Handleiding 6: Jona
Thema: Jona in de vis
Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.
Toelichting op het thema
Dit jaar zijn de vertellingen gegroepeerd rondom het thema ‘dieren’. Deze schets gaat over Jona in de vis.
Doel van de vertelling
We willen aan de hand van dit verhaal de kinderen meegeven dat God, de Schepper van de hemel en aarde, alles in Zijn macht heeft. Hij regeert. Alle schepselen zijn in Zijn hand en gehoorzamen Hem. Hij bestuurt elk schepsel: de mens, de wind, de zee, de vissen… enz. God ziet en weet alles. Jona kon Hem niet ontlopen. God gaat zo met elk schepsel Zijn weg. Wij bepalen niet onze eigen weg.
Deze geschiedenis laat ook zien dat God barmhartig is en groot van goedertierenheid. Hij is genadig. Voor Jona, voor de heidenen en ook voor ons.
Introductie van het thema voor de kinderen
(kies 2 kinderen uit die goed kunnen samenwerken en die elkaar vertrouwen)
Laat een kind een blinddoek omdoen. Een ander kind moet nu een route met de ‘blinde’ lopen. Zet een stoel of iets anders in de weg. Hier moet het kind de ‘blinde’ omheen of langs leiden. Of laat het kind de ‘blinde’ door een deur leiden. Bespreek daarna de volgende vragen:
- Wie bestuurde er?
- Wie volgde?
- Zou de geblinddoekte ook de weg alleen hebben geweten? (misschien wel een stukje, maar hij zou zonder hulp een keer vastlopen)
- Wat was er gebeurd met de blinde (bij de stoel) als er geen bestuurder was? (Hij was tegen de stoel aangelopen. Hij was gevallen)
- Wat was er gebeurd als de bestuurder “rechts” had gezegd en de blinde was naar links gegaan?
Vertel de kinderen dat God ons leven ook zo leidt. Hij is de Bestuurder van alle dingen. Als we onze eigen weg kiezen, kan dat even goed gaan maar het loopt uiteindelijk verkeerd af. Vraag de kinderen naar dit leerpunt te luisteren in het volgende verhaal van Jona.
Zingen
Liederen:
Hanna Lam: Jona
Tot Zijn eer: Psalm 42: lied 2 en 3 (nr. 85)
Tot Zijn eer: ‘Gedenk aan je Schepper’ (nr. 33)
Tot Zijn eer: ‘Heer’, wat wilt Gij dat ik doe’ (nr. 43)
Psalmen over Gods almacht en regering:
89:5: Gij kent de woeste zee, zij luistert naar Uw wil.
95:2, 3, 4: ‘t Is al gehoorzaam op Zijn wenken.
99:1: God de Heer’ regeert!
139:1: Niets is o Oppermajesteit, bedekt voor Uw alwetendheid.
93:1, 4: De Heer regeert, de hoogste Majesteit. Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan.
Psalmen over bidden in nood en Gods redding/verhoring
34:2: Ik zocht in mijn gebed, den HEER’ ootmoedig met geween Hij heeft mij in angstvalligheen. Geantwoord, mij gered
86:5: Al de heid’nen door Uw handen… Gij zijt God, ja Gij alleen
107:4: God bracht na tegenheden, hen weer op t rechte pad
116:3: De Heer’ is groot, genadig en rechtvaardig. En onze God ontfermt Zich op t gebed
130:1, 2: Uit diepten van ellenden… Maar neen, daar is vergeving
141:1: ‘k Roep Heer, in angst tot U gevloden.
Lezen
Jona 2 (het gebed van Jona in de vis)
Kerntekst
Jona 2:10 (hieruit blijkt Gods almacht en zijn regering over mens en dier): De HEERE nu sprak tot den vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.
Vertelling
“Gooi mij maar overboord! Snel, doe het maar! Dan zal de zee rustig worden, want die storm komt door mij. Het is mijn schuld”. Vragend kijken de zeemannen elkaar aan. Moet dat echt? Kunnen ze deze man zomaar in dat wilde, woeste water gooien? Nee, dat durven ze niet. Is er echt geen andere manier om hun levens te redden?
