Handleiding 3: De wonderbare visvangst
Thema: Dieren in de Bijbel
Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.
Toelichting op het thema
Dit jaar zijn de vertellingen gegroepeerd rondom het thema ‘dieren’. Dat betekent niet dat er nu direct een dier centraal staat in de vertelling, maar wel dat er in iedere geschiedenis een dier voorkomt.
Doel van de vertelling
Het doel van deze vertelling is de kinderen te laten zien hoe machtig de Heere Jezus is. Hij heeft de heerschappij over alles. Daarmee toont de Heere Jezus dat Hij niet alleen mens is, maar ook waarlijk God. In deze vertelling geeft de Heere Jezus Zijn de discipelen ook onderwijs over het werk waartoe Hij ze nu gaat roepen. Het zal niet door hún kracht zijn dat er mensen in het net van het Evangelie komen, maar het is Zijn werk alleen. Dat is ook tot troost en bemoediging voor vandaag: er zál een vangst zijn.
Introductie van het thema voor de kinderen
Neem een visnet en/of hengel en leefnet mee praat hierover met de kinderen. Bijvoorbeeld:
- Wat is dit?
- Waar gebruik je het voor?
- Wie heeft er weleens gevist of wie doe dat weleens.
- Vertel er eens iets over.
- Heb je weleens vissen gevangen?
- Is het ook wel gebeurd dat je niets ving? Hoe vond je dat?
Ingaan op het vissen, iedereen weet wat ‘vissen’ is en veel kinderen zullen dit zelf ook weleens gedaan hebben of ernaar gekeken hebben.
Overgang naar het de Bijbelvertelling
Als je een vis vangt, is dat leuk. Maar als je heel lang aan de waterkant zit, en er komt niet één visje aan je haak is dat toch wel een grote teleurstelling… Dat was ook zo in het Bijbelverhaal dat ik jullie nu ga vertellen.
Zingen
Psalm 8:1, 6, 8, 9
Psalm 29:6
Psalm 34:1, 5
Psalm 65:1, 3
Psalm 89:3, (4)
Psalm 93:1–4
Psalm 95:1, 2, 3
Psalm 107:11, 12, 16, 22
Psalm 51:9
De vissers visten heel de nacht (Ook uit de mond der kinderen, lied 59)
Van U zijn alle dingen (NHK, gezang 148 vs. 1)
Psalm 8 Berijming Ds. Meeuse vs. 1, 3, 5 (Tot Zijn eer)
Zalig, zalig niets te wezen, lied 113 (Tot Zijn eer)
Lezen
Lukas 5:1-11
Kerntekst
Lukas 5:5, 10: En Simon Petrus dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.
Vertelling
Kijk eens, wat een mensen er aan de oever van het Meer van Gennésaret staan! Ze zijn uit het hele land gekomen. Dáár, dicht bij het water staat de Heere Jezus. Hij preekt. Hij vertelt over het Koninkrijk der hemelen, het Koninkrijk van God. Naar Hem luisteren al die mensen. Daarom zijn ze overal vandaan gekomen.
Een eindje verderop lopen wat mannen. Ze spoelen hun netten in het water. Al het vuil dat erin zit, moet eruit. Het zijn discipelen van de Heere Jezus. Vannacht hebben ze weer een keer gevist. Dat doen ze tegenwoordig bijna nooit meer. Want een poosje geleden heeft de Heere Jezus hen geroepen, om Hem te volgen. Toen zijn ze met Hem meegegaan, het land door.
Maar nu zijn ze weer een keer in hun eigen dorp. En vannacht zijn ze gaan vissen. Ze zijn de zee opgevaren en hebben een goede plek uitgezocht. Daar hebben ze het net uitgeworpen. En ook weer opgehaald. En dat steeds weer opnieuw. De hele nacht door. Maar hoe goed ze hun best ook deden en hoe hard ze ook werkten, er is niet één visje in hun net gekomen. Al hun werk was tevergeefs. Ze hebben vannacht voor niets zo hard gewerkt.
