Voor hen ligt de kust van Noord-Ierland.
----------
Het is 24 jaar later. In de pastorie van het dorpje Olney zit de dominee achter zijn bureau. Een laag winterzonnetje schijnt door het raam. Het jaar is bijna voorbij. Dominee John Newton is bezig met zijn preek voor de nieuwjaarsdienst. Voor hem ligt de Bijbel open, bij het hoofdstuk 1 Kronieken 17. Hij wil gaan preken over David. David wilde een huis voor de Heere bouwen, maar de Heere zei: “Nee David, niet jij, maar je zoon zal dat doen. En Ik zal met hem zijn en het koningschap van jouw huis zal eeuwig duren.” Wat een rijke belofte gaf God daar aan David. Vol verwondering knielde David neer en bad: “Wie ben ik, Heere God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”
Ja, over die tekst zal dominee Newton preken op nieuwjaarsdag. Hij staart naar buiten en zijn gedachten gaan terug. Wat David hier zegt, dat is precies wat hij zelf vanbinnen voelt. Waar heeft hij, John Newton, het aan verdiend dat hij nu dominee mag zijn? Hij denkt weer terug aan die dag op 8 april, nu ruim 24 jaar geleden. Het schip was de haven aan de Ierse kust binnengezeild. Eigenlijk was het niet eens een schip meer, het was gewoon een wrak. Nog kan hij zich het gevoel herinneren dat hij toen had. Veilig! In de nacht nadat ze binnengekomen waren, was er weer een vreselijke storm opgestoken. Wat, als ze toen nog op zee waren geweest? Maar nee, de Heere had het zo geleid dat ze in de veilige haven waren. Dat was iets wat John absoluut niet had verdiend. John had zich heel klein gevoeld. Vanaf die tijd wilde hij nog maar één ding: leven voor die God, Die hem had gered. Dat was met vallen en opstaan gegaan, maar de Heere heeft hem nooit verlaten.
Er komt een grote blijdschap in het hart van dominee Newton. Hij trekt zijn jas aan en loopt naar buiten. Net als David zou hij nu de Heere wel willen danken voor Zijn genade. Hij kan wel zingen van blijdschap. In zijn hart komen woorden en zinnen, ze worden een lied. Als hij weer thuiskomt, pakt hij zijn inktpot en begint te schrijven:
‘Amazing grace - how sweet the sound – that saved a wretch like me…’
Genade, zo oneindig groot,
dat ik, die ’t niet verdien,
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ’k zien.
Ja, John Newton had vreselijk met de Heere gespot, maar God had hem niet losgelaten. De ganzenveer krast over het papier.
Genade toonde mij mijn schuld
En heeft mij vrijgekocht.
Gena heeft mij met dank vervuld,
Toen ik geloven mocht.
Dankbaar, dat mag hij wel zijn. De Heere gaf dat hij getrouwd is met Mary, het meisje dat zo lang op hem gewacht had. Samen mogen ze de Heere dienen. John weet niet welke stormen er nog op zijn levensreis zullen komen. Maar één ding weet hij wel: eens komt hij thuis, bij de Heere, zoals het schip in de haven. En weer gaat de ganzenveer over het papier:
Door veel gevaren ging mijn reis,
Door tegenspoed en kruis.
Genade heeft mij steeds geleid,
Genade brengt mij thuis.
De zon gaat onder. Het wordt donker buiten. Maar in het hart van John Newton is het licht.
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte voor leidinggevenden
John Newton
John Newton is op 24 juli 1725 geboren in Wapping, een voorstadje van Londen, gelegen aan de Thames. Twee dagen later werd hij gedoopt in de Old Gravel Lane Independent Meeting, de gemeente waartoe zijn moeder behoorde. Zijn vader die van beroep zeekapitein was, was anglicaan. Johns moeder had een zwakke gezondheid. Zij vreesde de Heere. John was haar enige kind. Elizabeth Newton leerde haar zoon de Korte Catechismus, opgesteld op de synode van Westminster, een aantal catechismi opgesteld door Isaac Watts, en daarnaast diens gezangen voor kinderen. Haar diepste wens was dat haar zoon predikant zou worden. John was nog geen zeven jaar toen zijn moeder aan tuberculose overleed. Tuberculose was toen een ziekte nog meer gevreesd dan kanker nu. Het zaad dat zijn moeder had gestrooid, ontkiemde jaren na haar dood. John Newton bracht twee jaar door op een kostschool, voordat hij in Aveley in Essex ging wonen, het huis van zijn vaders nieuwe vrouw.
