Handleiding 9: Maaltijd bij de zee
Thema 'Aan tafel! Maaltijden in de Bijbel'
Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.
Toelichting op het thema
Dit jaar zijn de vertellingen gegroepeerd rondom het thema ‘Aan tafel! Maaltijden in de Bijbel’. In deze schets gaat het over de verschijning van de Heere Jezus aan Zijn discipelen bij de Zee van Tiberias. Dit is de derde verschijning aan de discipelen. De Heere Jezus openbaart Zich hier op een heel speciale manier. Zo heeft Hij dit nog niet eerder gedaan: Hij houdt een maaltijd met zeven van Zijn discipelen.
Doel van de vertelling
De kinderen leren wat ‘openbaren’ betekent. Ze horen dat het nodig is dat de Heere Zich openbaart. Dat is ook voor ons nodig, want als Hij dat niet doet, kunnen wij Hem nooit kennen en herkennen. De Heere doet dat niet altijd op dezelfde manier. Hij wilde Zijn discipelen met deze openbaring ook leren hoe zij in het vervolg hun werk moesten doen. Ook al zagen zij Hem toen niet. De Heere kan ook heel dicht bij ons zijn, zonder dat wij dat beseffen.
Introductie van het thema voor de kinderen
Praat met de kinderen over de betekenis van ‘openbaren’. Dat kun je als volgt doen.
Verberg onder een doek een voorwerp. Dit mag gerust iets groots zijn. Zorg er wel voor dat het voor de kinderen niet zichtbaar is wat het precies is.
Praat met de kinderen over datgene wat onder de doek iets verborgen is. Zorg ervoor dat duidelijk is dat datgene er wel is, maar dat je het nog niet kunt zien. Als je een voorwerp hebt verborgen wat makkelijk geraden kan worden, laat de kinderen dan eerst vertellen wat ze denken dat het is. En waarom ze dat denken.
Sluit af met: ‘We zien het niet, of in ieder geval zien we niet duidelijk, wat het is.’
Stel hen dan de vraag: Wanneer wordt het wel duidelijk zichtbaar voor ons? Het is nu nog verborgen voor ons. Wat moet er dan gebeuren? Ja, dan moet de doek, die erover heen ligt, weggehaald worden. Dan wordt wat verborgen was, zichtbaar, of openbaar. ‘Openbaren’ betekent dus, dat iets wat verborgen was, zichtbaar wordt. Het was er dus wel, alleen wij konden het niet (goed) zien. Laat nu de doek weghalen.
Eventuele vraag: Had je dit verwacht?
Het verhaal dat ik nu ga vertellen heeft ook met openbaren te maken. Het gaat in het verhaal niet over iets, maar over Iemand. Hij was er wel, maar de mensen herkenden Hem niet.
Psalmen
- Psalm 139:1, 2, 8
- Psalm 119:17
- Psalm 30:3, 4, 8
- Psalm 111:2, 3, 5
- Psalm 86:6
- Psalm 93:1, 4
- Psalm 99:1, 2
- Psalm 144:7
- Psalm 127:1 en 2
- Psalm 138:4
- Psalm 75:1 en 4
- Psalm 130:3, 4
- Liedbundel Tot Zijn eer lied 42: Heer’, onze God, hoe heerlijk is Uw Naam
- Liedbundel Tot Zijn eer lied 83: Psalm 8
Lezen
Johannes 21:1-14
Kerntekst
Johannes 21:6 En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.
Vertelling
“Ik ga vissen.” Aan de oever van de Zee van Tiberias staat een groepje mannen. Eén van die zeven mannen zegt: “Ik ga vissen.” De andere kijken hem aan en zeggen: “Wij gaan met je mee.”
Wie zijn die mannen? Het zijn zeven discipelen van de Heere Jezus. Een paar dagen geleden hebben ze de stad Jeruzalem verlaten en zijn ze op reis gegaan naar Galiléa, het gedeelte van Israël waar ze vroeger hebben gewoond. Nu zijn ze hier aangekomen.
