JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 4: Jezus’ macht in Gadara

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 4: Jezus’ macht in Gadara

Thema: Dieren in de Bijbel

16 minuten leestijd

Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.

Toelichting op het thema
Dit jaar behandelen we in de Kompasschetsen het thema ‘Dieren in de Bijbel’. In iedere schets heeft een dier een plaats, hoewel dit natuurlijk slechts een ‘bijrol’ is. In deze schets gaat het over de varkens uit het land van Gadara.

Doel van de vertelling
In deze schets gaat het over de macht van de Heere Jezus over de duivelen, waardoor Legio bezeten was. Jezus kwam om de werken van de duivel te verbreken. Hij bevrijdde Legio van de duivelen. De dood van de varkens is een voorspel op het oordeel dat de duivel eens treffen zal. Het beangstigt de Gadarenen en zij hebben liever dat Jezus weer vertrekt.

Introductie van het thema voor de kinderen
Neem twee rookworsten mee: een runderrookworst en een varkensrookworst. Wie ziet er verschil? Welke zou duurder zijn? Welke lekkerder? Mag iedereen dit eten? Welke mensen eten er geen varkensvlees? (Joden, maar ook Moslims). Is dat omdat het minder lekker is? Nee, ze mogen het niet volgens de wetten van God. Varkens waren onrein. Wij weten niet precies waarom. Veel mensen proberen dat wel uit te leggen. Maar de Heere wil vooral leren, dat we gehoorzaam moeten luisteren naar Zijn geboden.
Mogen wij nu varkensvlees eten? Ja, de Heere Jezus heeft al die wetten vervuld. Maar Hij vraagt nog wel hetzelfde: dat we Hem gehoorzaam zijn. Leg vervolgens de worsten op een duidelijk zichtbare plaats neer en snijd ze aan het einde van de vertelling in plakjes om uit te delen.

Zingen
Psalm 30:2, 8 
Gebed des Heeren: 3, 8 
Psalm 116:2, 3, 5, 7 
Psalm 56:1, 6 
Psalm 99:1, 2 
TZE lied 69: Neem mijn leven, laat het Heer’
TZE lied 28: Eens was ik een vreemd’ling

Lezen 
Markus 5:1-20

Kerntekst
1 Johannes 3:8b: Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.

Vertelling

Eindelijk, daar is de oever van het meer van Galilea! Behendig maken de discipelen het visserschip vast. Hier kunnen ze aan land. Er is hier een pad dat omhoog gaat naar de heuvels rond het meer. Het was een angstige nacht geweest. Het had gestormd. Geweldige golven waren over het dek van het schip geslagen. De discipelen waren bang geweest, dat hun scheepje zou vergaan en dat ze allemaal zouden verdrinken. Hoe wonderlijk had Jezus gezorgd dat de storm was gaan liggen en waren de golven stil geworden. Nu zijn ze aan de overkant. Wat ze hier gaan doen, weten de discipelen niet. Ooit hoorde dit gebied wel bij Israël, de stam van Manasse had hier gewoond. Maar dat is al zo lang geleden. Nu wonen er Gadarenen, de geboden van de Heere betekenen niets voor hen.
Verschrikt kijken de discipelen op. Er komt een man wild op hen af rennen. Woest schreeuwend komt hij dichterbij. Wat ziet hij er uit! Wilde haren, nauwelijks kleren aan zijn lijf, opgedroogd bloed op zijn benen en armen. Een bezetene!