Maar Jona weet het zeker! Het is zijn schuld! Hij is op dit schip om bij God weg te lopen. Hij heeft precies het tegenovergestelde gedaan wat God wilde.
“Jona”, had God gezegd, “ga naar Ninevé en predik tegen haar”. Dat was een heel duidelijke opdracht. Jona begreep ook waarom hij erheen moest. Dat had God ook gezegd. De stad was rijk geworden. Het Assyrische rijk, waar Ninevé de hoofdstad van is, was aan het groeien in macht. Ninevé werd steeds meer een belangrijke stad. Maar, de inwoners kenden God niet. Misschien hadden ze weleens van Hem gehoord, maar ze dienden Hem niet. De inwoners van de stad Ninevé zondigden tegen Hem. Terwijl de HEERE, hun Schepper, elke dag voor hen zorgde. Ze leefden alsof er geen God is. En God zag dat. “Jona, Ik heb gezien hoe slecht de mensen zijn. Ik wil dat jij de mensen gaat vertellen wie Ik ben”.
Maar dat wil Jona helemaal niet! Hij wil juist dat de Assyriërs gestraft zullen worden. Dan hebben ze gelijk ook geen macht meer. Dan hoeven de Israëlieten niet bang te zijn voor dat Assyrische Rijk. Dat zou mooi zijn. Nee, ik ga niet naar Ninevé! Als de zonde van die stad dan zo erg geworden is, laat God de inwoners dan maar straffen. Jona denkt er niet over om juist die mensen te gaan waarschuwen. Stel je voor dat ze zich bekeren. Dan zou God zo genadig zijn om hen niet meer te straffen. Dan is God zo goed dat Hij die goddeloze stad niet verwoest.
Jona doet net alsof hij de stem van God niet gehoord heeft. Hij gaat precies de andere kant op dan de kant van Ninevé. Hij moet naar het oosten, maar hij vindt een schip dat hem heel ver weg naar het westen brengt. Jona, denk je nu echt dat je de HEERE kan ontlopen? God is toch overal? Hij ziet elk mens waar hij ook is. Je moet toch beter weten.
Jona vertelt de zeemannen dat hij graag mee wil naar Tarsis. Hij betaalt en dan mag hij aan boord. Zo snel mogelijk gaat Jona het ruim in. Ziezo, dat is gelukt!
Hij zoekt een fijne plek uit om wat uit te rusten en al snel is Jona in een diepe slaap. Jona is God vergeten. Hij wil Gods stem, Zijn opdracht niet horen. Maar God laat Jona niet zomaar gaan. God heeft hem een opdracht gegeven. En Jona denkt die te kunnen ontlopen door te gaan slapen. Hij had toch beter moeten weten..
Plotseling steekt er een heftige storm op. Machtige golven beuken tegen het schip, zomaar opeens. De zeemannen hadden dit niet verwacht. Ze hebben helemaal geen donkere wolken gezien. Ze kijken bezorgd. Zoiets hebben ze nog nooit meegemaakt. Wat is het water woest! Het schip zal breken. Ze zullen verdrinken! In doodsangst beginnen ze te roepen tot hun goden. Ze schreeuwen het uit! “Help ons!” Ondertussen werken ze uit alle macht om het schip leeg te ruimen. Heel de vracht gaat overboord. Het schip moet lichter worden. Ze hebben maar één doel: overleven! “Waar is die reiziger? Kan hij niet helpen?” Ze begrijpen er niets van. Waar is hij? De kapitein ziet Jona liggen. Wat?... Slaapt hij? Hoe kan deze man blijven slapen? “Zeg slaapkop! Wat is er met jou aan de hand? Sta op!! Roep tot jouw God! Misschien zal Hij aan ons denken, zodat we niet verdrinken!”
