JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 3: Eten voor Abrahams gasten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 3: Eten voor Abrahams gasten

Thema: Aan tafel, maaltijden in de Bijbel

36 minuten leestijd

Van de redactie

In deze twee nummers van Kompas kom je opnieuw twee onderwerpen tegen die met het jaarthema ‘Aan tafel’ te maken hebben. Abraham die drie bijzondere gasten ontvangt en een maaltijd voor hen maakt en Daniël en zijn vrienden die heerlijk eten afslaan om de Heere geen verdriet te doen. In beide gevallen komt de vreze van de Heere duidelijk naar voren. Aan jou de mooie taak om de kinderen van jouw vereniging of club jaloers te maken op deze mensen, die een nauw leven met de Heere kenden.

Voor de nummers 3 en 4 vind je hierbij de handleiding, compleet met vertelschets, nuttige achtergrond- informatie en alle antwoorden van opdrachten in de werkboekjes. Ik wens je veel vreugde toe tijdens de bijeenkomsten. Dat je onder de zegen van de Heere de kinderen een maaltijd van geestelijk voedsel mag voorzetten! Met jou bid ik dat de Heere door Zijn Geest de kinderen levend maakt en dat Hij dit werk wil gebruiken tot Zijn eer.

Namens de redactie,

Evert Barten


Toelichting op het thema
Dit jaar zijn de vertellingen gegroepeerd rondom het thema ‘Aan tafel, maaltijden in de Bijbel’. In deze schets gaat het over het bezoek dat de Heere in menselijke gedaante aan Abraham brengt en waarbij Hij hem, en in het bijzonder ook Sara, vertelt van de zoon die het andere jaar uit Sara zal geboren worden. Abraham zet de Heere en de twee engelen bij deze ontmoeting een maaltijd voor.

Doel van de vertelling
Het gaat hier uiteindelijk om de vervulling van Gods belofte, die de Heere al in Genesis 3 vers 15 gegeven had. En daar ging het Abraham en Sara ook om: dat er een Zaligmaker zou komen Die het weer goed zou maken tussen God en de mensen. Door Wie ze weer bij de Heere zouden kunnen wonen en met Hem leven. De kinderen horen in deze geschiedenis ook hoe de Heere Zijn beloften altijd vervult. Hij is een Waarmaker van Zijn Woord. Een rode draad door Genesis heen is dat de Heere Zijn beloften vervult dwars door de onmogelijkheden heen, juist als het vanuit de mens niet meer kan. De vervulling geeft worstelingen mee. En toch: alles wat Hij beloofd heeft, doet Hij ook, hoe onmogelijk dat voor ons ook schijnt te zijn. Hij zegt het hier Zelf: Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Het geloof vindt alleen rust in God en Zijn Woord.

Introductie van het thema voor de kinderen
Schrijf thuis met een UV-pen met onzichtbare inkt (o.a. bij Hema of Handige UV pen met ontzichtbare inkt | bol.com) op een wit vel papier bijvoorbeeld: Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? Neem het mee naar de club. Laat het aan de kinderen zien. Vraag bijvoorbeeld: Staat er iets op dit blad papier? Of, zeg: Dit blad papier is leeg, hè? Laat de kinderen reageren. Zeg daarna: “Maar als ík nu zeg dat er wél iets op staat, geloof je dat dan? Geloof je wat ik zeg?” Reactie kinderen. Vervolgens schijn je met het UV-lampje op het vel papier, de letters zullen zichtbaar worden. (Thuis eerst uitproberen en controleren.)

Waarom geloofde je het wel/niet? Geloof je mij op mijn woord: wat zou dit met de Heere te maken hebben? Na de vertelling terugkomen op de laatste vraag: Wanneer geloof je iemand wel/niet? Geloof je de Heere op Zijn Woord? Je ziet het niet. Maar als Hij het zegt, is het waar!

Zingen en lezen

Zingen

Psalm 93: 1-4
Psalm 111: 2,3,5
Psalm 84: 3,6
Psalm 105: 5
Psalm 103: 1,2,3
Psalm 136: 1,4,26
Psalm 89: 3,4,14
Psalm 77: 5,8
Lofz. Zach. vs. 2
Psalm 130 :3,4

• Heb je wel gehoord van Abraham…
• Wie maar de goede God laat zorgen…
• Nooit kan ’t geloof te veel verwachten…

Lezen
Genesis 18: 1-15/16

Kerntekst
Genesis 18:14 Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben.

Vertelling

Het is midden op de dag. Het is warm. De meeste mensen hebben de schaduw opgezocht. Want buiten is het nu veel te heet. Kijk, daar bij de eikenbossen van Mamre in het land Kanaän staan onder de lage bomen wat tenten. In de deur van een van de tenten zit een man. Hij zit in gedachten. Wie is die man en waaraan zou hij denken?

Die man is Abraham. Hij woont nu al bijna vijfentwintig jaar in Kanaän. Eerst woonde hij in Ur der Chaldeeën, een land heel ver bij Kanaän vandaan. Daar diende hij samen met zijn familie de afgoden. Maar toen was de Heere gekomen. Hij had gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen. De Heere had beloofd hem in een land te brengen dat Hij aan hem en aan zijn kinderen zou geven. De Heere zou hem zegenen. En het allerbelangrijkste was: uit zijn kinderen zou de lang beloofde Messias geboren worden, Die de Heere in het paradijs al aan Adam en Eva beloofd had, en Die zou komen om mensen weer met God te verzoenen. Die weer vrede tussen de Heere en de mens zou maken.