Wat is er de laatste tijd veel gebeurd! De vorige keer dat ze hier waren, was hun Meester nog bij hen. Maar in Jeruzalem is Hij ter dood veroordeeld en gekruisigd. Maar Hij is niet in de dood gebleven. Nee, na drie dagen is Hij opgestaan uit de doden, zoals Hij hun al voorzegd had. Ook had Hij toen al gezegd dat zij dan naar Galiléa moesten gaan. Op de opstandingsdag hadden de vrouwen diezelfde boodschap ook gebracht. De Heere Jezus had tegen hen gezegd: “Zeg tegen Mijn discipelen dat Ik hen voorga naar Galiléa; daar zullen zij Mij zien.”
Daar staan ze: zeven discipelen van de Heere Jezus. Het zijn Petrus, Thomas, Nathanaël, Jakobus en zijn broer Johannes, en nog twee discipelen van de Heere. Ze moeten wachten tot de Heere Jezus bij hen komt.
Ze hebben Hem na Zijn opstanding al twee keer ontmoet. Hij was bij hen gekomen op de avond van de dag dat Hij uit de doden was opgestaan. En ook de week erna, toen ze weer samen in die zaal in Jeruzalem bij elkaar waren, was Hij aan hen verschenen. Hij had gezegd: “Ik ben het Zelf”.
Alles is veranderd sinds de Heere Jezus is gestorven en opgestaan. Drie jaar zijn ze dag en nacht bij Hem geweest. Steeds was Hij bij hen en konden ze Hem zien. Dat is nu niet meer zo. Nu komt de Heere Jezus zo nu en dan bij hen. Ze moeten steeds wachten tot Hij weer bij hen komt.
Al denkend staan ze daar op het strand en kijken ze uit over het water van het meer, waarop ze zo vaak gevist hebben. Het begint al avond te worden.
En dan klinkt daar plotseling de stem van Petrus: ”Ik ga vissen.” De andere discipelen kijken hem aan. Vissen? Ja, waarom eigenlijk niet? Terwijl ze wachten tot de Heere Jezus komt, kunnen ze dat best gaan doen. Dan hebben ze wat te doen en hebben ze iets om te verkopen. Iedereen wil wel vis hebben. Dat eten ze bij het brood. ‘Toespijs’ noemen ze dat. Van het geld dat ze daarmee verdienen, kunnen ze dan ook eten kopen. Daarom zeggen ze allemaal tegen Petrus: “Wij gaan met je mee.”
Kijk, daar gaan ze. Ze stappen in het scheepje en een poosje later varen ze de Zee van Tiberias op. Net zoals vroeger. Of toch niet?
Het is donker geworden. Dat is de beste tijd om te vissen. Met elkaar pakken ze het net beet en gooien het in het water. Ze wachten een poosje en dan halen ze het weer op. Zou er veel vis in zitten? Maar nee, er zit helemaal niets in het net. Opnieuw gaat het net het water in. Ze wachten even en halen het weer binnenboord. Maar… weer is het net leeg. Dat gebeurt anders nooit…
Nog eens proberen ze het, maar het net blijft leeg. Zo gaat het de hele nacht door. Iedere keer werpen ze hun net uit. Maar als ze het dan na een poosje ophalen, is het leeg. Hoe kan dat nu toch? Het lijkt wel alsof er in de hele zee geen visje meer zwemt.
Het begint al wat licht te worden. Nu is de tijd om te vissen voorbij. Want als het licht wordt, vang je geen vissen meer. En hun net? Dat is helemaal leeg. Ze hebben niet één vis gevangen, zelfs niet eens een heel klein visje. Teleurgesteld varen ze naar de oever. Al hun werk is voor niets geweest. Voor niets?
Kijk, op de oever staat Iemand. Nee, de discipelen kennen Hem niet. Maar als ze dichterbij zijn gekomen, roept die Man iets. “Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs?” Het is alsof Hij zegt: Jullie hebben toch wel een visje voor Mij?