Jona schrikt wakker! Voorzichtig klimt hij naar het dek. Dan ziet hij ook hoe erg het stormt! Vreselijk waait de wind! De golven slaan over het schip heen. Onmiddellijk weet Jona het: Dit komt door mij! Dit is mijn schuld! God ziet en weet alles! God stuurt deze storm! Hij had dit kunnen weten. Door zijn ongehoorzaamheid zijn deze mannen in levensgevaar. Angstig kijkt hij de zeemannen aan. “Waarom gebeurt dit?” roepen ze. “De goden zijn boos! Wie heeft er iets verkeerds gedaan? Wie z’n schuld is dit? Laten we het lot werpen, dan weten we wie de oorzaak van deze storm is!” En…? Jona weet het al… Het lot valt op hem. Hij is de oorzaak. Hij is van God weggelopen.
De zeemannen kijken hem aan. Direct vragen ze: “Wat heb je gedaan? En waar kom je eigenlijk vandaan? Welk werk doe je? En bij welk volk hoor je precies?” Allerlei vragen vliegen om Jona’s oren. Hij moet ze beantwoorden. Hij zal wel moeten, want de zeemannen willen weten waarom die storm hen overkomt.
“Ik ben een Hebreeër, een Israëliet”, antwoordt hij. “Ik vrees de HEERE, de God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft”. Horen ze dat goed? Dient deze man een God Die ook de zee maakte? Ze schrikken. Dan is deze God wel heel boos! Deze ontzaglijke storm komt van die God! Dat kan niet anders! “Wat moeten we met u doen?’’ roepen ze uit! Ze zijn in doodsangst. Onophoudelijk slaan de golven tegen het schip. Nog even en dan… dan zullen ze allemaal verdrinken in de woeste zee!
“Gooi mij maar overboord! Snel, doe het maar! Dan zal de zee rustig worden, want die storm komt door mij. Het is mijn schuld”. Maar dat willen de zeemannen niet. Een mens overboord gooien? Een onderdaan van deze machtige God laten verdrinken? Die God, Die deze storm stuurt om te straffen… nee, dat durven ze niet. Ze zullen proberen naar de kant te roeien. Met al hun krachten roeien ze het schip. Maar dat lukt niet. Hij lijkt wel of de zee steeds wilder wordt.
Dan beginnen ze tot de God van Jona te roepen. Ze kennen Hem niet. Ze hebben Hem nooit gediend, maar ze schreeuwen het uit: “Och HEERE, laat ons niet vergaan! Straf ons niet als we deze man overboord gooien! Laat ons geen moordenaars zijn van deze man. U doet, HEERE, wat U wilt! U bestuurt deze storm! We kunnen niet anders dan Uw knecht overboord gooien!”
Ze tillen Jona op. Ze dragen hem naar de reling en dan… dan gooien ze hem in de ruwe zee! Nog heel even zien ze hem. Al snel is hij verdwenen. Opeens… Wat gebeurt er nu? Het is plotseling heel stil om hen heen. De wind is weg. De golven zijn weg. Het water is vlak. Kleine golfjes kabbelen om het schip. Hoe kan dat? De God van Jona heeft hen gehoord! Dat weten ze zeker! Hij heeft ervoor gezorgd dat de wind weg is. Hij heeft hen gered! Stil van ontzag en verbazing kijken ze elkaar aan. Ze weten niet wat ze moeten zeggen. Maar één ding weten ze zeker. De God van Jona moet gediend en gedankt worden. Snel zetten ze koers naar de kust. Daar danken ze God, de God van Jona, met offers. Ze beloven Hem alle eer te geven die Hij toekomt. Ze willen vanaf nu alleen Hem dienen. Deze heidense zeemannen hebben Gods macht gezien. Ze hebben gezien hoe de winden en de zee Hem gehoorzamen. In die God willen ze geloven. En Jona? Waar is hij?
…
Jona zinkt weg in de golven. Hij moet sterven! Door zijn eigen schuld! Hij is ongehoorzaam geweest aan God. God had tegen hem gezegd dat hij naar Ninevé moest gaan en hij ging precies de andere kant op. Dat loopt niet goed af, Jona. Je had het kunnen weten.