Op elfjarige leeftijd ging John Newton voor het eerst met zijn vader mee naar zee. Newton voer zes reizen mee voordat zijn vader in 1742 met pensioen ging. In die tijd maakte zijn vader plannen voor hem om op een suikerrietplantage in Jamaica te gaan werken. In plaats daarvan nam Newton dienst op een koopvaardijschip dat naar de Middellandse Zee voer.
In 1743, toen hij vrienden ging bezoeken, werd John Newton bij de Royal Navy ingelijfd. Hij werd midscheepsman aan boord van de HMS Harwich. Op een gegeven moment probeerde Newton te deserteren en werd daarvoor gestraft ten overstaan van de 350 bemanningsleden. Tot op zijn middel uitgekleed en vastgebonden aan het rooster, kreeg hij acht dozijn zweepslagen en werd gedegradeerd tot een gewone zeeman.
Na deze schande en vernedering overwoog Newton aanvankelijk de kapitein te vermoorden en zelfmoord te plegen door zich overboord te gooien. Hij herstelde, zowel lichamelijk als geestelijk. Later, terwijl de Harwich op weg was naar India, stapte hij over op de Pegasus, een slavenschip met bestemming West-Afrika. Het schip vervoerde goederen naar Afrika en verhandelde deze voor slaven die naar de kolonies in het Caribisch gebied en Noord-Amerika werden verscheept.
Newton kon niet overweg met de bemanning van de Pegasus. In 1745 lieten ze hem in West-Afrika achter bij Amos Clowe, een slavenhandelaar. Clowe bracht Newton naar de kust en gaf hem aan zijn vrouw, prinses Peye van het Sherbro-volk. Zij misbruikte en mishandelde Newton evenzeer als haar andere slaven. Newton vertelde later over deze periode als de tijd dat hij “eens een ongelovige en libertijn was, een slavenknecht in West-Afrika.”
Begin 1747 werd hij gered door een zeekapitein, die door Newtons vader was gevraagd hem te zoeken. Op diens koopvaardijschip Greyhound zou hij aan het einde van de handelstocht weer terug keren naar Engeland. Bij deze terugreis vindt de beslissende wending in Newtons leven plaats, op 10 maart 1748, in de vreselijke storm die het schip teisterde. Die datum zou hij de rest van zijn leven blijven herdenken. Vanaf dat moment vermeed hij godslastering, gokken en drinken. Later zei hij dat zijn echte bekering pas enige tijd later plaatsvond: hij schreef in 1764 “Ik kan mezelf niet beschouwen als een gelovige in de volle betekenis van het woord, dat was pas geruime tijd later.”
Nooit meer wilde hij vergeten, wie hij tevoren was geweest en wat God aan hem gedaan had. Daarom deed hij iets wonderlijks. Boven de schoorsteenmantel van zijn studeerkamer schreef hij later in grote letters aan de wand de woorden uit Deut. 15:15: `En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht (slaaf) in Egypteland geweest zijt en dat u de Heere, uw God, verlost heeft...
In Engeland aangekomen bezocht hij Mary Catlett, het meisje op wie hij voordat hij bij de marine ging, verliefd was geworden. Newton was de jaren erop eerst stuurman en later kapitein op een slavenschip. Hij behandelde de slaven op menselijke wijze maar zag pas later het zondige van de slavenhandel als zodanig in. Vóór zijn vertrek naar zee deed hij Mary Catlett per brief een aanzoek.
Toen hij terugkwam van zijn eerste zeereis als stuurman vroeg hij Mary metterdaad ten huwelijk en op 1 februari 1750 werden ze in de echt verbonden. Het werd zeer goed huwelijk. Newton was bijzonder ge[1]steld op Mary, die hij liefkozend Polly noemde. Hij vroeg zich vaak af of hij niet zelfs niet te sterk aan haar verbonden was. Geestelijk was Mary nog onkundiger dan Newton. Newton werd echter gedrongen door de begeerte God nader te leren kennen en werd zo een geestelijke gids voor zijn vrouw.