Als de mannen klaar zijn, gaan ze terug naar hun scheepjes, en daar luisteren ze mee naar de Heere Jezus, Die op het strand preekt voor al die mensen.
Één van die vissers is Simon Petrus, de zoon van Zebedeüs. Ook hij heeft de hele nacht gevist. Hij is druk bezig geweest. Uren achter elkaar. En niets gevangen. Al zijn werk is voor niets geweest…
Vanuit zijn scheepje kijkt hij naar de Heere Jezus, Die daar een eindje bij hem vandaan preekt. Maar, o, kijk toch eens… De mensen die naar Hem luisteren, komen steeds dichter naar Hem toe. Iedere keer moet de Heere een stapje dichter naar de zee doen. Simon ziet hoe de Heere Jezus om Zich heen kijkt. Dan komt Hij naar het scheepje van Simon en stapt bij hem aan boord. Hij vraagt of Simon een eindje van de kant af wil varen. De Heere Jezus gaat zitten. En zo, zittend in het scheepje van Simon, preekt Hij verder.
Aan het eind van Zijn preek kijkt de Heere Jezus Simon aan. Hij weet dat Simon heel de nacht gevist heeft en niets heeft gevangen. Hij weet alle dingen. Ook van jou. Maar Hij wil Simon – en ook de andere discipelen - iets gaan leren. Daarom zegt Hij: Steek af naar de diepte en werp uw netten uit om te vangen.
Wat? Nú gaan vissen? Vissen doen de mensen in Israël altijd in de nacht… Dan is het donker en is het water ook koeler en komen de vissen naar boven. Maar midden op de dag, als de zon zo fel op het water schijnt, komen ze niet tevoorschijn … Dan blijven ze in de diepte, waar het water veel koeler is; want vissen houden niet van warm water. Het is dan veel moeilijker om vissen te vangen.
En toch, zegt de Heere Jezus: Steek af naar de diepte. Simon, je moet naar het diepere water varen en daar je netten uitwerpen… Simon antwoordt: Meester, wij hebben de hele nacht gevist en niet gevangen. We zijn de hele nacht bezig geweest. Heel de nacht hebben we hard gewerkt. En het is allemaal voor niets geweest. Ja, dat zegt hij er ook bij… Eerlijk vertelt hij, dat het hem niet gelukt is om zelfs maar één visje te vangen; dat zijn werk mislukt is. Alles wat hij heeft gedaan vannacht, is voor niets geweest… En dan nu weer aan het werk…? En toch… Hoor, Simon zegt nog iets: Maar op Uw Woord zal ik het net uitwerpen. Omdat U het zegt, zal ik doen wat U zegt.
Doe jij dat óók? Gehoorzaam jij de Heere ook? De Heere vertelt ons in Zijn Woord hoe wij moeten leven. Hij zegt dat we Hem moeten zoeken. En Hij belooft dat we Hem ook zullen vinden. Zoek jij de Heere? Of doe jij je eigen zin? Denk je misschien dat niet waar is wat de Heere zegt?
Kijk, Simon gaat aan het werk. Hij vaart naar het gedeelte van het meer waar het dieper is. Daar werpt hij zijn net uit - net zoals vannacht - en dan wacht hij. Na, een poosje haalt hij het net op. Zou er wat in zitten?
Ze trekken. Wat gaat het moeilijk… Ja… Er zit wat in het net… Eindelijk komt het net boven water.
O, kijk eens, wat een vissen er in het net spartelen… Er zitten er zomaar een paar vissen in, nee, het net zit vól met vissen. Ja, het zit zo vol dat je hier en daar het geluid hoort van touwtjes die knappen, waardoor er scheuren in het net komen.
Het zit zelfs zó vol dat Simon en de mannen die bij hem op het schip zijn, het net bijna niet op kunnen halen… En er zitten zoveel vissen in het net, dat ze niet eens allemaal in het bootje van Simon passen. Daarom wenken ze naar de mannen in het andere scheepje, of zij hen willen komen helpen.