Maar dan opeens opent een enorme vis zijn bek vlakbij Jona. Voordat Jona beseft wat er gebeurt, wordt hij opgeslokt door een grote vis. Het is donker om hem heen. Daar zit je nu, Jona, in de maag van de vis. Je kunt geen kant meer op. Welke weg je ook wilde gaan, nu kun je niets meer. God doet met je wat Hij wil. Hij bestuurt je leven. Je kunt niet voor Hem op de vlucht. Jona weet het. Hij huilt. Hij bidt: “Heere, ik moet sterven. Heere, red mij uit dit graf!” Jona voelt dat hij straf verdiend heeft. Hij heeft gezondigd! Maar hij voelt ook dat God hem hoort. En dan wordt het zo rustig in zijn hart. Jona voelt dat de HEERE hem hoort en ziet! Zelfs in deze vis, in deze stikdonkere omgeving, ziet Hij hem. God ziet hem overal! God hoort hem roepen! Je kan voor God niet op de vlucht!
God weet van zijn benauwdheid. De Heere ziet zijn tranen. Hij ziet het hart van Jona. Dat geeft Jona hoop. God kan hem redden. God zal hem redden. En hij zal Gods stem nu wel gehoorzaam zijn. God zal ervoor zorgen dat hij weer in de tempel in Jeruzalem komt. Daar zal hij Hem loven en danken. Drie dagen lang en drie nachten zit Jona daar.
En dan… opeens komt er beweging in de vis. De vis spuwt Jona uit. Moet hij nu toch verdrinken? Nee, God stuurt de vis naar het strand. God spreekt tot de vis wat hij moet doen en dan spuwt hij Jona uit op het droge. God regeert.
Jona moest het leren dat hij Gods stem niet ongehoorzaam kan zijn. Wij horen ook elke dag Zijn stem. Luisteren we ernaar? Of doen we net alsof we zijn stem niet horen?
Nat en vies zit Jona op het strand. Hij is gered. God is goed voor hem geweest. En dat terwijl hij zo ongehoorzaam was geweest. Het had ook anders kunnen aflopen.
“Jona!” God spreekt weer tot Jona. “Sta op. Ga naar de grote stad Ninevé en spreek tegen haar wat Ik u zeggen zal!” Niet jouw wil, Jona, maar Mijn wil zal gebeuren. Je moet zeggen wat Ik wil. Je moet doen wat Ik wil. Ik bestuur alle dingen. Dat had je kunnen weten…
Jona staat op. Hij is gehoorzaam. Hij hoort Gods stem en hij luistert ernaar. Hij gaat nu wel naar het oosten. Hij gaat naar Ninevé. Wat een grote stad! Jona gaat de stad binnen. Hij spreekt wat God wil. “Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd! Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd!” Een paar straten verderop roept hij het weer: “Nog veertig dagen en dan zal Ninevé worden omgekeerd!” De hele dag door vertelt hij aan de mensen dat het niet goed met hen zal aflopen. En wat doen ze? Jagen ze hem de stad uit? Laten ze hem praten? Zo’n vreemdeling uit Israël? Nee, met schrik luisteren ze naar zijn boodschap. De woorden raken hen diep in hun hart. Het zijn niet Jona’s woorden. Het zijn de woorden van de levende God! Ze horen Zijn stem en lopen er niet voor weg! Ze doen niet net zoals Jona eerst gedaan heeft. De inwoners van Ninevé geloven wat Jona zegt. Ze zien straks hun stad in puin liggen. En dat door hun schuld! Wat leven ze zondig. Ze krijgen berouw. “We moeten vasten!” roepen ze. “Stop met eten en drinken en feest vieren. We moeten allemaal vasten en laten zien dat we berouw hebben over onze zonden!” De mensen trekken niet hun gewone kleren aan, maar trekken grauwe zakken aan. Dat is een teken van berouw. Ook de koning van de stad staat op en trekt zijn koninklijke mantel uit. Ook hij doet een zak aan. Hij stuurt boodschappers door de stad met de opdracht dat niemand meer iets mag eten of drinken. Geen mens. Zelfs de dieren mogen niet meer weiden en gras eten of water drinken. “We moeten allemaal tot God roepen! Iedereen moet stoppen met alle slechte dingen en met het geweld dat in de stad is. Samen moeten we tot God roepen en Hem smeken om vergeving. Misschien wil God nog naar ons luisteren”. Ze vragen zich niet af of God hen wel hoort en ziet. Hij weet en ziet alles. Dat weten ze. Maar misschien krijgt God dan berouw van Zijn plan om de stad om te keren. “Roep tot God!” zo klinkt de opdracht, “en verlaat de boze, verkeerde weg! Wie weet, wil God Zijn straf niet geven, zodat we niet allemaal hoeven te sterven!”