Tijdens zijn tweede reis als kapitein ontmoette Newton in de zomer van 1754 in St. Kitts in West Indië Alexander Clunie. Dit contact is voor Newton heel belangrijk geweest. Mede door het onderwijs van Clunie werd Newton een welbewust calvinist. Newton kreeg zicht op het feit dat het verbond der genade eeuwig en onwankelbaar is. Omdat het verbond van genade gefundeerd is op Christus’ Middelaarswerk en niet op de prestaties van de gelovigen, is het onmogelijk uit dit verbond te vallen. Het verbond van genade, dat wezenlijk van het verbond der werken verschilt, is de bron van troost en kracht voor een christen.
Van 1755 tot 1764 was Newton werkzaam bij de douane in Liverpool. In kleine kring begon hij de Schriften uit te leggen. Op een gegeven moment ging hij in gemeenten van afgescheidenen het Woord bedienen. Op ongedachte wijze ging de deur voor het predikantschap in de Anglicaanse Kerk voor hem open. Na de gemeente van Olney, diende hij van 1780 tot aan zijn dood in 1806 die van St. Mary Woolnoth in het hartje van Londen. Hier had hij veel invloed op mensen, waaronder William Wilberforce. (zie onder kopje ‘slavenhandel’). Newton preekte en bleef dat doen tot zijn dood, ondanks het feit dat hij blind geworden was. Aan het einde van zijn leven begon zijn geheugen hem in de steek te laten. Meer dan eens betuigde hij in die tijd dat hij nog altijd wist dat hij een groot zondaar was en Christus een groot Zaligmaker.
Slavenhandel
John Newton keerde in 1748 terug naar Liverpool, een belangrijke haven voor de zogenaamd Triangle Trade. Mede door de invloed van zijn vaders vriend Joseph Manesty kreeg hij een positie als eerste stuurman aan boord van het slavenschip Brownlow. Het schip voer via de kust van Guinee naar West[1]Indië. Na zijn terugkeer in Engeland in 1750 maakte hij drie reizen als kapitein van de slavenschepen Duke of Argyle (1750) en African (1752-53 en 1753-54). Na een zware beroerte in 1754 gaf hij de zeevaart op, maar bleef ondertussen investeren in de slavenhandel van Manesty.
Nadat Newton naar de stad Londen was verhuisd als rector van St Mary Woolnoth Church, droeg hij bij aan het werk van het Committee for the Abolition of the Slave Trade, dat in 1787 werd opgericht. In die tijd schreef hij ‘Gedachten over de Afrikaanse slavenhandel’. Hierin stelt hij: “Er is door vele bekwame pennen dusdanig veel inzicht verkregen over dit onderwerp; en zoveel achtenswaardige personen hebben zich reeds verplicht hun uiterste kracht in te zetten voor het opheffen van de slavenhandel, die in strijd is met het menselijk gemoed; dat men hoopt, dat deze smet op ons Nationaal Koninkrijk spoedig zal worden uitgewist”.
In 1788, 34 jaar nadat hij zich had teruggetrokken uit de slavenhandel, verbrak Newton een lang stilzwijgen over het onderwerp. Dat deed hij met de publicatie van een krachtig pamflet Thoughts Upon the Slave Trade. Daarin beschreef hij de gruwelijke omstandigheden van de slavenschepen tijdens de scheepvaart. Hij verontschuldigde zich voor “een bekentenis, die … te laat komt …. Het zal altijd een onderwerp van beschamende herinnering voor mij zijn, dat ik ooit een actief instrument was in een zaak waarvoor mijn hart nu huivert.” Hij liet exemplaren sturen naar elk parlementslid. Het pamflet verkocht zo goed dat het snel herdrukt moest worden.
William Wilberforce was een Engels parlementariër, lid van de gemeente en vriend van John Newton en leider van de anti-slavernijbeweging. Hij overwoog om zijn positie in het parlement op te geven, maar onder anderen John Newton overtuigde hem ervan dat God hem wellicht met een reden in het parlement had geplaatst. Zijn christelijke overtuiging was voor hem de drijfveer om als voorvechter op te werpen voor de afschaffing van slavernij. Op 12 mei 1789 hield hij zijn eerste toespraak tegen de slavernij in het parlement en vanaf toen was hij een van de leidende figuren in de beweging. Alhoewel de meeste van zijn partijgenoten niet meewerkten, hield hij vol en uiteindelijk werd in 1807 een wet aangenomen die slavenhandel illegaal maakte.