Gehoorzaam was Abram op reis gegaan. Saraï, zijn vrouw was meegegaan. Uiteindelijk waren ze veilig in Kanaän aangekomen. En ja, de Heere hád hem gezegend. Hij kreeg veel vee, knechten en dienstmeisjes. Maar… een kind hebben hij en Sara niet. Toch, een poosje geleden was de Heere weer teruggekomen, na veel jaren waarin veel was gebeurd. De Heere had gezegd: “Abram, Ik richt Mijn verbond met je op. Nu zal het niet lang meer duren of Saraï, je vrouw, zal een kindje, een zoon krijgen. Daarom krijg je een andere naam: voortaan heet je Abraham. En Saraï moet je voortaan Sara noemen.” Verwonderd had Abraham geluisterd. Sara, een kindje? Ze waren al zo oud. En Ismaël dan, de zoon van het dienstmeisje Hagar, die was er toch ook nog? Hij had het gezegd tegen de Heere: Och, dat Ismaël mocht leven. “Ja”' had de Heere geantwoord, “voor Ismaël zal Ik ook zorgen, maar hij is niet de zoon die Ik je beloofd heb. Die zal uit Sara geboren worden en dat zal over een jaar gebeuren. Die zoon moet je Izak noemen.” Wat was Abraham blij geweest toen de Heere hem dat verteld had. Vanaf die dag heette hij Abraham en Saraï heette vanaf toen Sara. Hij had ook alles aan Sara verteld, zoals hij altijd had gedaan als de Heere bij hem was geweest om hem meer over de belofte te vertellen.

En daar zit Abraham nu, in de deur van zijn tent. Als hij opkijkt, ziet hij dat er drie mannen aankomen. Het zijn vreemdelingen; hij weet niet wie het zijn. Toch staat hij vlug op en loopt naar ze toe. Zo midden op de dag, als het zo warm is, heb je toch in ieder geval water nodig en een koele plek om even uit te rusten? Als je als vreemdeling door het land Kanaän reist, kan dat best gevaarlijk zijn. Er is niemand die je beschermt. Terwijl Abraham hen groet, maakt hij een buiging, zoals de mensen dat daar gewend zijn, en vraagt: “Wilt U bij mij wat uitrusten en de maaltijd gebruiken? Ik zal voor water zorgen om Uw voeten te wassen, en U kunt uitrusten onder deze boom. Ook zal ik voor brood zorgen.” Even later heeft Abraham hen een plekje gegeven onder de boom. Dan loopt hij naar Sara die in de tent is en zegt: “Sara, neem snel drie maten meelbloem, kneed die en maak er koeken van.” Zelf gaat Abraham naar zijn vee. Daar zoekt hij een kalf uit. Dat neemt hij mee naar zijn knecht, die het klaar moet maken. Als alles klaar is - de koeken en het vlees - neemt Abraham ook nog boter en melk, en zet het op de tafel voor zijn gasten neer. Abraham staat bij hen als ze eten.

Plotseling vraagt Eén van hen: “Waar is Sara, uw vrouw?” Verbaasd kijkt Abraham op. Dat is een vreemde vraag… Dat vraag je nooit! Dat hoort niet. Vrouwen zijn in de tent en komen niet tevoorschijn als er vreemdelingen zijn. Maar nog wonderlijker is het dat die Vreemdeling weet dat ze Sara heet… Die naam heeft ze nog maar een paar weken. Die naam heeft de Héére haar gegeven… Abraham begint hier te begrijpen Wie die Man is Die bij hem op bezoek is gekomen. Vanaf het begin heeft hij wel gemerkt dat het geen gewone mannen waren, maar wie het nu precies waren, wist hij niet. Nu gaat de Heere - want Hij is het Zelf - laten zien Wie Hij is. En dat doet Hij door de woorden die Hij spreekt. Waar is Sara…? Abraham geeft maar een heel kort antwoord: “In de tent.” Dan gaat de Heere verder met spreken: “Ik zal voorzeker weder tot u komen omtrent, deze tijd des levens; en zie, Sara zal een zoon hebben.”

Verwonderd heeft Abraham geluisterd. Wat de Heere nu zegt is hetzelfde als wat Hij een poosje geleden ook heeft gezegd. Nu weet Abraham het zeker: Het is de HEERE Zelf Die bij hem op bezoek gekomen is. Wat een wonder. En Hij heeft Zijn belofte nog eens herhaald: de belofte van een zoon. Maar daar hoort ook de belofte van het land bij. En vooral: de belofte van de Messias, Die ook voor Abraham naar deze wereld zal komen om hem zalig te maken. Wat een bijzondere maaltijd is dat geworden. Wat is Abraham blij dat hij deze vreemdelingen heeft uitgenodigd.

- 0 – 0 – 0 – 0 – 0 – 0 –

Aan de andere kant van het tentdoek staat Sara. Ze heeft alles gehoord. Ze heeft gehoord dat er vreemdelingen kwamen en ze heeft voor het bezoek koeken klaar gemaakt. Nee, met hen aan tafel zitten en mee-eten mocht niet. Maar meeluisteren wel. En dat doet ze ook. En opeens, wat hoort ze daar? “Waar is Sara, uw vrouw?” Hè, hoe weet die Vreemdeling wie zij is? En dat ze Sara heet, en niet Saraï zoals eerst? Ingespannen luistert Sara verder. En dan…: “Voorzeker – het is echt waar – Sara zal een zoon hebben.” Wat had Sara gehoopt dat de Heere dát nog eens zou zeggen… De Heere had tegen haar man gezegd dat hij tot een groot volk zou worden. Sara had die belofte vast geloofd. Maar dat had de Heere tegen Abraham gezegd; niet tegen haar. Lang had ze gewacht en gehoopt dat ze toch ook nog een kind zou krijgen… Maar de jaren waren voorbijgegaan. Nu is ze oud geworden, al bijna negentig jaar. Vrouwen die zo oud zijn, krijgen geen kinderen meer… Toch heeft Sara ernaar uitgezien dat ze ook een kindje zou krijgen. Nee, niet alleen omdat ze dan ook moeder zou zijn, maar vooral om wat de Heere nog meer gezegd had. Dat uit dát kind de Heere Jezus geboren zou worden, Die ook Sara’s Verlosser zou zijn. Nog maar kortgeleden was Abraham weer bij haar gekomen. “Saraï”, had hij gezegd, “ik noem je voortaan Sara; dat wil de Heere.” Abraham had verteld hoe de Heere hem weer verschenen was en gezegd had, dat zij, Sara, een kindje zou krijgen; al was ze nog zo oud. En nu, nu vertelt de Heere het ook aan haar, terwijl ze luistert achter het gordijn van de tent. Nu hoort ze het zelf van de Heere! Sara zal wel blij zijn…

