Handleiding 1: Bileam - vloek en zegen
Thema: Dieren in de Bijbel
Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.
Toelichting op het thema
Dit jaar behandelen we in de Kompasschetsen het thema ‘Dieren in de Bijbel’. In iedere schets heeft een dier een plaats, hoewel dit natuurlijk slechts een ‘bijrol’ is. In deze schets is dat de ezelin van Bileam.
Doel van de vertelling
In deze vertelling draait het om vloek en zegen. Bileam wilde het volk Israël vervloeken. Maar de Heere liet dit niet toe en zorgde ervoor dat het volk - Zijn volk! - werd gezegend. Hij zorgt ervoor dat zelfs door deze vijand van het volk een profetie over de komende Verlosser werd uitgesproken.
Introductie van het thema voor de kinderen
Ter introductie op het verhaal gaan we het hebben over: wegwijzer zijn. Maak een wegwijzer met bijv. de plaatsnaam van jullie gemeente. Wat is dit? Waar heb je het voor nodig? Ken je nog andere ‘wegwijzers’? We denken dan aan de Bijbel, maar ook aan onszelf. Zijn wij wegwijzers? Hoe dan? In het verhaal gaat het ook over een ‘wegwijzer’. Iemand die de mensen op Christus mocht wijzen. Maar dan wel op een heel bijzondere manier. Aan het einde van het verhaal komen we er nog op terug. Wat maakt dit voorbeeld van een wegwijzer zo aangrijpend?
Zingen
Psalm 32:5
Psalm 68:1, 16
Psalm 72:6, 10
Psalm 108:5, 6
Psalm 139:1, 2, 14
Zegen ons, Algoede – Lied 245 TZE
Gebed voor Israël – Lied 32 TZE
Lezen
Numeri 22:21-35
Kerntekst
Deuteronomium 23:5: Doch de Heere, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar de Heere, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat de Heere, uw God u liefhad.
Vertelling
“Als dat allemaal waar is, wat jullie vertellen, dan zijn wij in groot gevaar. Dan blijft er van ons niets over!” Balak, de koning van Moab, loopt met grote stappen heen en weer. Zijn verkenners hebben hem verteld wat er gebeurd is met de Amorieten. De koningen Sihon en Og zijn totaal verslagen. Het volk van de Amorieten is gedood. Er is niemand meer overgebleven. En de Israëlieten trekken verder. Richting het land van de Moabieten en de Midianieten. Is het dan zo’n sterk volk dat daar aankomt? Hebben ze zo’n goed opgeleid leger? Welnee! Het zijn maar weggelopen slaven uit Egypte. Ze zijn helemaal niet goed in oorlog voeren. En toch hebben ze al verschillende volken verslagen. Ook machtige volken. En Balak weet hoe dat komt. Het volk Israël heeft een machtige God. Die maakt hen sterk. Die geeft hen de overwinning. En nu zal zijn volk het volgende zijn dat vernietigd zal worden. Hij moet wat bedenken. Hij moet wat gaan doen! Ze zijn in groot gevaar!
“Dit is een andere strijd dan we gewend zijn. Onze kracht en slimheid kunnen ons niet helpen. Het is hun God Die hen helpt, daarom moeten we ervoor zorgen dat die God niet meer kan helpen.” De raadsmannen van de koning knikken. Dat is goed gesproken. Een van de mannen neemt het woord: “We moeten het volk vervloeken, zodat ze verloren zijn. Laat me denken… is er niet ergens een profeet of waarzegger die veel macht heeft?” “Ja,” knikt een ander, “Bileam, in Mesopotamië, die moeten we hebben. Hij heeft veel macht, hij moet het volk vervloeken zodat hun God hen niet meer kan helpen.” Er wordt instemmend geknikt, ja, daar hebben de anderen ook wel eens over gehoord. Bileam, die kan hen helpen. “Goed,” zegt de koning, “dan moeten er dus boodschappers naar Mesopotamië, een lange reis… Zij moeten een rijke beloning meenemen zodat Bileam graag met hen mee zal komen om ons te helpen.”
Alles wordt klaar gemaakt voor de lange reis. Een aantal belangrijke mannen zal Bileam vragen naar Moab te komen.
“Het volk Israël vervloeken? Of ik dat wil doen? Natuurlijk wil ik dat wel doen!” Begerig denkt Bileam aan de rijke beloning die de boden van koning Balak hebben beloofd. Daarvoor wil hij best de reis naar Moab maken! “Maar,” zegt hij dan, “dat kan alleen als God mij toestemming geeft. Blijf vannacht hier slapen. Morgen zal ik jullie laten weten of ik mee mag van God.”