De mensen in Gadara kennen hem heel goed. Legio heet hij. Bezeten, niet door één duivel, maar door véél duivels. Daarom heet hij ook Legio. Legio, legioen… een legioen soldaten is een leger van wel 6000 man! De Gadarenen zijn doodsbang voor hem. Niemand kan in zijn buurt komen. Wie dat wel doet, loopt grote kans om geslagen te worden, om gedood te worden zelfs. Ze hebben het wel geprobeerd, heel vaak zelfs. Met elkaar hebben ze geprobeerd om hem te vangen. Om hem vast te binden. Soms lukte dat. Het is zelfs wel gelukt om hem met kettingen vast te binden. Maar elke keer kwam Legio weer los. En nu blijven ze maar bij hem uit de buurt. Ze maken een omweg als ze Legio al horen schreeuwen. Hij woont in de bergen en bij de begraafplaats. Dag en nacht is hij daar. Ze horen zijn woeste kreten, ze weten hoe Legio zichzelf slaat met stenen.
Rustig blijft de Heere Jezus staan. Hij ziet de bezetene die op Hem af komt stormen, woest schreeuwend en zwaaiend met zijn armen. Voor Légio is Hij naar de overkant van het meer gevaren, heeft Hij de storm getrotseerd en de golven weer stil gemaakt. Niemand hier in het land van Gadara zit op Hem te wachten. Niemand heeft gevraagd of Hij wilde komen. Legio niet. De Gadarenen niet. Die kennen de God van Israël amper. De geboden van de God van Israël gehoorzamen ze niet. Op de heuvels bij het meer lopen de varkens, onreine dieren. Varkenshoeders zorgen voor de enorme kudde. Joden mogen geen varkens houden, maar de Gadarenen verdienen er hun geld mee. Toch komt Jezus hier naar toe. Jezus komt om een mens te redden. De Gadarenen hebben geprobeerd Legio vast te binden met ijzeren kettingen. Híj is gekomen om Legio los te maken. Om de boeien waarmee de duivelen hem vastgebonden hebben, te verbreken. Zo doet Jezus nog. Hij komt naar ons toe, om te verlossen uit de boeien van de zonde en de duivel. Hij heeft de macht! Straks zal Hij als Hij aan het kruis hangt, de duivel verslaan. Hij zal de dood overwinnen. De duivel zal tegen Hem strijden, maar Jezus zal hem zijn kop vermorzelen.
Gij onreine geest, ga uit van de mens!” Als een bevel klinkt het uit Jezus’ mond. “Ga uit van de mens!” Legio leefde als een beest, als een wilde, niemand kon hem temmen. Maar de Heere Jezus ziet een mens. Diep ongelukkig, helemaal vast gehouden door de boze, door de duivel. Een mens, die verloren zal gaan, omdat hij zichzelf niet kan bevrijden van de boze. Maar daarvoor is Hij nu juist gekomen! Om mensen te redden! Hij heet immers Jezus! Redder, Zaligmaker! “Ga uit van de mens, gij onreine geest!”
Wat zal er nu gebeuren? Zal Legio Jezus aanvallen? Hem verscheuren zoals hij gedaan heeft met alle mensen die te dicht in zijn buurt kwamen? Nee, want Jezus’ woord is met macht. Het is een bevel van de Koning der koningen, van de Heere der heren. Legio valt voor de Heere Jezus neer. Hij aanbidt Hem. De duivel weet Wie Jezus is en hij beeft voor Hem. Hij schreeuwt het uit: “Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zoon van God, van de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!” Wat heb ik met U te maken? vraagt de boze geest in Legio. De duivel wil niets met Jezus te maken hebben, want hij weet dat hij het van Jezus zal verliezen. Hij weet, dat Jezus de Zoon van God is, de Zoon van de Allerhoogste. Hij weet dat Jezus gekomen is om de werken van hem, de duivel te verbreken. Hij weet, dat hij niet altijd de baas zal kunnen spelen op deze wereld, maar dat Jezus hem eenmaal voor altijd naar zijn eigen plaats zal sturen, naar de hel, de plaats van de pijn. De duivel beeft. Zou dat nu al gebeuren? Hij roept het uit: “Pijnig mij niet!”
“Wat is uw naam?” vraagt de Heere Jezus dan. “Hoe heet u?” “Ik heet Legio, want wij zijn velen,” antwoordt de bezetene. Legio… velen… veel duivelen die deze man gevangen houden… Diepe ontferming is er in Jezus’ ogen als Hij deze arme man ziet, helemaal in de macht van de boze. Legio… Maar voor de Heere Jezus is dat legioen van duivelen niet te groot. Zijn liefde is sterker, Zijn macht is groter. De duivel zal Hem moeten gehoorzamen. Smekend roepen de duivelen: “Stuur ons niet weg uit dit gebied! Als U ons dan wegstuurt, laat ons dan in die kudde varkens mogen gaan!” Een gebed van de duivel! Zal Jezus daar naar luisteren? Zal Hij dat gebed verhoren? Ja, dat doet Hij. De onreine geesten gaan in de onreine beesten. Meer dan tweeduizend varkens zijn daar aan het grazen. En dan is het alsof de bliksem in de kudde slaat. Geschreeuw, paniek, de kudde begint te rennen. De herders proberen nog iets te doen, maar er is geen houden aan. De dieren rennen in het rond en stormen op de steile oever van het meer af. Ze vallen er vanaf, storten in het water en verdrinken.
Aan Jezus’ voeten zit Legio. De duivel is uit hem weggegaan, Jezus is in zijn hart gekomen. En nu is er rust, vrede, liefde en blijdschap. Wat ijzeren kettingen niet konden, dat deed Jezus. Hij heeft hem niet gebonden, maar bevrijd, verlost uit de macht van de satan. Zou Jezus dat nóg kunnen? Jazeker! Hij is toch niet veranderd? Zijn liefde bevrijdt zondaren. De duivel is verslagen. Het is volbracht op het kruis van Golgotha. Legio hoeft niet meer op de begraafplaats te leven. Hij mag met Jezus leven. Stil zit hij aan Jezus’ voeten. De beste plaats.