Kijk, daar komt het andere scheepje ook. Het is het scheepje van Jakobus en Johannes. Samen kunnen ze het werk wel doen. De vissen die niet meer in het scheepje van Simon passen, doen ze in het andere scheepje. Allebei de scheepjes komen vol met vissen. Ja, zo vol, dat ze bijna zinken.
Simon heeft alles gezien. Heel de nacht heeft hij gevist, en niets gevangen. En nu, midden op de dag, als het eigenlijk niet kan, zit het net vol met vis. Zoveel vis heeft hij nog nooit gevangen… Hoe komt dat? Dat komt niet, omdat hij zo goed zijn best heeft gedaan of zo hard heeft gewerkt, maar daar heeft de Heere Jezus voor gezorgd. Zijn Meester…
Dan, ineens, ziet Simon het! Zijn Meester, de Heere Jezus, o, maar Hij niet zomaar een mens, nee, Hij is de Zoon van de God. Ja, Hij is God Zelf. Hij is de Almachtige. Hij regeert over alles, ook over de vissen van de zee. Hij zorgde ervoor dat zijn net vol kwam. Hij zorgde ervoor dat hij, Simon Petrus, vis heeft gevangen. En dat, zonder dat Simon erom had gevraagd…
De Heere Jezus gaf Zelf iets. Ben jij ook weleens verwonderd, omdat de Heere je zoveel dingen geeft, waar je niet eens om hebt gevraagd. Dat je iedere morgen weer wakker mag worden. Dat de Heere je gezondheid geeft, zodat je op mag staan. dat je naar school kon gaan. Misschien vond je de som die je moest maken wel heel moeilijk, en toch ging het… Of de woordjes die je met spelling moest leren… Of… Je weet vast nog wel meer voorbeelden van dingen waarbij de Heere je hielp of die Hij je gaf, zonder dat je erom gevraagd had.
Weet jij dat ook al? Dat de Heere alleen je helpen kan? En dat bij álle dingen? Dat Hij regeert over álles? En heb je Hem dan ook bij alle dingen nodig? Simon ziet Wie de Heere is: de Zoon van God. Dan kan deze Heere Jezus toch niet bij hem, Simon, wonen? Hij heeft zo’n zondig hart. Daar is zoveel onwil en ongeloof. Ja, hij heeft gedaan wat de Heere zei. Maar … wat voor gedachten waren er allemaal niet in zijn hart. Hij dacht dat de Heere het helemaal verkeerd deed…
Vol eerbied en verwondering knielt Simon Petrus voor de Heere Jezus neer. Hij, de Zoon van God. Ja, er is dankbaarheid en liefde in zijn hart. Maar er is nog iets. Want hoe moet dat nu? Zo’n heilige Heere kan toch niet bij zo’n zondige man in zijn hart wonen…
En gaat de Heere Jezus weg? Zegt Hij: Simon, jij bent te zondig? Nee… O, de Heere Jezus weet wel wat er in het hart van Simon woont, Hij kent Simon. Zoals Hij iedereen kent, ook jou. Hij weet beter wat Simon nodig heeft dan dat Simon dat zelf weet. Ja, Hij weet van de zonden van Simons hart. Maar voor zulke zondige mensen is Hij nu juist gekomen, om ze van hun zonden te verlossen en ze te leren leven zoals Hij dat wil. Nee, dat kunnen ze zelf niet, maar daar gaat Hij voor zorgen. Hij zorgt ervoor dat ze Hem nodig hebben, iedere keer weer opnieuw.
“Simon Petrus”, zegt de Heere tegen hem, “je hebt vandaag je net in de zee uitgeworpen om vissen uit het water van het meer te vangen. Straks moet je Mijn Woord gaan preken aan mensen, om die te vangen. Vandaag kon je zelf het net niet vol krijgen; daarvoor heb ik gezorgd. Dat zal Ik straks ook doen. Als jij gaat preken zal Ik dat het Woord in de harten van mensen brengen. Er zullen mensen in Mijn Woord gaan geloven. Daar zal Ik voor zorgen...