Moe van het werken en teleurgesteld omdat hun net leeg is gebleven, horen de discipelen die vraag. Moeten zij, als echte vissers, nu ook nog gaan vertellen dat hun net helemaal leeg is? Dat willen ze helemaal niet. En toch moet het, want de Man op het strand wacht op hun antwoord.
En dan geven ze antwoord, maar het is heel kort: “Neen.”
Nu zal die Man Zich wel omdraaien, want ze kunnen Hem niets geven.
Maar nee, dat doet Hij niet. Hij doet iets anders. Hij zegt iets: ”Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden.” Het net aan de rechterzijde uitwerpen? Dat deed niet één visser in Israël. En dan, vissen als het al licht is geworden? Dat deden ze in Israël ook nooit.
En toch, zonder tegen te spreken, doen de discipelen wat er gezegd wordt. Ze werpen het net weer overboord. Niet, zoals ze dat gewend zijn, aan de linkerkant, maar zoals de Vreemdeling het gezegd heeft: aan de rechterkant. Ze wachten een poosje. Dan halen ze het net binnenboord. Tenminste, dat proberen ze. Maar dat lukt niet. Want het lege net zit nu vol met vissen. Zo vol zelfs, dat ze het niet eens in hun scheepje kunnen krijgen. Hoe kan dat?
Ook Johannes heeft de opdracht gehoord. Hij heeft meegeholpen om het net weer uit te werpen. Hij ziet dat het net nu vol met vis zit. Hoe kan dat? Hoe komt het dat hun net nu wél vol is? Hij kijkt nog eens heel goed naar die Man op de oever. En dan, plotseling, weet hij het. Die Man ís geen vreemdeling! Hij zegt: “Petrus, het is de Heere."
Als Petrus dat hoort: ‘Het is de Heere,’ bedenkt hij zich geen moment. Is het de Heere? Dan wil hij zo snel mogelijk bij Hem zijn. Hij doet zijn mantel aan, die hij bij het vissen had uitgedaan, en springt overboord. Ze zijn heel dicht bij de oever en de zee is hier niet diep. Zo waadt hij door het water naar de kant waar de Heere Jezus staat. Aan de vissen denkt hij niet meer.
De andere discipelen komen achter hem aan met het scheepje. Het net trekken ze mee.
Even later zijn alle discipelen aan land. Op het strand zien ze een kolenvuur met brood en ook vis. Alle dingen die nodig zijn om te eten zijn er al. De Heere heeft Zelf al voor het eten gezorgd.
Toch zegt Hij: "Brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt.” Ook al liggen er al vissen bij het vuur, de discipelen mogen ook nog van de vissen halen die ze daarnet hebben gevangen. Die zij gevangen hebben? Maar daar heeft de Heere toch voor gezorgd? Hij zorgde er toch voor dat hun net vol kwam? Ja, en toch zegt Hij: de vissen die jullie nu gevangen hebben. Zo goed is de Heere.
Daar gaat Petrus. Hij loopt naar het net toe en trekt het op het land. Het zit vol met grote vissen, wel honderd drieënvijftig. Maar, wat een wonder! Het net is niet gescheurd.
Dan zegt de Heere Jezus: “Komt herwaarts, – kom hierheen - houdt het middagmaal. En Hij nodigt hen uit om met Hem te eten.
Even later zitten alle discipelen bij de Heere Jezus om het vuur. Hij geeft ze van het brood en de vis.
Verwonderd hebben de discipelen daar gezeten. Hun Meester is weer bij hen gekomen. Hij heeft hen weer opgezocht. Hij heeft Zich geopenbaard. En dat op een heel wonderlijke manier. Dit keer niet door te spreken: “Ik ben het”. Maar deze keer door een wonderteken te doen.
Een teken, waardoor Hij laat zien Wie Hij is: de Almachtige, Die regeert over alle dingen, ook over de vissen van de zee.
Want ook al heeft de Heere Jezus niet gezegd: “Ik ben het”, toch weten alle discipelen dat Hij het is. Er is er dan ook niet één die durft te vragen: “Wie bent U?” Want ze weten het zonder dat Hij het gezegd heeft: Het is de Heere.