Blij? Verwonderd? O, kijk eens naar het gezicht van Sara. Nee, je hoort niets. Maar in het hart van Sara komen allerlei vragen. Ik? Ik ben al bijna negentig jaar… Zal ik nu nog een kindje krijgen? Dat kan toch niet…? En dan lacht Sara. Want wat ze hoort, kán niet meer. O, wat doet het haar pijn in haar hart. Maar ze lacht… Dát kan ze niet geloven… Nee, niemand ziet het dat ze lacht, want ze doet het niet hardop, maar zachtjes …

Maar opeens, o, hoor eens. Daar klinkt weer die stem: “Waarom heeft Sara gelachen?” Het is opnieuw de stem van de Heere: “Waarom heeft Sara gelachen?” Eigenlijk zegt de Heere: “Waarom gelooft Sara niet wat Ik zeg? Zou er voor de HEERE iets te wonderlijk zijn?” Wat schrikt Sara. De Heere weet dat ze gelachen heeft, omdat ze Zijn Woord niet gelooft. Hij laat dat ook merken. En toch, wat is de Heere goed! Hij zegt eigenlijk: “Sara, Ik weet dat je Mijn woord niet gelooft, en dat is zonde. Je vertrouwt Mij niet en je gelooft niet dat Ik het kan doen. Maar, Sara, Ik ben niet alleen alwetend, Ik ben ook almachtig. Ik kan alle dingen. Kijk nu maar niet naar jezelf, want dan kun je geen kindje krijgen. Maar Sara, kijk nu maar naar Mij. Ik ben de Almachtige, Ik kan alles. Voor Mij is niets onmogelijk. Toe, vertrouw nu maar op Mij. Ook al denk je dat het niet meer kan, bij Mij zijn alle dingen mogelijk. Want geen ding is Mij te wonderlijk!”

Wat doet Sara? Ze komt tevoorschijn. Ze moet wel! O, wat schaamt ze zich. Voor Abraham, maar bovenal voor de Heere. En wat doet ze dan? Ze zegt: “Ik heb niet gelachen.” Nu liegt ze nog ook… Maar de Heere antwoordt haar: “Nee, maar gij hébt gelachen.” De Heere bestraft haar opnieuw. Maar Hij neemt Zijn belofte niet terug. Wat is de Heere onuitsprekelijk goed. Wat heeft Hij een geduld met Zijn kinderen!

Toch heeft het ongeloof het niet gewonnen in het hart van Sara. Nee, de Heere heeft haar weer leren geloven. Ze heeft mogen vertrouwen op het woord van de Heere. Ze heeft het woord van de Heere mogen geloven. Ze heeft toch een kindje gekregen, ook al was ze al negentig jaar. Dat kindje hebben Abraham en Sara Izak genoemd; dat betekent: hij lacht. Toen heeft Sara weer gelachen, maar niet van ongeloof. Toen heeft ze gelachen van verwondering. Omdat de Heere zo goed is. Omdat Hij zo genadig is. En omdat Hij haar ook de zonde van het ongeloof vergeven heeft. Omdat Hij doet wat Hij belooft. Zou er voor de HEERE iets te wonderlijk zijn? Want zelfs van het ongeloof kan de Heere verlossen. Ook jou! Want voor de Heere is geen ding te wonderlijk. Hij kan ook jou bekeren.

Weet je waarom? Omdat de Heere niet kan liegen. Omdat Hij altijd doet, wat Hij zegt. Hij heeft beloofd: Ík zál… Ja, Hij heeft beloofd dat er Eén zou komen Die de satan zou overwinnen; Die ook het ongeloof zou overwinnen. Hij zal Koning zijn en eeuwig regeren. En dan zal er ook geen ongeloof meer zijn. Maar dan zal Hij alle eer krijgen. Hij, de Heere Jezus Christus, Die ook uit Sara wilde geboren worden. Zijn er bij jou ook van die dingen die zo onmogelijk zijn? Bij de Heere is dat niet zo. Vertel ze maar aan Hem. Want bij Hem is geen ding onmogelijk. Voor Hem is geen ding te wonderlijk!

Afsluiting:
Kom terug op de vraag die je aan het eind van de introductie hebt gesteld.

Achtergrondinformatie

Voorgeschiedenis
Abraham is door de Heere geroepen uit Ur der Chaldeeën. De Heere had hem niet alleen de opdracht gegeven alles te verlaten en te gaan naar het land dat Hij hem zou wijzen, maar had hem ook iets beloofd. Abraham zou een kind krijgen en een nageslacht, en dat nageslacht zou het land krijgen dat de Heere hem zou wijzen. Bovendien zou uit zijn nageslacht hét Zaad geboren worden, de Heere Jezus. Gehoorzaam is Abraham op reis gegaan, niet wetende waar hij komen zou. Maar hij geloofde wat de Heere gezegd en beloofd had. Dat is nu al vijfentwintig jaar geleden. En nog steeds heeft de Heere Zijn belofte niet vervuld. Abraham en Sara zijn oud geworden. Menselijkerwijs gesproken is het onmogelijk dat Sara nog in verwachting zal raken en een kind baren. Abraham heeft al eens tegen de Heere gezegd: “Bedoelt U met mijn zaad misschien mijn knecht Eliëzer?” Maar de Heere had toen gezegd: “Nee, maar die uit uw lijf zal voortkomen.” Niet zo lang geleden is de Heere weer gekomen en heeft gezegd: “Volgend jaar, dan zal Sara een zoon hebben.” De Heere heeft Abraham en ook Sara toen ook een nieuwe naam gegeven (eerst heetten ze Abram en Saraï, nu: Abraham en Sara). Maar de Heere heeft Zijn belofte nog niet Zelf aan Sara verteld. Nu komt Hij opnieuw.