Opeens is er gerucht. De mensen uit Gadara komen naar hen toe. De herders die voor de varkens moesten zorgen, waren weggevlucht en naar de stad gerend. De mensen uit de stad en uit de omgeving hadden vol ongeloof geluisterd. Al de varkens verdronken? Hoe kan dat? Wat is er gebeurd? Daar willen ze meer van weten. Verbijsterd zien ze het groepje mensen zitten. Is dat Legio? Ze herkennen hem wel, maar ze herkennen hem ook niet. Is die man die daar zo rustig zit, gewoon aangekleed en goed bij zijn verstand dezelfde als de bezeten Legio? Ze worden bang. Wie is die Man bij Wie Legio zit? De varkenshoeders vertellen wat ze gezien hadden. Wat er met Legio gebeurd was en met de varkens. Zien de Gadarenen de macht en de liefde van Jezus? Vragen ze Hem om uitleg? Vragen ze wie Hij is en hoe Hij Legio heeft kunnen bevrijden? Nee. Ze zijn bang. Al hun varkens zijn verdronken! Hoeveel geld zijn ze daarmee niet verloren? Wat zal er nog meer gaan gebeuren als deze Man hier blijft? Hij moet weg! Weg uit hun gebied, weg uit hun land! Ze smeken Jezus of Hij alstublieft vertrekken wil! Een gebed van de Gadarenen. Zal Jezus daar naar luisteren? Zal Hij dat gebed verhoren? Ja, dat doet Hij. Hij gaat weg. Wat is dat erg! Als je vraagt of Jezus weg wil gaan uit je leven. Als je bang bent, dat het je te veel gaat kosten als Hij in je leven komt. De Gadarenen hielden meer van hun varkens dan van de Heere Jezus. En Jezus gaat weg.

Het scheepje ligt aan de oever, de discipelen gaan er in. De Heere Jezus stapt aan boord. En daar staat Legio. Hij wil ook mee, hij wil bij Jezus blijven. Rust en vrede heeft hij van de Heere Jezus gekregen, de liefde van de Zaligmaker heeft zijn hart vol gemaakt. Hij wil mee! Meer van de Meester leren, dicht bij Hem zijn. Herken je dat? Dat de Heere zo goed voor je is geweest en dat je dan heel dicht bij Hem wilt blijven? Legio bidt: “Mag ik alstublieft met U mee? Mag ik bij U zijn?” Een gebed van Legio. Zal Jezus daar naar luisteren? Zal Hij dat gebed verhoren? Nee, dat doet Jezus niet. Legio mag niet met Hem mee, hij mag niet bij Hem blijven. Hoe is dat mogelijk? De Heere Jezus hoorde naar het gebed van de duivelen, Hij hoorde naar het gebed van de Gadarenen. Hoort Hij nu niet naar het gebed van Legio? Ja toch wel. Maar anders. Hij luistert zeker naar Legio’s gebed, maar Hij verhoort het niet zoals Legio graag zou willen. “Nee Legio, je mag niet met Mij mee. Maar Ik ga met jóu mee. Je mag niet bij Míj blijven, maar Ik zal wel bij jóu blijven. Je krijgt een taak, een opdracht van Mij. Ga naar het land, het gebied waar je geboren bent. Ga naar je familie en ga daar vertellen welke grote dingen God aan jou gedaan heeft!”
Wat een wonderlijk antwoord op Legio’s gebed. Soms geeft de Heere je niet waar je om vraagt, maar geeft Hij je iets anders. Omdat Hij dat beter vindt. Ook al begrijp je dat niet altijd meteen zelf zo. Hij laat Legio niet alleen. Juist niet. De Heere verlost je niet om je dan maar verder aan je lot over te laten! Nee, Hij heeft altijd een bedoeling met wat Hij doet.
Daar gaat het scheepje, terug naar de overkant van het meer van Galilea. Legio kijkt het na. Hij mag niet mee. Maar het is goed. Hij gaat terug naar Dekapolis, ook aan deze kant van het meer. Daar woont zijn familie. Die weet, hoe erg het met hem was. Hoe hij in de macht van de duivel was. Ze zullen amper kunnen geloven dat hij echt Legio is. Hij zal hen gaan vertellen van de macht en de liefde van de Heere Jezus. Dat Hij gekomen is, om de werken van de duivel te verbreken. Aan hem kunnen ze zien, dat het echt waar is. Dat Jezus de Messias is. Legio kijkt het scheepje na. Dan draait hij zich om. Op weg naar Dekapolis. Hij gaat niet alleen, Jezus gaat met hem mee.

Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte

Het land van de Gadarenen
Markus en Lukas noemen het gebied waar de Heere Jezus met Zijn discipelen naar toe gaat, het land van de Gadarenen, naar de stad Gadara, die daar ligt. Mattheüs noemt het het land van de Gergesenen. Gadara en Gergessa (of Gerasa) lagen allebei aan de overkant van het Meer van Galilea, ooit het gebied van de stam van Manasse. Gadara was een stad die ongeveer 5 kilometer ten zuidoosten van het meer van Galilea lag. Gerasa was een grotere stad die ongeveer 30 kilometer landinwaarts lag. Misschien werd Gadara gerekend tot het land der Gerasenen, omdat Gerasa een beroemde stad was.

Dekapolis
Dekapolis (van het Griekse δέκα 'tien' en πόλις 'stad') was een tienstedenbond in Syrië aan het begin van de gangbare jaartelling. Dekapolis grensde aan het Joodse land. Dekapolis wordt enkele malen in het Nieuwe Testament genoemd. De invloed van Jezus' optreden rond het Meer van Galilea strekte zich uit tot de streek bij Hippos en Gadara. Jezus is minstens twee keer in Dekapolis geweest. Dat is opvallend omdat Jezus tijdens Zijn verblijf op aarde zich niet tot de volkeren richtte, maar alleen tot het huis van Israël. Dekapolis behoorde zeker niet tot Israël, maar het kan zeker zo zijn, dat er nog een talrijke Joodse bevolking woonde.
Dit behoorde heel vroeger namelijk ook tot Israël. Israël had Og (de koning van Basan) die koning was over het gebied ten oosten van het meer van Galilea verslagen, zijn land veroverd en zich daar gevestigd. In de tijd van Salomo behoorde deze regio nog steeds tot het heilige land. Later is het gebied verloren gegaan voor Israël, al heeft het nog één keer die streek met geweld bezet. Heel de regio kwam onder de invloedssfeer van de hellenistische cultuur en de bewoners moesten niets meer van Israël hebben.
Toen hebben de steden een stedenverbond opgericht tegen Israël. Het was dus verloren gebied. Ook in geestelijk opzicht wilden de bewoners van deze Overjordaanse streek niets meer te maken hebben met de God van Israël. Het is mogelijk dat de inwoners van Dekapolis het inheemse Aramees hebben gesproken. Toen Jezus later in Dekapolis kwam sprak hij tot de doofstomme man in het Aramees: Effatha.