Eigen levensbeschrijving
In 1764 verscheen zijn levensverhaal in een veertiental brieven. Ze zijn te vinden onder de volgende link: https://theologienet.nl/bestanden/newton-john-levenshistorie.pdf
Amazing grace
In 1767 verhuisde dichter William Cowper naar Olney. Hij ging naar de kerk van Newton en werkte samen met de predikant aan een bundel hymnen. Deze zijn in 1779 gepubliceerd als Olney Hymns. Dit werk had een grote invloed op de Engelse hymnologie. De bundel bevatte Newtons bekende hymnen. “Glorious Things of Thee Are Spoken,” “How Sweet the Name of Jesus Sounds!, en “Faith’s Review and Expectation”. Deze is bekend geworden door de openingszin “Amazing Grace”.
Veel van Newtons (en Cowper’s) hymnen zijn bewaard gebleven in de Sacred Harp. Het is een gezangenboek dat tijdens de Second Great Awakening in het Amerikaanse zuiden is gebruikt.
Het lied Amazing grace is wel het bekendste lied van John Newton. Het lied is ontstaan naar aanleiding van een preek die Newton schreef over 1 Kronieken 17:16,17 voor de nieuwjaarsdienst van 1 januari 1773. In de notities voor de preek is de ontwikkeling van het lied terug te vinden.
Het lied reflecteert de woorden van David: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? Toen Newton het lied publiceerde in de liedbundel Olney Hymns noteerde hij 1 Kronieken 17:16,17 als tekstverwijzing.
Het aantal en de volgorde van de coupletten die in diverse Engelstalige bundels is opgenomen in wisselt. Dit is de volledige Engelse tekst:
1. Amazing grace! how sweet the sound
That saved a wretch like me!
I once was lost, but now am found,
Was blind, but now I see.
2. ’T was grace that taught my heart to fear,
And grace my fears relieved.
How precious did that grace appear
The hour I first believed!
3. Through many dangers, toils and snares,
I have already come:
’Tis grace hath brought me safe thus far,
And grace will lead me home.
4. The Lord has promised good to me,
His Word my hope secures;
He will my Shield and Portion be,
As long as life endures.
5. Yea, when this flesh and heart shall fail,
And mortal life shall cease,
I shall possess, within the veil,
A life of joy and peace.
6. The earth shall soon dissolve like snow,
The sun forbear to shine;
But God, who called me here below,
Will be forever mine.
7. When we’ve been there ten thousand years,
Bright shining as the sun,
We've no less days to sing God’s praise
Than when we'd first begun.
Het laatste couplet (7) werd geschreven door Harriet Beecher Stowe in het boek De hut van Oom Tom.
Oorspronkelijk werd Amazing Grace op allerlei verschillende melodieën gezongen. Pas in 1835 werd de tekst door William Walker in zijn liedboek Southern Harmony gekoppeld aan de huidige melodie, een traditionele tune genaamd "New Britain". Deze melodie werd wereldbekend, en wordt vooral veel gespeeld op doedelzakken. Het wordt wel gezien als het volkslied van de Cherokee, omdat zij dit zongen bij hun begrafenissen. De Chinese versie van Amazing Grace wordt vaak gezongen door Hongkongse christenen.
Belijdenisgeschriften
- Dordtse Leerregels H 2, art 7: Over de genade van het geloof
- Dordtse Leerregels H 2, art 8: Over de vrije genade van God tot redding van zondaren
- Heidelbergse Catechismus, zondag 7, vr 21: Over het ware geloof
Antwoorden bij werkboekje -10
Goed of fout? Kleur het goede hokje.
1. John Newton woonde in Amerika.
2. Hij voer mee op het schip Greyhound.
3. Toen hij jong was, wilde hij graag de Heere dienen.
4. Tijdens een verschrikkelijke storm sloeg hij overboord.
5. Hij besefte, dat God hem gered had.
6. John Newton heeft nog jaren gevaren als slavenhandelaar.
7. De Heere leidde zijn leven en hij werd burgemeester.
8. John Newton leerde dat de slavenhandel verkeerd was.
9. Het bekendste lied dat hij schreef, was Amazing Grace.
10. Het is een droevig lied over Gods straf voor hem.
Paulus en John Newton
Lees de tekst uit 1 Timotheüs 1: 15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
Wat betekent het? Trek een lijn tussen de woorden uit de tekst en wat het betekent
1. een getrouw woord Betrouwbaar, zeker en echt waar
2. alle aanneming waardig Waard om te geloven
3. de voornaamste De belangrijkste, de ergste
• Wat zegt Paulus dus in deze tekst over zichzelf?