Verschijningen aan Abraham
We lezen van vijf momenten dat de Heere aan Abraham is verschenen of tegen hem heeft gesproken. - De eerste keer dat de Heere Abram verscheen, was in Ur der Chaldeeën (Gen. 11:31- 12:3). Hij had hem toen de opdracht gegeven Ur der Chaldeeën te verlaten. De Heere had hem ook een belofte gegeven. Abram zou een land krijgen en een nageslacht, ook al was Saraï onvruchtbaar. En het belangrijkste: uit zijn nageslacht zou de lang beloofde Messias voortkomen. Wees een zegen, had de Heere gezegd. En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. - De tweede keer dat de Heere hem verscheen, was nadat Lot bij hem vandaan was gegaan (Gen. 13:14-17). De Heere had Zijn belofte vernieuwd. Hij had beloofd dat Abrams zaad zou zijn als het stof der aarde; zo talrijk. - Bij de derde verschijning had de Heere gezegd, dat zijn zaad zou zijn als de sterren des hemels; zo talrijk, maar ook zo heerlijk. - Nu, kort geleden, Abram was toen negenennegentig jaar, was de Heere opnieuw ( voor de vierde keer) gekomen. Hij had Abram een nieuwe naam gegeven, Abraham. De naam van Saraï (= ‘mijn vorstin’) moest Abraham veranderen in Sara (‘vorstin’), want vorsten zouden uit haar voortkomen. De Heere had een verbond met Abraham gemaakt (Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u, in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u Gen. 17:7) en hem het teken van de besnijdenis gegeven. Ook had Hij de tijd genoemd, wanneer Sara haar kind zou baren: in het andere jaar. De vervulling van de belofte was nu heel dichtbij. Abraham had het Woord van de Heere, hoe onmogelijk ook voor mensen, geloofd. - En deze ontmoeting is de vijfde keer.

Bij iedere verschijning maakte de Heere de belofte aantrekkelijker: een zaad; een zaad als het zand der zee; uw zaad zal zijn als de sterren (mooier dan zand). En de laatste keer sprak de Heere over Zijn verbond, een verbond van eeuwigheid. Daarom ook kwam dat Zaad, de Heere Jezus.

Sara
Saraï (= ‘mijn vorstin’) was de dochter van Thera. Zij was getrouwd met Abram, die een halfbroer van haar was (ze hadden wel dezelfde vader, maar niet dezelfde moeder, zie ook Genesis 20:21). Saraï wist van de belofte die de Heere aan Abram had gedaan en het spreken in zijn leven. In het geloof was ze met hem mee op reis gegaan.

Saraï was echter onvruchtbaar en alleen door een wonder zou er uit haar een kind geboren kunnen worden. Het is in haar leven dan ook de grote worsteling geweest, of het kind wat de Heere Abram beloofd had, ook háár kind zou zijn (of dat het misschien uit een andere vrouw zou geboren worden). Als er geen kind geboren wordt, stelt zij Abram dan ook voor om met haar dienstmeisje Hagar te trouwen; het kind dat daaruit geboren zal worden, zal dan háár kind zijn. Na vijfentwintig jaar komt de Heere echter opnieuw. Hij vernieuwt de belofte en belooft Abram een zoon, die uit Sara geboren zal worden. Zij zal daardoor ook een moeder worden van de Heere Jezus, Die uit haar zoon zal geboren worden. Niet alleen Abraham krijgt dan een nieuwe naam, maar ook Sara. Ze is dan negenentachtig jaar. En dan verschijnt de Heere om het ook Zelf aan Sara te vertellen. Maar Sara kan het niet geloven en ze lacht.

Inhoud van de belofte / om Wie het nu eigenlijk gaat bij die belofte
De Heere had Abraham een land, een zoon, maar bovenal de Messias beloofd. Daar ging het hem ten diepste ook om. Daarover kunnen we ook lezen in Hebr. 11:8 -10, 13-16. Toen Abraham stierf had hij in het land Kanaän alleen een grafspelonk. En hij had een zoon en kleinzonen. Maar Abraham had verder mogen zien. Hij had door het geloof de dag van Christus mogen zien, de komst van de Heere Jezus, Die in het paradijs al aan Adam en Eva beloofd was. Daarover lezen we ook Johannes 8:56, waar de Heere Jezus van Abraham getuigt: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.

Abraham heeft niet alleen de belofte geloofd, hij heeft door het geloof ook de vervulling mogen zien. Toen Izak geboren werd, heeft Abraham door Izak heen de geboorte van de Heere Jezus mogen zien. Zoals de Heere de belofte van dat Izak geboren zou worden vervulde, zou Hij ook de belofte van de geboorte van de Zaligmaker waar maken.

En zoals de Heere één belofte waar maakte en vervulde, was Hij ook machtig én getrouw alle andere beloften waar te maken en te vervullen. Hieruit blijkt dat het geloof een vaste grond is van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken, die men niet ziet (Hebr. 11: 1).