Daar zitten de zeven discipelen. Verwonderd. Wat is de Heere Jezus goed voor hen. Hij is weer teruggekomen. Hij heeft Zich weer geopenbaard. Niet, zoals de vorige twee keer, toen ze op de zondag bij elkaar zaten in de opperzaal. Nu is Hij gekomen, terwijl ze op een doordeweekse dag met hun werk bezig waren. Hij heeft gedaan wat Hij beloofde. Ook al moesten ze dan lang wachten, Hij is gekomen. En ze weten het: zo zal Hij altijd doen wat Hij eenmaal beloofde, ook al gaat het dan anders dan zij dachten.
Hij zorgde ervoor dat hun net leeg bleef. Daarna zorgde Hij ervoor dat het net vol met vissen kwam. Niet zoals zij dachten dat het moest, maar zoals Hij het zei. Hij zorgde er zelfs voor dat het net niet scheurde. En nu geeft Hij hun ook nog te eten. Eten, waarvoor Hij heeft gezorgd.
Straks mogen zij vissers van mensen worden. Ze mogen Zijn Woord gaan prediken, over Hem gaan vertellen. En Hij zal er Zelf voor zorgen dat er mensen in Hem gaan geloven. Zo zal Zijn Koninkrijk vol worden. Zo zal Hij Zijn Woord vervullen.
Hij vervulde Zijn Woord dat ze Hem zouden zien in Galilea, dat Hij Zich daar zou openbaren. Zo zal Hij altijd Zijn Woord vervullen. Ze hoeven maar één ding te doen: gehoorzaam doen wat Hij tegen hen zegt. En dan zorgt Hij voor de rest. Dan wil Hij uit genade Zijn zegen geven.
Heb jij dat ook al geleerd? Alles van de Heere te verwachten? Zelf kunnen wij helemaal niets. Maar als Hij helpt, dan zal het gaan.
En Hij is dichterbij dan wij vaak denken en merken. Bid het dan maar: Leer mij naar Uw wil te hand’len, dan zal ik in Uw waarheid wand’len; neig mijn hart en voeg het saâm tot de vrees van Uwen Naam.
De Heere wil dat we doen, wat Hij van ons vraagt. Net zoals de discipelen deden, die het net uitwierpen. En het net kwam vol. Zo geeft de Heere ook vandaag Zijn zegen.
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte
Verschijningen van de Heere Jezus aan Zijn discipelen
De Heere Jezus is na Zijn opstanding aan veel mensen verschenen. We lezen in totaal van wel tien verschijningen.
De Heere Jezus is ook een aantal keren speciaal aan Zijn discipelen verschenen.
- De eerste keer was op de avond van de opstandingsdag, toen tien discipelen bij elkaar waren (met nog andere discipelen en vrouwen).
- De tweede keer was exact een week later toen de discipelen bij elkaar waren in een opperzaal in Jeruzalem. Maar nu was Thomas er ook bij. Eigenlijk kwam de Heere Jezus nu speciaal voor hem. Om hem van zijn ongeloof te verlossen.
- De derde keer dat de Heere Jezus in het bijzonder aan Zijn discipelen verscheen, is de geschiedenis van de visvangst. Hij heeft toen op wonderlijke wijze de netten gevuld en onderwijs gegeven. Ook is bij deze verschijning Simon Petrus die Hem verloochend had in het ambt hersteld. Dat gebeurde in aanwezigheid van een aantal andere discipelen. Dat was ook noodzakelijk, omdat Petrus de Heere in het openbaar had verloochend. Zo wisten de discipelen zeker dat ook Petrus een apostel van de Heere was en mocht uitgaan om Zijn woord te verkondigen.