Veertig dagen gaan voorbij….
De straf komt niet. Ninevé blijft gespaard. Hij zag wat ze deden en dat ze geloofden wat Jona had gezegd. De inwoners van Ninevé hoorden Gods stem. Maar ze liepen er niet voor weg. Nee, ze luisterden ernaar. En God hoorde hun geroep! Hij zag hun berouw! Wat is God goed! Hij vergeeft. Zijn vergeving is groter dan onze schuld! Ook aan heidenen wil Hij Zijn genade geven.
Jona… je had het kunnen weten… God is barmhartig en genadig. Zijn macht is groot, Zijn trouw zal nooit vergaan! Zijn genade is ook voor de heidenen. Voor God maakt het niet uit wie je bent. Hoor je Zijn stem? Kies niet je eigen weg, maar volg de HEERE in alles. Zoek Hem en leef!
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte
Jona
De geschiedenis van Jona heeft plaatsgevonden in de achtste eeuw voor Christus, ten tijde van de regering van Jerobeam II (780-751 v. Chr). Het Assyrische rijk, met Ninevé als hoofdstad, was in grote opkomst. Daardoor vormde het steeds meer een dreiging voor Israël.
Jona was de zoon van Amitthai en kwam uit het stadje Gath-Efer, een dorpje in het noorden van Israël (zie Jozua 19:13). Omdat Jona ook genoemd wordt in 2 Koningen 14:25 weten we dat hij geleefd heeft ten tijde van Jerobeam II.
We weten niet zeker wie het Bijbelboek Jona heeft geschreven. Waarschijnlijk was het Jona, maar het kan ook iemand anders zijn geweest.
Verhaal of geschiedenis?
Veel mensen betwijfelen of de gebeurtenissen uit het Bijbelboek Jona echt zijn gebeurd. Zij vinden het bijvoorbeeld erg moeilijk om te geloven dat een mens drie dagen kan doorbrengen in de buik van een vis. Zij zien Jona daarom als een verhaal met een boodschap. De Bijbel biedt geen grond voor deze gedachte. De belangrijkste reden is dat de Heere Jezus Zelf zegt dat Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de vis is geweest (zie Mattheüs 12:40). Hij trekt vervolgens de lijn door naar Zichzelf. Zoals Jona drie dagen in de buik van de vis zat, zal Hij drie dagen in de schoot van de aarde zijn. Dit zou de Heere nooit zo hebben gezegd als het Bijbelboek Jona slechts een verhaal is.