Eikenbossen van Mamre
Bij de eikenbossen van Mamre (of More) moeten we niet denken aan bossen, zoals wij die in ons land hebben. Het is misschien maar een enkele boom of struik geweest. ‘Terebinten’ (of eikenbomen) zijn geen hoge bomen, maar wel hebben ze een brede kruin, waardoor ze veel schaduw geven. Mamre lag bij Sichem, de eerste plaats waar Abraham zijn tent opsloeg toen hij uit Ur der Chaldeeën kwam. Daar is de Heere hem verschenen. Abraham heeft daar voor het eerst een altaar gebouwd, waarmee hij die plaats aan de Heere en Zijn dienst wijdde. Later is hij er regelmatig teruggekomen totdat hij zich er uiteindelijk heeft gevestigd.

Tenten
Een tent bestond uit twee gedeelten. In het ene gedeelte woonden de mannen, in het andere gedeelte woonden de vrouwen. Deze gedeelten waren door een dun tentdoek van elkaar gescheiden. Boven de deur van de tent was een luifel, waardoor je in de schaduw zat en door de wind mogelijk nog wat verkoeling kreeg.

Herbergzaamheid / gastvrijheid
In het land Kanaän was de gastvrijheid heel groot. Dat moest ook wel, want iemand die alleen reisde, was een gemakkelijke prooi voor rovers en wilde dieren. Een vreemdeling was eigenlijk een machteloos en rechteloos iemand als hij onderweg was. Herbergen waren er nog niet. Buiten slapen op het open veld was veel te gevaarlijk. En ook rondtrekkende bedoeïenstammen vormden een groot gevaar. Daarbij kwam dat in die tijd het land niet werd geregeerd door één regering. Overal waren ‘losse steden’ waarover een koning regeerde. Er waren dus ook geen wetten die overal golden. Het was dan ook heel gebruikelijk dat reizigers bij een huis aanklopten als ze iets nodig hadden of wilden overnachten.

De ogen van Abraham worden steeds meer geopend voor Wie er nu eigenlijk bij hem op bezoek is gekomen
Abraham krijgt bezoek, maar weet eerst nog niet Wie hem bezoekt. Hij gebruikt de gewone aanspraak: ‘Mijnheer’. Het besef dat die ene Man de Heere is, is langzaam in hem gaan groeien. Door de woorden die deze ene Man spreekt, laat de Heere zien Wie Hij is. Later zal ook blijken wie die twee andere mannen zijn. Een paar van die momenten zijn de volgende. -De Heere vraagt hem naar zijn vrouw, Sara. Zo’n vraag stelde men normaal gesproken jet. Daarbij komt dat niemand wist dat Abrahams vrouw Sara heette; die naam had ze nog maar kortgeleden van de Heere gekregen. En ook kon een vreemdeling niet weten dat Abraham en Sara geen kind hadden. -De Heere hernieuwt Zijn belofte. Hij zegt dat Sara het andere jaar, als Hij weder zal komen, een zoon zal hebben. - Als Sara in stilte heeft staan lachen, wat voor niemand zichtbaar was, toont Hij dat Hij de Alwetende is door te vragen: Waarom heeft Sara gelachen? Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? En dan het grote wonder: de Heere neemt Zijn belofte niet terug, maar bevestigt die. Over een jaar zal Ik wederkomen en Sara zál een zoon hebben.

Maaltijd
Abraham stelt zijn Gasten voor ‘een bete broods’ bij hem te eten. Met ‘brood’ wordt allerlei soort van eten bedoeld. In vers 4 t/m 8 wordt uitgebreid vermeld wat Abraham en Sara allemaal gaan doen en klaar gaan maken voor deze vreemdelingen. Abraham geeft hen water. Dat heb je nodig om te drinken – in Kanaän is het heel heet - maar ook om je voeten te wassen – de wegen daar zijn altijd heel stoffig. Het is warm, dus geeft hij hen een plaats onder de boom, zodat ze in de schaduw uit kunnen rusten. Abraham haast zich naar de tent, naar Sara. Ze moet van meelbloem - het beste en fijnste meel dat er was - koeken maken (dit waren ronde broden, die op een hete haard onder of op kolen, of in hete as gebakken werden). Hiervoor moet ze drie maten meelbloem gebruiken. Een maat was ongeveer zeven liter, drie maten was dus ruim 22 liter. Dit is veel te veel voor het aantal gasten dat Abraham krijgt, maar het tekent wel zijn gulheid en vriendelijkheid.

Dan gaat Abraham ook nog naar zijn kudden en zoekt daar een kalf uit; ook dat is het beste wat er is, het meest malse vlees. Dat geeft hij aan zijn knecht om dat klaar te maken. (Dit was geen werk voor Sara. Calvijn merkt hierbij op ‘dat ieder zijn eigen taak had’.) Als alles klaar is – en dat heeft wel even geduurd – neemt Abraham boter en melk, de koeken en het vlees (het klaargemaakte kalf), en geeft het de vreemdelingen. Zelf staat hij erbij om te zien of er misschien nog iets ontbreekt. Abraham geeft zijn gasten niet alleen het beste dat hij heeft, maar het is ook een overvloedige maaltijd. Wat daarvan overbleef was voor het huisgezin en de dienstknechten en dienstmeisjes.

De les daarin voor ons
De Heere gebiedt in Zijn wet dat we onze naaste lief moeten hebben als onszelf. Daar hoort ook de vreemdeling bij. De vreemdeling neemt in Gods Woord dan ook een belangrijke plaats in. Hij wordt door de Heere beschermd. Later zal de Heere het volk van Israël eraan herinneren dat ze zelf ook een vreemdeling zijn geweest in een vreemd land. Exodus 23:9: Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland. Daarom ook kreeg de vreemdeling bescherming in Israël en waren er zelfs speciale wetten. Van Abraham zelf wordt ook regelmatig gezegd dat hij als vreemdeling heeft verkeerd in Kanaän.