De zorg van de Heere voor Zijn kinderen, ook in het grote aantal verschijningen aan hen na Zijn opstanding
Dat de Heere Jezus in de veertig dagen dat Hij nog op aarde was zo veel keer aan Zijn kinderen verschenen is, was zodat Zijn kinderen zeker zouden weten dat Hij werkelijk was opgestaan, dat Hij leefde. Zijn discipelen zouden straks toch van Hem moeten gaan getuigen. Zij zouden het Woord moeten gaan verkondigen tot aan de einden der aarde. Hoe zouden ze dat kunnen als ze niet zeker wisten dat hun Meester uit de dood was opgestaan! Het was echter ook nodig omdat de discipelen zelf nog zoveel onderwijs nodig hadden. De Heere Jezus had beloofd dat Hij Zijn Heilige Geest zou zenden, Die hen verder zou onderwijzen. Maar zolang Hij nog op aarde was, heeft Hij hen Zelf geleerd.
Het verschil tussen deze verschijning en de vorige aan de discipelen
De vorige verschijningen waren in het bijzonder bedoeld om de discipelen ervan te overtuigen dat de Heere waarlijk was opgestaan uit de doden. Deze verschijning is anders. De Heere Jezus zegt nu ook niet meer: “Ik ben het.” Hij wil ze nu iets anders gaan leren en wel hoe het in de toekomst zal gaan als Hij niet meer lichamelijk bij hen zal zijn. Want ook al is Hij dan niet meer zichtbaar bij hen, toch verlaat Hij hen niet. Ze zullen Hem dan ook niet meer herkennen aan Zijn zichtbare tegenwoordigheid, maar aan wat Hij tot hen spreekt vanuit Zijn Woord en hoe Hij met hen omgaat. Hij maakt Zich hier dan ook niet eerst bekend, maar Hij laat hen eerst alleen zien dat Hij het is door een uitwendig teken, dat het geloof eerst moet verklaren. Zij moeten ontwend worden aan het lichamelijke zien en leren door het geloof te gaan leven. De Heere toont ons in Zijn Woord aan welke zijde wij het net moeten uitwerpen. Dan moeten we in gehoorzaamheid aan Hem en in afhankelijkheid van Hem het werk doen, het net uitwerpen. In die weg zullen we ook Zijn zegen ervaren. Dat betekent dat we bij alles wat we willen gaan doen, moeten vragen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? En dan zal de Heere ons ook op ons bidden antwoord geven; óf vanuit Zijn Woord, óf door de omstandigheden.
De opdracht van de Heere Jezus aan Zijn discipelen om naar Galilea te gaan
De opdracht om na Zijn opstanding naar Galilea te gaan en de belofte dat ze Hem daar zouden zien, had de Heere Jezus vlak voordat Hij ging lijden en sterven al gegeven. Bij de boodschap dat Hij zou lijden en sterven, maar ook weer zou opstaan uit de doden, had Hij er die laatste keer aan toe gevoegd: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea (Matth. 26:32). Dezelfde boodschap hadden de vrouwen op de Paasmorgen van de engelen kregen. Ze moesten die brengen aan de discipelen, die dachten dat het nu voor altijd was afgelopen. Toen had het geklonken: Boodschapt Zijn discipelen dat Hij leeft. En zie, Hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult gij Hem zien (Matth. 28:7).
De Heere Jezus Zelf had die boodschap nog eens herhaald bij de vrouwen toen Hij aan hen verschenen was: Boodschapt Mijn broederen, dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij Mij zien (Matth. 28:10).
De discipelen moesten terug naar de plaats waar ze geboren en getogen waren. Dat was ook de plaats waar de Heere hen geroepen had. Daar lagen voor hen heel veel herinneringen.
Zich openbaren
Aan het begin van deze geschiedenis schrijft Johannes nadrukkelijk dat de Heere Jezus Zich opnieuw aan Zijn discipelen openbaart. Openbaren betekent: iets doen zien, of vertonen, Zich kenbaar maken, Zich doen kennen. Openbaring: wat God aan de mens van Zijn verborgenheid te kennen geeft. Dat deed de Heere na Zijn opstanding iedere keer. Steeds opnieuw moest Hij de ogen van Zijn kinderen daarvoor openen. We lezen van de Emmaüsgangers, Luk. 24:16: En hun ogen werden gehouden dat zij Hem niet kenden. Als ze dan aan tafel zitten, opent de Heere hun ogen en ze kenden Hem. Zo was het ook met de discipelen aan het eind van de opstandingsdag, toen de Heere aan hen verscheen. In deze geschiedenis gaat dat net zo. De Heere maakte Zich bekend, maar niet altijd op dezelfde manier. Bij de vorige verschijningen sprak Hij vaak: ‘Ik ben het.’ Deze keer maakt Hij Zichzelf bekend door een wonderteken. Een soortgelijk teken als Hij eerder ook al eens gebruikte. Maar nu met een nog diepere inhoud.