De scheepjes varen naar het land. En als ze daar aankomen, laat Simon Petrus alles achter, ook de rijke vangst van vandaag. Hij gaat achter de Heere Jezus aan. Hij mag Hem volgen. Hij zal straks een visser van mensen worden. Hij zal het Evangelie gaan brengen. Hij zal aan zondige mensen gaan vertellen dat ze een zondig hart hebben, maar dat er Eén gekomen is, Die ze van dat zondige hart verlossen kan en wil. De Heere Jezus Christus, Die gekomen is om zondaren zalig te maken. Hij zal er Zelf voor zorgen dat mensen in Hem geloven zullen.. Als Petrus straks gaat preken, hoeft hij het werk niet alleen te doen. De Heere zal hem daarvoor geven alles wat hij nodig heeft. Petrus hoeft ook niet voor de vangst te zorgen. Ook daarvoor zal de Heere zorgen. Hij hoeft maar één ding te doen: gehoorzamen aan het bevel van de Heere. En vertrouwen op de Heere. Dat Hij kan en ook wil helpen; dat heeft hij vandaag gezien.
En dat vraagt de Heere ook van ons: Hij wil dat we Hem bij alles nodig hebben. En op Hem alleen zullen vertrouwen.
Belijdenisgeschriften
H.C. Zondag 10, De voorzienigheid Gods.
D.L. hoofdstuk 1 art. … , God zendt goedertierenlijk boodschappers van deze blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil.
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte
De prediking van de Heere Jezus
We lezen in dit hoofdstuk dat de Heere Jezus preekt. Het is aan het begin van Zijn omwandeling op deze aarde. Veel mensen volgen Hem nog. Later zal dat anders worden; dan zullen velen Hem verlaten. (Joh. 6). Over de prediking van de Heere Jezus kunnen we o.a. lezen in Markus 1 vs. 14, 15: En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en zeggende: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie. (zie ook: Matth. 4:12, Luk. 4:14; Joh. 4:32).
Dit is de vervulling van wat Jesaja al mocht profeteren, Jesaja 56 vs. 1: Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht en doet gerechtigheid, want Mijn heil is nabij om te komen en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. Met ‘recht en gerechtigheid’ wordt bedoeld: alles wat wij God en onze naaste schuldig zijn. En met ‘heil’: het heil, waardoor Christus Zijn uitverkorenen zal behouden of zalig maken.
Velen hebben zich verwonderd over Zijn woorden. De Heere Jezus preekte zo anders dan de Schriftgeleerden en Farizeeën. Hij sprak als Machthebbende.
Later ging de Heere vaak in gelijkenissen spreken. In wezen was dat een oordeel. Hij verkondigde het Woord, de boodschap, toen onder beelden. Die legde Hij uit aan Zijn discipelen. Maar voor de meeste mensen die ze hoorden, bleef de betekenis ervan verborgen.
Hier, in deze geschiedenis, preekt de Heere Jezus Zelf als de grote Leraar ter gerechtigheid. Eigenlijk geeft Hij Zijn discipelen een voorbeeld. Ook zij zullen straks het Evangelie moeten gaan prediken. Eerst aan het Joodse volk, maar na Zijn opstanding aan de hele wereld (Matth. 28:19).
Simon Petrus
Simon was de zoon van Jona. Hij was door zijn broer Andreas bij de Heere Jezus gebracht. Die had toen tegen hem: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult genaamd worden Céfas, hetwelk overgezet wordt: Petrus (Joh. 1:43). Céfas is Aramees, Petrus is Grieks. Het betekent allebei: ‘rots’ of ‘steen’.
In Mattheüs 8 vs. 14 en Markus 1 vs. 30 lezen we dat hij getrouwd was. De verklaarders vermoeden dat hij geen kinderen had en dat zijn vrouw al jong is gestorven.