Ook de Heere Jezus heeft het over de vreemdeling. Zie bijvoorbeeld Mattheüs 25:35, 38, 43 en 44. En in Psalm 146 staat: DE HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande (Psalm 146:9). Ze worden hier en op meer plaatsen in één adem genoemd met de weduwe en de wees. De Heere wil dat we voor hen zullen zorgen. Dat geldt trouwen niet alleen de vreemdeling, maar alle mensen. Hoe gaan wij om met vreemdelingen? Hoe gaan wij om met gasten? Wat doen we als er vreemdelingen in de kerkdienst komen? Zijn we dan gastvrij? Zeggen we ze gedag, spreken we ze aan en zijn we behulpzaam? In zijn algemeenheid: Hoe gaan wij met mensen om? Zijn we behulpzaam? Zijn we vriendelijk tegen hen? En ook: Hoe gaan wij - als kinderen - om met kinderen die anders zijn dan wij? (Dat kan overigens op allerlei gebied zijn: gedrag, kleding, gaven van gezondheid en verstand.)

De Heere verschijnt in een menselijke gedaante en eet
In dit hoofdstuk verschijnt de Heere in een menselijke gedaante (dat geldt ook voor de engelen). En Hij heeft gegeten. Augustinus zegt daarover zo mooi: ‘Er is een verschil tussen wat de Heere dóet en wat de Heere kán.’ Dat betekent dat de Heere geen voedsel nodig heeft zoals wij. Maar als Hij wil, wél eten kán.

Onwetend engelen geherbergd
Paulus schrijft aan de Hebreeën in hoofdstuk 13:2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. Dit geldt ook voor Abraham in dit hoofdstuk. Ja, zelfs nog meer. Want Abraham kreeg niet alleen bezoek van engelen, maar van de Heere Zelf.

Iets voor de HEERE te wonderlijk?
We komen deze uitspraak vaker tegen in de Bijbel. Als de engel aan Maria de boodschap heeft gebracht dat zij moeder zal worden van de Heere Jezus, vertelt hij haar aan het eind dat Elisabet haar nicht ook een kind verwacht in haar ouderdom. En dan zegt hij zegt: Want geen ding zal zij bij God onmogelijk zijn (Luk. 1:37). Als Jeremia van de Heere de opdracht krijgt een akker te kopen – en dat terwijl de stad omsingeld is door vijanden die Jeruzalem en het hele land binnen korte tijd zullen veroveren – bidt Jeremia: HEERE, geen ding is U te wonderlijk (Jer. 32:17). De Heere antwoordt hem in vers 27 met: Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn? Ook in Zacharia 8:6 lezen we iets soortgelijks: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen. We kunnen ook denken aan de geschiedenis van de aankondiging van de geboorte van Simson (Richt. 13:18). Daar zegt de Heere van Zichzelf als Manoach en zijn vrouw Hem naar Zijn Naam vragen, dat die Wonderlijk is. En als de rijke jongeling bedroefd is weggegaan en de discipelen de Heere Jezus vragen: Wie kan dan zalig worden? zegt de Heere: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. (Matth. 19:26). Of zoals Lukas het schrijft: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God (Luk. 18:27).

In Genesis 18 kunnen de woorden Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? ook betekenen: Zou enig ding voor de HEERE verborgen zijn? Dan is Gods alwetendheid hier tot troost.

Sara’s geloof in Gods trouw
In Genesis 21 staat: De HEERE bezocht Sara. In Hebreeën 11 lezen we dat Sara kracht ontving om te baren. Er staat daar een getuigenis van haar: dat ze Hem getrouw achtte, Die het beloofd had. Het is in de maanden nadat de Heere verschenen was en Sara Zijn woord niet geloofde, wel veranderd. Sara is bij de belofte terechtgekomen. Ze mocht toch weer geloven. Geloven, dat de Heere alles kan en dat Hij de Getrouwe is Die doet wat Hij zegt. Dat lag niet aan Sara, maar daar zorgde de Heere voor. Hij houdt Zelf het geloof in stand en haalt het ook weer tevoorschijn; ook steeds weer opnieuw. De HEERE staat voor Zijn eigen werk in. Hij blijft de Getrouwe.

Belijdenisgeschriften
Gods trouw: wat de Heere beloofd heeft, zal Hij ook zeker doen, hoe onmogelijk het ook lijkt te zijn, maar Zijn Naam is HEERE.

Heidelbergse Catechismus
• Zondag 7, vr. 21, Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis (…) maar ook een vast vertrouwen (…) alleen om der verdienste van Christus‘ wil. • Zondag 9, Dat de eeuwige God en Vader van onze Heere Jezus Christus om Zijns Zoons Christus’ wil mijn God en mijn Vader is, op Welke ik alzo vertrouw… • Zondag 10, De voorzienigheid Gods: de almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods vr. 22, al wat ons in het Evangelie beloofd wordt. • Zondag 23, vraag 59 en 60, door het geloof rechtvaardig voor God. Vraag 112, het negende gebod: ‘Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.’ Dat is: Dat ik allerlei liegen en bedriegen als eigen werken des duivels vermijde…

Nederlandse Geloofsbelijdenis
• art. 18, dat God de belofte die Hij de oudvaderen gedaan had door de mond Zijner heilige Profeten, volbracht heeft …

Dordtse Leerregels
• Hoofdstuk 2 art. 8, dat God de Zijnen getrouwelijk bewaart … • Hoofdstuk 5 art. 3, maar God is getrouw, Die hen in de genade, hun eenmaal gegeven barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.

Antwoorden bij werkboekje -10

Weet je het nog?

Kies uit: waar of niet waar
Hieronder staan 12 zinnen. Lees de eerste zin. Kies uit: waar of niet waar. Zet er een rondje omheen. Doe dat met alle zinnen.