Hij zegt dat hij de ergste is van alle zondaren.
• Wat zegt Paulus in deze tekst over de Heere Jezus?
Dat de Heere Jezus is gekomen om zondaren te redden (zalig te maken).
• John Newton en Paulus lijken op elkaar in deze tekst. Probeer dat eens uit te leggen.
John Newton had in erge zonden geleefd, maar de Heere Jezus heeft hem, net als Paulus, gered van zijn zonde en schuld.
Grote verandering
John Newton was eerst een vloeker en spotter, maar de Heere veranderde hem in een bidder en dominee. Paulus werd van een vervolger een apostel. Van andere mensen uit de Bijbel en de kerkgeschiedenis weten we dat ze de Heere al jong dienden, of de Heere leerden kennen, toen ze al ouder waren.
Wat weet jij hierover van de volgende personen? Zet ook de namen in de goede cirkel!
Jong
• David: In psalm 22 geeft David zelf aan: Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God. Als jonge schaapherder werd hij tot koning gezalfd.
• Timotheüs: heeft ook van kinds af de Schriften geleerd door zijn moeder en grootmoeder. En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.
• Samuel: Vanaf zijn geboorte aan de Heere gewijd en al jong naar de tabernakel gebracht om de Heere te dienen.
• Johannes de Doper: Van voor de geboorte had hij de Heere lief: En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik.
Ouder
• Abraham: Hij wordt uit het heidendom geroepen als hij 75 jaar oud is.
• Levi (Mattheüs): Hij wordt uit het tolhuis geroepen en zijn leven verandert in een keer totaal.
Werkboekje +10
• Maarten Luther: Als Maarten Luther plotseling door het onweer overvallen wordt, belooft hij monnik te worden. Daarna leert hij geleidelijk de Heere echt kennen en leven van genade.
Amazing grace
Amazing grace! how sweet the sound Verbazingwekkende genade! Hoe zoet het geluid
That saved a wretch like me! Dat een ellendeling als ik heeft gered!
I once was lost, but now am found, Ik was ooit verloren, maar nu ben ik gevonden,
Was blind, but now I see. Was blind, maar nu zie ik
Hier zie je de letterlijke vertaling van het eerste couplet van Newtons lied.
Wat betekenen de volgende woorden? Probeer ze ook uit te leggen.
- Amazing -> Verbazingwekkende = Je bent er verbaasd en verwonderd over
- Grace -> genade………………….. = je krijgt iets moois, terwijl je straf verdient
- Saved -> gered…………………. = verlost
- wretch -> ellendeling…………………. = naarling, akelig mens
- lost -> verloren…………………. = verdwaald, bij de Heere weggelopen
- found -> gevonden…………………. = weer thuis
- blind -> blind…………………. = blind
Waarom past dit lied zo precies bij het leven van John Newton?
John Newton leefde in de zonde, wilde God niet dienen, net als de verloren zoon. Maar door Gods grote genade, die je niet kunt begrijpen, werd hij gered en van zijn zonden verlost.
Puzzel
Kun je alle woorden vinden? Zet de letters in de goede vakjes. Dit zijn de woorden, maar let op, je houdt woorden over! Zet daarna de letters met een cijfer in de goede vakjes!
Vlag - gele streep - meeuw - gele raam - blauw raampje ruit – hek - anker
Antwoorden bij werkboekje +10
Goed of fout? En als het fout is, wat is dan het goede antwoord?