De Heere spreekt ook over de mannen van Ninevé, die zich hebben bekeerd op de prediking van Jona (Mattheüs 12:41). Terwijl Jezus meer is dan Jona, bekeren Zijn hoorders zich niet. Het geloof van de mannen van Ninevé zal blijken op de oordeelsdag. Ook dit zou Jezus nooit zo hebben kunnen zeggen wanneer de inwoners van Ninevé slechts personages uit een verhaal waren geweest. Bovendien oordeelt God op de oordeelsdag alleen mensen die echt hebben geleefd. (Bijbel met Uitleg)
Ninevé
Ninevé is de hoofdstad van het Assyrische rijk. Het lag op ongeveer 1200 km afstand van Samaria, de hoofdstad van Israël. Dit rijk was in de tijd van Jona in opkomst. De stad stond echter ook toen al bekend om zijn schoonheid en grootsheid. De grootsheid van de stad blijkt onder meer uit het Bijbelboek Jona. De profeet Jona had maar liefst drie dagen nodig om het naderende oordeel in heel de stad te verkondigen. Verder meldt het Bijbelboek dat de stad vele tienduizenden inwoners telt. Het was een echte koningsstad. De Assyrische vorsten deden van alles om de hoofdstad van hun rijk aanzien te geven. Er waren in de stad talloze tempels, dierentuinen, een grote bibliotheek en een schitterend paleis. Om drinkwater bij Ninevé te brengen, laat koning Sanherib een stenen kanaal aanleggen van 80 kilometer lang. De inwoners van Ninevé bekeren zich na de oordeelsprediking van Jona. Daarom straft God de stad niet (Jona 3:6-10). Later profeteert Nahum over Ninevé (Nahum 1:9 en 3:19). Ook hij kondigt Gods straf aan. Zijn profetieën zijn wel vervuld. Aan het einde van de zevende eeuw voor Christus komt er plotseling een einde aan het Assyrische wereldrijk. Een leger van Meden en Babyloniërs verovert Ninevé in 612 voor Christus. In 605 voor Christus wordt het Assyrische leger tijdens een beslissende veldslag verslagen door de Babylonische Nebukadnezar (Bijbel met Uitleg).
Hebben al de Ninevieten zich bekeerd? Sommigen wel, zoals blijkt uit de woorden van de Heere Jezus tegen het hardnekkige Joodse volk van Zijn dagen (Matth. 12:41). Bij anderen is het alleen bij een uitwendige bekering gebleven. Zoals God eens het zeer goddeloze Sodom en Gomorra wilde sparen, omdat er maar tien rechtvaardigen zouden zijn, zo spaart God nu Ninevé omwille van degene die zich oprecht bekeren.
Verschil tussen de Israëliet Jona en de heidenen
Jona belijdt dat hij de HEERE vreest, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft (Jona 1:9) en is toch de HEERE ongehoorzaam door Hem te proberen te ontvluchten. De heidense zeelieden reageren eigenlijk precies andersom. Als zij over de HEERE horen en Zijn macht zien, vrezen zij Hem met grote vreze en brengen ze offers (Jona 1:16). Op dezelfde manier bekeren de inwoners van Ninevé zich direct als zij Jona’s preek van slechts enkele woorden horen. (zie Jona 3:4b)
Jona als type van Christus (Mattheus 12:40)
Jona is een type van Christus, maar niet in het gedeelte in zijn leven dat hij ongehoorzaam is aan God. Jona is wel een voorbeeld van de Heere Jezus als hij drie dagen en drie nachten in de ingewanden van de vis is. Het is een beeld van de begrafenis en de opstanding van Christus. Zoals Jona de toorn van God ondergaat in een dodelijke, onbeschrijfelijke benauwdheid in de buik van de vis en daarna als uit het graf verrijst, zo zijn ook de golven van Gods toorn over Zijn geliefde Zoon gegaan. Ook Hij is op de derde dag opgestaan uit het graf. Ook is Jona een type van Christus in het punt van ‘Zich overgeven’. Jona liet zich vrijwillig in de zee werpen. Zo heeft de Heere Jezus Zich vrijwillig over gegeven om Zich te laten kruisigen. Met deze daad heeft Jona de levens van de zeemannen gered van de dood. De Heere Jezus heeft echter met Zijn overgave in de dood, de levens gered van een eeuwige dood. En daarbij Zijn kinderen het eeuwige leven gegeven. (Zie ook Mattheus 12:41: …en zie, meer dan Jona is hier).
Belijdenisgeschriften
Heidelbergse Catechismus, zondag 10
Vraag en antwoord 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
Vraag en antwoord 28: Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen en door Zijn voorzienigheid onderhoudt?
De belijdenis des geloofs artikel 13: Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 2022
Kompas Handleiding | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 2022
Kompas Handleiding | 16 Pagina's