Bezetenheid
In de Evangeliebeschrijvingen gaat het regelmatig over bezetenheid. Er wordt van gesproken als van iets volkomen bekends en er is geen uitlegging bij. De volgende punten worden door de verschillende Evangelisten vastgesteld:

  • De Heere Jezus Zelf schrijft bezetenheid toe aan de werking van de duivel.
  • Onze taal heeft één woord voor duivel. We kunnen daarmee de satan bedoelen of een boze geest. In het Grieks worden twee verschillende woorden gebruikt: De satan is altijd “diabolos”, een boze geest altijd “daimon” of “daimonion”.
  • Lichamelijke bezetenheid wordt onderscheiden van de macht van de satan over de ziel. Denk aan Judas: toen voer de satan in hem. Maar Judas was geen “bezetene”.
  • Er wordt verschil gemaakt tussen bezetenheid en ziekte (Markus 1:32), alsook tussen bezetenheid en maanziekte of epilepsie (maanzieke jongen).
  • Bezetenheid ging wel dikwijls gepaard met lichamelijke gebreken (doofstomme) en met uiterlijke kenmerken van epilepsie en hevige krankzinnigheid.
  • In de bezetene was klaarblijkelijk een tweevoudig persoon, een tweevoudige wil, hoewel die van de mens ten onder werd gehouden door die van de duivel, die letterlijk zijn slachtoffer ‘bezat’. De woorden van de Heere Jezus werden tot de duivel gericht en niet tot de man.

Een of twee bezetenen
Matth. 8:28 zegt dat er twee bezetenen waren, maar Markus vermeldt maar van één, omdat deze óf de ellendigste was, óf meest het woord gevoerd en met Christus gesproken heeft.

Varkens
Voor de Joden hoorden de varkens tot de onreine dieren. De eerste keer dat we lezen over reine en onreine dieren is in de geschiedenis van de zondvloed. Noach kreeg de opdracht om zeven paar te nemen van alle rein vee en slechts twee van het onreine vee. We weten niet hoe Noach rein en onrein vee onderscheidde, maar het toont aan dat al in de vroege dagen een onderscheid gemaakt werd tussen het reine en het onreine. Reine dieren waren ongetwijfeld geschikt om te offeren. Toen Noach uit de ark was gekomen, bracht hij brandoffers van al het reine vee en al het rein gevogelte. Met Israël was het anders. Welke dieren mochten en moesten worden geofferd wordt duidelijk aangegeven. En wat voor dieren rein waren en konden worden gegeten en wat voor dieren onrein waren en niet gegeten konden worden, maakte God in bijzonderheden bekend. God maakte duidelijk welk vlees onrein was in Zijn ogen. We weten uit andere geschriften, dat de onrein genoemde dieren niet werkelijk op zichzelf onrein zijn, want God schiep geen dieren die onrein waren. Toch wees Hij dieren met bepaalde kenmerken als onrein en afschuwelijk voor de Israëliet aan. Het doel van deze wetgeving aangaande reine en onreine dieren was heiligheid, in overeenstemming met de heilige God.
De Israëliet mocht alleen reine landdieren tot voedsel nemen. Reine landdieren zijn die welke zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben (Lev. 11:2-3). Dit zijn bijvoorbeeld, volgens Deut. 14:4-6, het rund, het schaap, de geit, het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems. Wanneer een landdier geen hoeven had die in tweeën gespleten was, of niet herkauwde had de Israëliet het voor onrein te houden en mocht hij het niet eten. De hoeven moesten geheel gespleten zijn (Lev. 11:26).
Tot de onreine dieren behoren vleeseters, zoals katachtigen, en ook, volgens Lev. 11:4-8, de kameel (herkauwt, geen gespleten hoeven), het konijntje (eigenlijk klipdas, idem dito), de haas (idem dito), het varken (zwijn, herkauwt niet, wel gespleten hoeven).
Al wie ze aanraakte, was onrein (Lev. 11:26). “Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein.” (Lev. 11:8; vgl. Deut. 14:3, 7-8).
Dat de Gadarenen varkens hielden, liet zien hoever ze van de Joodse godsdienst en de wetten van de Heere af stonden. Ze kozen met hun smeekbede of Jezus uit hun gebied wilde vertrekken voor hun eigen leven. De kanttekeningen bij vers 17 vermelden: Namelijk uit vrees van meer schade te lijden, tonende daarmede dat zij liever hun tijdelijke goederen hadden, dan Christus en Zijn Evangelie.

Belijdenisgeschriften
Heid. Cat. zondag 52 vr & antw 127: maar verlos ons van de boze.
NGB art 25 Van het afdoen der ceremoniële wet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022

Kompas Handleiding | 20 Pagina's

Handleiding 4: Jezus’ macht in Gadara

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022

Kompas Handleiding | 20 Pagina's