Simon is na zijn eerste ontmoeting met de Heere Jezus weer teruggegaan naar zijn vissersschip. Daar heeft de Heere hem echter geroepen tot discipel. Daarover lezen we in Mattheüs 4. De Heere roept hem en zijn broer Andreas, en zegt: Volgt Mij na en Ik zal u visser der mensen maken (Mattheüs 4:19). Hij roept hen om vanaf nu met Hem door het leven te gaan. Later zullen ze tot apostel worden geroepen en uitgezonden om in de wereld de boodschap van het Evangelie te gaan brengen. Maar eerst moesten ze nog veel onderwijs ontvangen. Simon is de Heere gehoorzaam geweest. Hij heeft alles verlaten en is de Heere Jezus gevolgd.
De wonderbare visvangst – een andere geschiedenis dan de roeping
Deze geschiedenis (in Lukas 5:1-11) is een andere dan die we lezen in Matth. 4:18-22 en Markus 1:16-20, waar het gaat over de roeping van de discipelen Simon Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes. Die geschiedenis was aan deze vooraf gegaan. De Heere Jezus had ze toen tot discipel, volgeling, van Hem geroepen. De discipelen zijn Hem gevolgd. Toch hadden ze hun oude beroep nog niet helemaal vaarwel gezegd. Als dat zo uitkwam - als de Heere Jezus in de plaats was waar ze woonden - pakten ze dat beroep weer op. Zo was dat ook deze keer gegaan. Verschillen tussen deze twee gebeurtenissen.
Mattheüs 4
1. De Heere Jezus wandelt alleen langs het strand.
2. De discipelen zijn aan het vissen.
3. De discipelen laten de netten onmiddellijk achter.
4. We lezen over Simon Petrus en Andreas, Jakobus een Johannes.
5. De Heere Jezus geeft hun de opdracht om Hem te volgen.
6. Hier zegt de Heere: Ik zal u vissers der mensen maken.
7. De discipelen laten hun schip en netten achter.
Lukas 5 – deze geschiedenis
1. Hier leert Hij de schare vanuit een schip.
2. Hier reinigen zij de netten, waarmee ze die nacht gevist hebben.
3. Hier worden de netten eerst wonderlijk vervuld.
4. Andreas wordt hier niet genoemd. Wel worden Jakobus en Johannes genoemd.
5. Hier lezen we geen bevel om de Heere te volgen. Simon vraagt juist aan de Heere hem nu maar als zondig mens achter te laten.
6. Nu zegt Hij: Van nu aan zult gij mensen vangen.
7. Hier staat dat niet. Wel dat ze alles achter laten en met Jezus meegaan. Daarmee wordt waarschijnlijk de grote vangst bedoeld die ze zo onverwacht hebben gevangen, wat een groot offer is voor goede vissers.
Het beroep van visser
Het beroep van visser was een zwaar beroep. Het vroeg veel doorzettingsvermogen van mensen. het werk moest vooral ’s nachts gebeuren. Vaak genoeg gebeurde het dat na een hele nacht vissen de netten toch leeg bleven en er niets werd gevangen. En dat betekende: geen inkomen… Het gebeurde zelfs dat een net niet alleen leeg bleef, maar dat men een net verspeelde. Dat was dan een extra kostenpost, want dan moest er een nieuw worden gekocht.
Na het vissen moesten de netten worden schoongespoeld en gerepareerd. Vaak gingen kleine touwtjes die de mazen vormden tijdens het vissen kapot.
Bovendien was het beroep van visser niet zonder gevaar. Er kwamen vaak stormen voor en ook waren er verraderlijke draaikolken. Hierdoor gebeurde het regelmatig dat er scheepjes vergingen en er ook wel vissers verdronken. Daarom was er moed, doorzettingsvermogen, geduld en vertrouwen nodig om visser te zijn. Vissers waren in hun werk helemaal afhankelijk van de Heere, Die regeert over wind en zee en over alles wat daarin leeft.
Het Meer van Gennésaret
Simon en ook de andere discipelen visten op het Meer van Gennésaret. Een andere naam voor dit ‘meer’ is ‘het Meer van Galilea’ of ‘de Zee van Tiberias. Eigenlijk is het niet echt een zee, maar een groot meer. Het ligt in Galilea, vandaar de naam ‘Meer van Galilea’.