1. Abraham en Sara wonen in het land Kanaän. waar
2. Ze wonen bij een dennenboom in Mamre. niet waar
3. De Heere heeft Abraham een kind beloofd. waar
4. Sara kon eerst wel kinderen krijgen, maar nu niet meer. niet waar
5. Abraham is nu bijna honderd jaar en Sara bijna negentig jaar. waar
6. Op een dag komt de Heere met één engel bij Abraham op bezoek. niet waar
7. Als ze gegeten hebben, vraagt de Heere waar Sara is. waar
8. Sara is in de tent en geeft antwoord. niet waar
9. Dan zegt de Heere dat Sara over twee jaar een kind zal krijgen. niet waar
10. Sara hoort het en lacht zachtjes, zodat niemand het hoort. waar
11. Maar de Heere zegt: Waarom heeft Sara gelachen? waar
12. Sara komt tevoorschijn en zegt eerlijk dat ze dat gedaan heeft. niet waar

1. Voor Sara was het eigenlijk onmogelijk dat ze nog een kind zou krijgen. Dat komen we meer tegen in de Bijbel. a. Zoek bij de volgende vader en moeder op, wie hun kind was; en ook waarvoor de Heere dat kind later wilde gebruiken (gebruik voor de vakken die bij elkaar horen dezelfde kleur).

Zacharias en Elisabet

Izak en Rebekka

Hanna en Elkana

Manoach en zijn vrouw

Jakob en Rachel

Simson

Jozef en Benjamin

Johannes de Doper

Jakob

Samuël

Richter en profeet; hij mocht David tot koning zalven

Voorloper van de Heere Jezus

Voorvader van de Heere Jezus

Richter, die zijn volk verloste van de vijanden

Stamvaders van het volk van Israël, waaruit de Heere Jezus zou geboren worden

b. Kijk nu eens naar de laatste kolom. Wat valt je op? Die wonderlijke geboortes hadden allemaal te maken met de komst van de Heere Jezus en Zijn Rijk. c. Heeft dat vandaag ook nog betekenis? (Wat betekent dat dan als er vandaag kinderen worden geboren? Waarom is dat?) Het Koninkrijk van de Heere is nog niet vol! d. En wat betekent dat dan voor jou? Dat betekent dat jij ook nog bekeerd kunt worden, een nieuw hart kunt krijgen. En, als je een hart hebt dat de Heere liefheeft, vraag dan maar aan Hem of jij ook in Zijn Koninkrijk mag werken, zodat er nog meer mensen de Heere leren kennen en Zijn Koninkrijk mogen komen.

2. Gastvrijheid.
a. Wat is dat? Dat andere mensen – gasten – welkom zijn, en dat we dat ook laten merken. Dat je voor ze zorgt. En dat kan op allerlei manieren. Dat begint al bij de manier, waarop wij met anderen omgaan. Zijn we vriendelijk tegen anderen? Helpen we anderen? Zorgen we voor anderen? Maken we een praatje met anderen? Het kan ook door anderen uit te nodigen om samen ergens heen te gaan. Of door ze bij ons thuis uit te nodigen, om samen iets te doen, of samen te eten.

b. Bij jullie in de klas komt een meisje of jongen uit een ander land. Wat zou jij voor hem of haar kunnen doen? Vriendelijk zijn tegen anderen. Een praatje maken. Anderen helpen als je merkt of denkt dat ze hulp nodig hebben. Je kan ook anderen ergens mee naar toe nemen, bijvoorbeeld naar de vereniging of de kerk. Of ze bij jullie thuis uitnodigen om samen iets te doen, of samen te eten.

c. Wat doe jij? Dit is een heel persoonlijke vraag. Het ene kind is spontaner dan het andere. Het ene kind zal meteen op een nieuw kind afstappen terwijl het andere eerst afwacht. Laat de kinderen maar komen met hun verhaal. Geef echter geen oordeel!

3. Sara zei: ‘lk heb niet gelachen’. Wat doe jij als je iets gedaan hebt en het wordt ontdekt? Wat kies jij? Waarom?

Dan zeg ik ook dat ik het niet gedaan heb.

Ik zeg eerlijk, dat ik het gedaan heb.

Antwoord: Dit antwoord zal per kind verschillen. Er zullen kinderen zijn die zeggen dat ze ook zouden doen wat Sara deed: ontkennen als je iets verkeerds gedaan hebt. Vaak is dat uit angst voor straf of omdat iemand zich schaamt. Mogelijk zullen er ook kinderen zijn die zeggen dat ze het eerlijk zouden vertellen. Belangrijk is dan, om te laten vertellen waarom ze dat zouden doen. De Heere wil dat we eerlijk zijn en dat we verkeerde dingen, zonden, eerlijk belijden. Dat we ook betrouwbaar zijn, dat anderen ons kunnen vertrouwen als we iets zeggen, hoe moeilijk dat (misschien) ook is.

4. Geloof/ongeloof
Hier staat Hebr. 11 vers 11. Lees deze tekst samen.

‘Sara heeft kracht ontvangen en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.

a. Probeer eens met eigen woorden te zeggen wat hier staat. Sara heeft kracht gekregen om een kindje te krijgen, ook al was ze eigenlijk te oud om nog kinderen te krijgen. Dat kwam, omdat ze geloofde dat de Heere getrouw is. Dat Hij alles kan en dat Hij doet wat Hij belooft.

b. Wat is het verschil met wat we in Genesis 18 over haar lezen? Hier staat dat ze geloofd heeft. In Genesis 18 staat juist dat ze het niet geloofde…

c. Hoe kwam dat? Daar heeft de Heere Zelf voor gezorgd.

Puzzel
Antwoord: Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?

Antwoorden bij werkboekje +10

Weet je het nog?