1. John Newton woonde in Amerika. FOUT Hij woonde in Engeland
2. Hij voer mee op het schip Greyhound. GOED
3. Toen hij jong was, wilde hij graag de Heere dienen. FOUT, Hij wilde juist niet de Heere dienen.
4. Tijdens een verschrikkelijke storm sloeg hij overboord. FOUT Zijn maat sloeg overboord, John werd gespaard.
5. Hij besefte, dat God hem gered had. GOED
6. John Newton heeft nog jaren gevaren als slavenhandelaar. GOED
7. De Heere leidde zijn leven en hij werd burgemeester. FOUT Hij werd predikant
8. John Newton leerde dat de slavenhandel verkeerd was. GOED
9. Het bekendste lied dat hij schreef, was Amazing Grace. GOED
10. Het is een droevig lied over Gods straf voor hem. FOUT Het is een lied vol vreugde, over Gods genade voor hem.
Paulus en John Newton
Lees de tekst uit 1 Timotheüs 1: 15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
1. een getrouw woord Betrouwbaar, zeker en echt waar
2. alle aanneming waardig Waard om te geloven Deze woorden zijn van Paulus.
3. de voornaamste De belangrijkste, de ergste
- Wat zegt Paulus dus in deze tekst over zichzelf?
Hij zegt dat hij de ergste is van alle zondaren.
- Wat zegt Paulus in deze tekst over de Heere Jezus?
Dat de Heere Jezus is gekomen om zondaren te redden (zalig te maken).
- John Newton en Paulus lijken op elkaar in deze tekst. Probeer dat eens uit te leggen.
John Newton had in erge zonden geleefd, maar de Heere Jezus heeft hem, net als Paulus, gered van zijn zonde en schuld.
- Waarom past deze tekst ook bij John Newton?
John Newton had in erge zonden geleefd, maar de Heere Jezus heeft hem, net als Paulus, gered van zijn zonde en schuld
- Hoe lijkt John Newton op de verloren zoon uit de gelijkenis van de Heere Jezus?
Net als de verloren zoon, wilde John de Heere niet dienen, maar liever in de zonde leven. Totdat de Heere hem stilzette en hij terug keerde naar de Heere.
Grote verandering
Zie antwoorden werkboekje -10
Hoe reageer jij als iemand dit zegt: Het maakt niet uit, als je eerst veel zonden doet. Als de Heere ze vergeeft, zijn ze toch weg?
Maar je doet de Heere zoveel verdriet, als je zondigt. Als je de Heere liefhebt, wil je niet eens zondigen.
Amazing grace
Amazing grace! how sweet the sound Verbazingwekkende genade! Hoe zoet het geluid
That saved a wretch like me! Dat een ellendeling als ik heeft gered!
I once was lost, but now am found, Ik was ooit verloren, maar nu ben ik gevonden,
Was blind, but now I see. Was blind, maar nu zie ik.
- Wat betekenen de volgende woorden?
Probeer ze ook uit te leggen.
- Amazing -> Verbazingwekkende = Je bent er verbaasd en verwonderd over
- Grace -> genade………………….. = je krijgt iets moois, terwijl je straf verdient
- Saved -> gered…………………. = verlost
- wretch -> ellendeling…………………. = naarling, akelig mens
- lost -> verloren…………………. = verdwaald, bij de Heere weggelopen
- found -> gevonden…………………. = weer thuis
- blind -> blind…………………. = blind
- Waarom past dit lied zo precies bij het leven van John Newton?
John Newton leefde in de zonde, wilde God niet dienen, net als de verloren zoon. Maar door Gods grote genade, die je niet kunt begrijpen, werd hij gered en van zijn zonden verlost.
- Hij maakte dit lied, toen hij bezig was zijn preek voor te bereiden over 1 Kronieken 17: 16 en 17. In vers 16 staat: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? Waarom past dit lied zo precies bij deze tekst?
David zegt in die tekst, dat hij niet kan begrijpen, dat de Heere zo goed voor hem was en nog is. Hij, zo’n zondaar en de Heere, zo goed en genadig. Dat is precies, waar John Newton zich over verwonderde. Hoe was het toch mogelijk dat de Heere hem heeft willen redden van zijn zonde! Amazing grace, verbazingwekkende genade!
- Wat kan jij van dit lied leren?
Er is genade voor de grootste van de zondaren. Daarvoor is de Heere Jezus gekomen en wilde Hij sterven aan het kruis. Niet, omdat iemand dat verdiend heeft, jij ook niet, maar omdat Gods genade zo groot is.
Puzzel
Zie antwoorden werkboekje -10
Schrijf de eerste twee regels van Newtons lied mooi op.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2024
Kompas Handleiding | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2024
Kompas Handleiding | 24 Pagina's