De Zee van Tiberias
Deze zee wordt ook wel het Meer Gennésaret of het Meer of de Zee van Galilea genoemd, naar de landstreek waar je dit meer kunt vinden. Er omheen liggen heel veel dorpjes, waar veel vissers woonden. In het Oude Testament wordt dit meer ‘de Zee Cinnéreth’ genoemd (Num. 34:11).
Discipelen die bij deze verschijning aanwezig waren
Bij de verschijning van de Heere Jezus aan de Zee van Tiberias waren zeven discipelen aanwezig. Vijf worden er met name genoemd: Simon Petrus, Thomas, Nathanaël, de zonen van Zebedeüs (dit zijn Johannes en zijn broer Jakobus). Ten slotte worden er nog twee anderen van Zijn discipelen genoemd. Zij worden niet met name genoemd. Wel weten we dat het twee van de discipelen zijn die drie en een half jaar met de Heere Jezus hebben rondgewandeld en samen met de anderen onderwijs van Hem hebben gekregen vanaf het allereerste begin van Zijn optreden hier op aarde. Ook zij zijn getuigen geweest van alles wat Hij heeft gedaan.
Het voorstel van Petrus
Op voorstel van Petrus gaan ze vissen. Dat beroep hadden de meesten van hen vroeger ook uitgeoefend. Maar de Heere had ze vanachter de netten geroepen en beloofd dat ze ‘vissers van mensen’ zouden worden gemaakt. De discipelen moesten wachten, maar dat betekende niet dat ze stil moesten zitten en verder niets mochten doen. Ze moesten bovendien ook in hun levensonderhoud voorzien. En het belangrijkste: als de Heere hun verschijnt, berispt Hij hen niet omdat ze aan het vissen zijn. Hij wil Zich daardoor juist openbaren. De Heere had Zich de andere twee keer op de zondag geopenbaard; nu is het een doordeweekse dag. Dat leert ons dat de Heere ook in ons gewone werk wil verschijnen.
Vissen, maar niets vangen
Ook al weten ze heel goed hoe dat ze moeten vissen en al doen ze nog zo goed hun best, in die nacht vangen ze zelfs niet één visje. Dat is op zich is al bijzonder, want in de zee zitten genoeg vissen. Maar de Heere zorgt ervoor dat hun netten leeg blijven. Als het ochtend begint te worden, besluiten ze om met vissen te stoppen, want de beste tijd is nu toch voorbij. Vissen deed je in de nacht, als het donker was; dan was het water koeler. Vissen houden niet van warm water; dan gaan ze naar dieper water en komen niet meer aan de oppervlakte. En als het nu morgenstond geworden was… Letterlijk staat er in de grondtaal: als het ál morgen werd. De gunstige tijd om de vissen te vangen was voorbij. Nu is al hun werk voor niets geweest. Waarom hebben ze nu niets gevangen? Daar wil de Heere hun iets mee leren.’ Zie verder bij Het wonder en de betekenis van de visvangst.
De Heere op de oever, maar ze herkennen Hem niet
Op de oever staat een Man. Maar de discipelen herkennen Hem niet. De Heere is vaak veel dichterbij dan je denkt. Maar als Hij onze ogen daar niet voor opent, zien we Hem niet. Zelfs de discipelen die drie jaar met de Heere Jezus zijn omgegaan, kennen Hem niet. Het is nodig dat de Heere Zich iedere keer weer openbaart. De Heere Jezus is altijd heel dicht bij Zijn kinderen, maar dat betekent niet dat ze dat ook altijd zo ervaren. De Heere wil dat Zijn kinderen door het geloof leven, en niet alleen door het gevoel.