Weet je het nog?
Hieronder staan 12 zinnen. Zoek in het vak onderaan het goede woord en vul het in. 1. Abraham en Sara wonen in het land Kanaän . 2. Ze wonen bij de eikenbossen van Mamre. 3. De Heere had Abraham een kind beloofd. 4. Abraham is nu bijna honderd jaar en zijn vrouw bijna negentig jaar. 5. Op een dag komt de Heere met twee engelen bij Abraham op bezoek. 6. Eigenlijk komt Hij nu speciaal voor Sara. 7. Als de Heere aan Abraham vraagt waar zijn huisvrouw is, zegt hij: In de tent. 8. Dan belooft de Heere dat Sara over een jaar een zoon zal hebben. 9. Als Sara het hoort, begint ze zachtjes te lachen, omdat ze het niet gelooft. 10. Wanneer de Heere dan vraagt waarom ze dat gedaan heeft, ontkent ze dat ze dat gedaan heeft.

1. Sara kon geen kinderen krijgen. Dat komen we meer tegen in de Bijbel. Probeer eens of je erachter kunt komen welk kind de volgende ouders kregen. En ook waarvoor de Heere hun kind later wilde gebruiken.

a. Zoek bij de volgende vader en moeder op, wie hun kind was. Schrijf in de laatste kolom op, waarvoor de Heere dat kind later wilde gebruiken.

Zacharias en Elisabet

Izak en Rebekka

Hanna en Elkana

Manoach en zijn vrouw

Jakob en Rachel

Johannes de Doper

Jakob

Samuël

Simson

Jozef en Benjamin

voorloper van de Heere Jezus.

voorvader van de Heere Jezus.

Richter en profeet, die David tot koning mocht zalven

Richter, die zijn volk verloste van de vijanden

Stamvaders van het volk van Israël, het volk waaruit de Heere Jezus geboren zou worden.

b. Kijk nu eens naar de laatste kolom. Wat valt je daar op? Die wonderlijke geboortes hadden allemaal te maken met de komst van de Heere Jezus en Zijn Rijk.

c. Heeft dat vandaag ook nog betekenis? (Wat betekent dat dan als er vandaag kinderen worden geboren? Waarom is dat?) Het Koninkrijk van de Heere is nog niet vol! d. En wat betekent dat voor jou? Dat betekent dat wij ook nog bekeerd kunnen worden, een nieuw hart kunnen krijgen. En, als je een nieuw hart hebt, vraag dan maar aan de Heere of jij ook in Zijn Koninkrijk mag werken, zodat nog meer mensen de Heere leren kennen en in Zijn Koninkrijk mag komen.
2. Gastvrijheid.
a. Wat zou jij dat doen als er bij jullie in de klas of op de vereniging of in de kerk een jongen of meisje uit een ander land zou komen? b. Wat zou jij voor hem of haar kunnen doen? c. Wat zou je zelf fijn vinden als je op een nieuwe school kwam, waar je niemand kende? Wat zou je graag willen, hoe de kinderen dan tegen je deden? d. Met welke tafel van de wet heeft dat te maken? (Zoek eens op: HC Zondag 2, vraag en antw. 4, Zondag 40, vraag 107).

Antwoord:
a. Antwoorden kunnen per kind verschillen. Er zullen kinderen zijn die heel spontaan zijn en met nieuwe kinderen makkelijk een praatje maken. Anderen zullen schuchterder zijn en niet zo makkelijk een praatje beginnen. Het gaat er echter vooral om dat ze zich zo gedragen dat anderen zich welkom voelen. Dat ze vriendelijk zijn. b. Vriendelijk zijn. Een praatje maken. Behulpzaam zijn. Dat kind erbij betrekken bij wat jullie doen. Bijvoorbeeld hem/haar in de pauze niet alleen laten staan/zitten. c. Dat de kinderen vriendelijk tegen je zijn en je helpen. Dat ze een praatje met je maken en je niet alleen laten. d. De tweede tafel van de wet: je naaste liefhebben als jezelf.

3. Sara zei dat ze niet had gelachen. a. Wat deed Sara daar? b. Waarom deed ze dat? c. Tegen welk gebod zondigde ze? (Zoek eens op H.C. Zondag 43, vraag 112) d. Waarom is dat zo erg? (Hoe wordt dat in vraag 112 zelfs genoemd?)

Antwoord:
a. Liegen. b. Ze was geschrokken en ze schaamde zich. c. Tegen het gebod dat we geen valse getuigenis mogen spreken. d. daarmee doen we de Heere verdriet. Hij wil dat we eerlijk zijn. In het negende gebod gaat het over vals (verkeerd) getuigenis geven. Liegen en bedriegen worden daar zelfs ‘eigen werken van de duivel’ genoemd)

4. Geloof/ongeloof
Hieronder staat Hebreeën 11 vers 11. Lees hem samen.

‘Sara heeft kracht ontvangen en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.

a. Probeer eens met eigen woorden te zeggen wat hier staat. b. Wat is het verschil met wat we in Genesis 18 over haar lezen? c. Hoe kwam dat?

Antwoord:
a. Ook al was Sara eigenlijk al te oud. toch heeft ze nog een kindje gekregen. Ze vertrouwde op de Heere en geloofde dat Hij haar kon helpen en dat Hij dat ook zou doen. Dat Hij zou doen, wat Hij beloofd had. b. In Genesis geloofde ze het woord van de Heere niet. In deze tekst staat dat ze het wel geloofde. c. De Heere had ervoor gezorgd dat ze toch weer geloofde.

Puzzel
Wat lees je?

Voor de HEERE is niets te wonderlijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Kompas Handleiding | 19 Pagina's

Handleiding 3: Eten voor Abrahams gasten

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Kompas Handleiding | 19 Pagina's