Het meer ligt 200 meter beneden de zeespiegel van de Middellandse Zee en het is 505 tot 250 meter diep. [In het meer komen allerlei soorten vis voor. Soms zwemmen die in grote troepen van duizenden bij elkaar. Het gebeurt wel dat helpers van de vissers op de hoge oever staan, om te zien waar zo’n school vissen zwemt. Als er één ontdekt wordt, geeft hij dat door. De vissers maken zich dan klaar om hun netten uit te werpen.]
Rondom dit meer liggen allerlei kleine dorpjes. Veel vissers woonden in één van deze dorpjes. Zo weten we dat de discipelen Simon, Andreas, Jakobus en Johannes in Beth-saïda woonden. In die dorpjes konden ze ook de vis die ze gevangen hadden verkopen. Om het meer lagen ook bergen. Soms kwam er opeens een heel harde wind, ‘een valwind’, over die bergen en viel op het meer. Daardoor ontstond er dan een harde stormwind. (Zie ook Mark. 4:37-41 en Mark. 6:47-51).
De opdracht en belofte van de Heere Jezus
Als de Heere Jezus stopt met preken keert Hij Zich tot Simon. Hij geeft hem een wonderlijke opdracht. Simon die de hele nacht gevist heeft, moet het meer op varen naar dieper water en daar zijn netten uitwerpen. De Heere zegt er iets bij: om te vangen. De Heere belooft dus dat hij ook zal vangen.
De gedachten hierbij van Simon
Voor Simon, die een ervaren visser is, is dit een boodschap die tegen zijn kennis en ervaring ingaat. In dieper water viste je niet, want daar zaten geen vissen. De vissen zaten in ondiep water, maar niet in het water verder het meer op. En daarbij kwam ook nog, dat het nu dag was. Dat was ook geen tijd om te vissen. Want vissen deed je in de nacht als het donker was; dan was het water koeler (want vissen houden niet van warm water).
Hij zegt dit ook tegen de Heere Jezus. Dat het nu de goede tijd niet is. Maar hij zegt er ook iets bij: Maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen. Omdat U het zegt, zal ik het doen. Zoveel ontzag heeft Simon voor de Heere Jezus dat hij toch doet wat Hij zegt.
Een net vol vissen
Simon gehoorzaamt de Heere. Hij vaart het meer op en werpt zijn netten uit in het diepe water. Als hij dat gedaan heeft, stromen de netten vol met vis. Het zijn er zoveel dat de netten scheuren. Dit betekent niet dat het net helemaal kapot scheurt, want dan waren alle vissen weggezwommen. Maar wel dat de touwtjes die de mazen vormen op diverse plaatsen kapot gaan.
De vangst is zelfs zo groot, dat Simon ze niet allemaal in zijn schip kwijt kan. Hij heeft hulp nodig, daarom roept hij zijn medegenoten, de vissers die bij hem zijn met hun scheepje. Dit blijken Jakobus en Johannes te zijn (Vers 10). Zij helpen om de vis in de scheepjes te krijgen.
De reactie van Simon Petrus
En Simon, dat ziende… Eigenlijk staat hier: En Simon, ziende… Alle nadruk valt/moet vallen op ‘ziende’. Als Simon ziet dat de Heere Jezus voor zo’n grote vangst gezorgd heeft, valt hij aan Zijn voeten neer. Niet om Hem te danken voor de grote vangst. Simon ziet in dit teken Wie de Heere Jezus is: de Zoon van God. Hij is de Almachtige, Die gebiedt over alles. Hij is de Koning van de hemel en de aarde.
Daartegenover ziet hij zichzelf, een zondig mensenkind. Simon voelt de grote afstand, die er is tussen hem en de Heere. Als hij de heerlijkheid en grootheid van God ziet, en zijn eigen nietigheid en onwaardigheid, roept hij uit: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Eigenlijk zegt hij: Wij passen niet bij elkaar. U kunt met mij geen gemeenschap hebben. Ik ben het niet waardig dat U Zich met mij bemoeit. Het grondwoord wijst ook nog op iets anders, op losmaken, ontbinden. Petrus zegt eigenlijk: Heere, hoe moet dat nu? Ik ben een zondig mens. Hoe kan ik U nu dienen, zoals U dat waardig bent? ik voel zo mijn tekort… Een les voor Petrus. Hij moet straks gaan preken dat de Heere Jezus een Zaligmaker is van zondige mensen. Als hij dat preekt, dan weet hij dat bij bevinding.