De vraag van de Heere Jezus en het antwoord van de discipelen
De Heere zegt: Kinderkens… Hij spreekt ze liefdevol aan. Hij weet wel dat hun netten leeg zijn, maar Hij wil dat uit hun eigen mond horen. Hij wil dat ze Hem hun armoede zullen bekend maken. Hij vraagt: Hebt gij niet enige toespijs. Eigenlijk staat er: Jullie hebben zeker niets voor Mij? Vis werd vaak bij het brood gegeten. De vraag die de Heere stelt, is dus een heel gewone vraag, maar niet in de mond van de Heere Jezus. Want Hij wist dat hun netten leeg waren. Daar had Hij Zelf voor gezorgd. Hij wil echter dat de ervaren vissende discipelen Hem dat bekendmaken. Want als ze Hem hun armoede bekend zullen maken, zal Hij tonen Wie Hij is en wat Hij kan. De discipelen die met hun armoede openbaar moeten komen, geven een heel kort antwoord. Bot klinkt het: ‘Neen’.
Toespijs
Het hoofdgerecht bij de Joden was brood. Daarbij werden allerlei dingen gegeten, zoals vlees, vis, eieren, groente, enz. Al die extra dingen werden ‘toespijs’ genoemd. Wij zouden het ‘beleg’ noemen. Toespijs betekent dus alles wat het brood nog lekkerder maakt. Het meest geliefde beleg – toespijs - bij de Israëlieten was vis. Die werd gebraden of geroosterd.
De opdracht
De discipelen krijgen een opdracht die tegen alles ingaat: Werpt het net aan de rechterzijde, en gij zult vinden. Gewoonlijk werd er aan de linkerkant gevist. Zo werd het altijd gedaan, want anders stond je jezelf in de weg; omdat aan die kant het roer, het ‘stuur’ zat. Maar nu zegt die Vreemdeling dat ze het net aan de rechterzijde van het schip moeten uitwerpen. Daarbij komt nog dat het al ochtend is geworden en de tijd om te vissen voorbij is. Maar Hij geeft niet alleen een opdracht, Hij zegt ook: en gij zult vinden. Er klinkt dus ook een belofte in door. Vgl. ook Luk. 5:4, 6, 7. En dan gebeurt er iets wonderlijks: zonder tegenspreken doen de discipelen wat die Vreemdeling zegt. Want Hij spreekt als Machthebbende. Ze werpen het net aan de rechterzijde, en de belofte wordt vervuld: Ze konden het net niet meer trekken vanwege de menigte vissen die erin zit. Een overvloedige vangst!
Het wonder en de betekenis van de visvangst
De Heere toont door dit wonderteken dat Hij de macht heeft in de hemel, maar ook op de aarde. Hij kan niet alleen voor al de aardse dingen zorgen die we nodig hebben, Hij kan ook voor alle eeuwige dingen zorgen. Hij kan onze zonden vergeven. En dat wil Hij Zelf schenken. Hij zendt knechten uit, hier Zijn discipelen, die dat mogen gaan vertellen. Dat werk zal niet vruchteloos zijn. Hij Zelf zal ervoor zorgen dat mensen dat woord zullen geloven. Dat ze de Heere nodig gaan krijgen, naar Hem zullen gaan vragen en Hem zullen gaan zoeken. Hij zal ze alles geven wat ze nodig hebben tot de zaligheid. Dat is allemaal in Hem te vinden. De discipelen kregen hier ook onderwijs dat ze het werk dat ze moesten doen niet alleen konden doen, want dan zou het allemaal voor niets zijn.
Het is de Heere!
De discipel dien Jezus liefhad, Johannes, herkent de Heere Jezus. Hij zegt het ook tegen Petrus: Het is de Heere (Kurios). Dat betekent Hij, Die alle macht heeft en voor Wie geen ding onmogelijk is. (zie ook Luk. 5, daar noemt Petrus Hem ook zo, als hij het wonder heeft gezien). Als Johannes dat ziet, houdt hij het niet voor zichzelf maar zegt het ook tegen Petrus.
Hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet
Ook al is het net overvol, toch scheurt het niet. Daar zorgt de Heere ook voor. Zo wil Hij hun leren dat Hij niet alleen voor de vangst zorgt, maar er ook voor zorgt dat er van die vangst niets verloren gaat. Dat het allemaal Zijn werk alleen is. Daarmee wordt terugverwezen naar de visvangst waarbij de Heere op het schip van Simon was en Hij het lege net ook vol maakte. Toen scheurde het net wél (zie Luk. 5). Maar nu na Zijn opstanding (het teken dat Hij alles volbracht heeft) scheurt het net niet.
Alle dingen zijn gereed; kolenvuur en vis en brood
Als de discipelen aan land komen, zien ze daar een kolenvuur. Ook is er al brood en liggen er vissen (letterlijk: gebraden visjes, zie ook Joh. 6:9, kanttekening). Alle dingen zijn gereed. De Heere heeft Zelf overal voor gezorgd. Hij heeft niets van de discipelen nodig. Hij heeft al het werk volbracht dat Hij moest volbrengen. En Hij wil dat ook uitdelen. De discipelen mogen eten van wat de Heere Jezus bereid heeft.
Brengt van de vissen die gij nú gevangen hebt...
Toch wil Hij ook van de vis gebruiken die de discipelen zo-even gevangen hebben. Dat zegt Hij ook: Brengt van de vissen, die gij nu gevangen hebt. Eigenlijk hebben de discipelen dat niet eens zelf gedaan. Hun netten waren leeg en zouden ook leeg zijn gebleven, als Hij ze niet vol had gemaakt. Toch schrijft Hij het uit genade aan hen toe. Hij zegt: die gíj nu gevangen hebt. Ook dat heel kleine beetje werk – het net uitwerpen – wil de Heere uit genade ‘hun werk’ noemen. Vgl. Openbaring 14:13. Daar zegt de Heere: en hun werken volgen met hen.
De betekenis van dit wonderteken
Met en door dit wonderteken wil de Heere Zijn discipelen leren Wie Hij is en wie ze zelf zijn. Hij is de Heere, de Kurios, de Bezitter en Eigenaar van alle dingen. Zij mogen straks gaan werken in Zijn Koninkrijk. Dan zullen ze het net van het Evangelie uit moeten gaan werpen in de volkerenzee. Ze mogen gaan preken. Zijn Woord verkondigen. Maar zelf zullen ze niet één mens kunnen bekeren. Als de Heere dat niet doet, zal al hun werk voor niets zijn. En toch zullen ze ‘vangen’. Omdat Hij ervoor zal zorgen dat er mensen gevangen worden in het visnet van het Evangelie. En dat niet alleen, maar Hij zal er ook voor zorgen dat de vissen die gevangen zijn, nooit meer uit dat net kunnen wegzwemmen. Daarop wijst het wonder dat het net niet scheurde. De Heere Zelf zal ervoor zorgen dat degenen die Hij een nieuw hart geeft, ook eenmaal bij Hem in de hemel zullen komen. Dat ze eenmaal aan land zullen komen in het Hemels Koninkrijk. Want het werk in Zijn Koninkrijk zal niet tevergeefs zijn. Daar zorgt Hij Zélf voor.
Uitspraak naar aanleiding van een gedicht van Revius
‘Wat een visser vangt in het net, dat is bestemd voor de dood. En wat níet gevangen wordt door het net, dat mag blijven leven, dat mag doorzwemmen. Maar hier is het net andersom. Wat hier gevangen wordt door het visnet van het Evangelie, dat is voor het leven. En wat níet gevangen wordt door het visnet van het Evangelie, dat is voor de dood.’ (n.a.v. een gedicht van Revius)
Belijdenisgeschriften
- Gods almacht: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde
- Heidelbergse Catechismus Zondag 10 vraag 26 en 27
- Heidelbergse Catechismus Zondag 12 vraag 31
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2024
Kompas Handleiding | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2024
Kompas Handleiding | 20 Pagina's