Hoe hij de Heere Jezus noemt
Het is heel opmerkelijk hoe dat Simon de Heere hier noemt. Had hij Hem vóór de visvangst nog aangesproken met ‘Meester’, nu, na de wonderbare visvangst noemt hij Hem: Heere (de Kurios). Kurios was een erenaam voor de Romeinse keizers. Het was iemand die macht had over anderen, hij had het voor het zeggen. In wezen spreekt Simon door de Heere Jezus deze Naam geven een belijdenis uit. De Heere Jezus, de Zoon van God, is de Heere, de Kurios. Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde. Dat toont Hij hier. De wonderbare visvangst is een openbaring van Zijn almacht en alwetendheid, maar ook van Zijn trouwe zorg en grote liefde (ds. B. van der Heiden). Dat gezicht brengt Simon tot deze uitroep.
Later, na de opstanding zal Thomas de Heere Jezus met deze zelfde Naam aanspreken (Joh. 20:28). De Heere toont met dit wonder dat Hij macht heeft ook voor het gezin van Petrus te zorgen. Van de opbrengst van deze overvloedige vangst kunnen de gezinnen van de discipelen een tijdje leven.
Het antwoord van de Heere Jezus/ een onverhoord gebed
De Heere Jezus geeft hem antwoord. Hij zegt: Vrees niet. De Heere neemt de vrees die er in het hart van Simon is, weg. Maar Hij gaat ook uitleg geven van de betekenis van dit teken. Ook krijgt Simon een opdracht.
Hij verhoort het gebed van Simon niet… De Heere Jezus doet niet wat Simon vraagt. Hij gaat niet van hem weg. Dit was ook niet de werkelijke bedoeling van Simon, die zonder de Heere niet meer kon leven. Maar Hij geeft hem een taak in Zijn Koninkrijk. Hij mag visser van mensen worden. En, hij zal ‘vangen’.
Deze geschiedenis (dit wonderteken) een teken van wat in de toekomst gebeuren zal
Dit wonder is in wezen een teken. Door dit teken wil de Heere onderwijzen. Hij wil erdoor leren wat er in de toekomst gebeuren zal. Simon Petrus en ook de andere discipelen zullen, na de Hemelvaart van de Heere Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest, het Evangelie gaan verkondigen. Maar dat zullen ze nooit in eigen kracht kunnen. Als het van hen af zou hangen, zou er niemand tot bekering komen. Maar het is in wezen niet hun zaak. De Heere Zelf zal het woord dat ze mogen preken, zegenen. En zo zullen er mensen, ouderen en jongeren, tot bekering komen. Zij zullen ‘in het net van het Evangelie gevangen worden’.
Nog voordat ze met het werk begonnen zijn, laat de Heere ze zien dat het niet van hen afhangt. Hij zal voor de vrucht zorgen. Zijn Rijk zal vol worden. Het enige wat zij hoeven te doen is: het Woord dat ze van Hem ontvangen, preken, doorgeven.
In hun beroep als visser hadden de discipelen moed, doorzettingsvermogen, geduld en vertrouwen nodig. Dat hadden ze ook nodig om het Evangelie te kunnen preken.
Dit is een bemoediging, ook voor vandaag. Ook voor leidinggevenden op de vereniging en voor al degenen die het Woord mogen doorgeven. De Heere Zelf zorgt dat er mensen - ouderen, maar ook jongeren - tot Hem bekeerd zullen worden. Het werk zal niet tevergeefs zijn. En dan blijft er voor ons veel verborgen. Maar eenmaal zal blijken hoeveel mensen de Heere, door het brengen en doorgeven van het Woord, heeft toegebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022
Kompas Handleiding | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022
Kompas Handleiding | 20 Pagina's