Dat klinkt wel heel eerbiedig… Zou hij dat menen? Wil Bileam echt de God van Israël gehoorzamen? Welnee, het liefst was hij meteen op weg gegaan naar Moab. Maar hij weet wel het één en ander van de God van Israël. Hij weet dat die God niet is als alle andere goden. Daarom durft hij niet iets te doen wat tegen de wil van die God ingaat.
Bileam is helemaal niet van plan om de Heere om raad te vragen… Maar al vraagt Bileam niet naar de Heere, die nacht komt God Zelf bij hem en vraagt: “Wie zijn die mannen die bij u gekomen zijn?” “Het zijn knechten van Balak, de koning van de Moabieten. Hij heeft ze naar mij toe gestuurd en zegt: “Er is een volk uit Egypte gekomen, dat heeft zijn tenten opgeslagen aan onze grens. Het is zo’n groot volk, dat het hele land erdoor bedekt lijkt. Kom nu en vervloek het voor mij, dan kan ik ze misschien wegjagen of verslaan.” Direct krijgt Bileam antwoord: “U mag niet met die mannen meegaan en u mag het volk niet vervloeken. Want het is een gezegend volk.”
“Het spijt me,” zegt Bileam de volgende morgen tegen de mannen uit Moab, “maar de Heere laat mij niet gaan. Gaan jullie maar zonder mij terug naar je land.”
“Wat, is hij niet meegekomen?” Verontwaardigd kijkt koning Balak de mannen aan die zonder Bileam terug zijn gekomen uit Mesopotamië. “Nee, hij weigerde met ons mee te gaan.” De mannen vertellen niet wat Bileam gezegd heeft: “De Heere laat mij niet gaan.”
“Was het geschenk niet groot genoeg? Waren de boodschappers niet belangrijk genoeg?” Vertwijfeld kijkt Balak zijn raadgevers aan. “We zullen nog belangrijker mannen sturen en een nog grotere beloning. Bileam móét komen en het volk Israël vervloeken!”
“Alstublieft, Balak, de koning van Moab vraagt u dringend om toch te komen. Hij wil u rijk belonen, u mag vragen wat u wilt! Maar kom alstublieft en vervloek dit volk.” Bileam schudt zijn hoofd. “Al gaf uw koning mij al zijn goud en zilver, het gebod van de Heere God kan ik niet overtreden. Blijf vannacht hier, dan zal ik morgen weten wat de Heere verder spreken zal.”
Die nacht spreekt de Heere opnieuw tot Bileam. “Omdat de mannen nu weer bij u gekomen zijn, moet u morgen maar met hen meegaan. Maar u mag alleen spreken wat Ik tot u zeggen zal!”
Wat is Bileam blij! Hij voelt aan dat hij niet kan doen wat de Heere niet goedvindt, daarom stuurde hij de eerste keer de boodschappers terug naar koning Balak. Maar hij wil zo graag doen wat de koning van hem vraagt. Hij wil zo graag de mooie beloning in ontvangst nemen…! Hij denkt: nu kan ik in ieder geval naar Moab reizen. Daar zie ik dan wel verder, er is vast wel een mogelijkheid om toch te doen wat koning Balak van mij vraagt…
De volgende morgen maakt hij alles klaar voor de lange reis. Hij pakt zijn spullen, zadelt zijn ezelin en vertrekt. Met twee knechten en de mannen van koning Balak. De Heere God heeft Bileam wel toestemming gegeven, maar Hij kent het hart van Bileam… Hij weet dat Bileam in zijn hart van plan is er alles aan te doen om het volk Israël tóch te vloeken…
Opeens… wat doet de ezelin waar Bileam op rijdt nu toch? In plaats van gewoon door te lopen, gaat ze van het pad af en loopt door het veld. Bileam rukt aan de teugels, maar het helpt niet. Hij pakt zijn stok en slaat de ezelin…! Uiteindelijk loopt de ezelin het pad weer op en gaat verder.
Een eind verder gaat het pad waar ze over reizen tussen wijngaarden door. Om de wijngaarden zijn muurtjes aangelegd om wilde dieren buiten te houden. Weer wil de ezelin opzij uitwijken. Maar ze kan niet van het pad af, de muurtjes staan in de weg. Daarom drukt ze zich tegen zo’n muurtje aan. Maar daardoor komt Bileam met zijn been klem te zitten tussen de ezelin en het muurtje. Hij geeft een schreeuw van ergernis en pijn! Opnieuw pakt hij zijn stok en slaat de ezelin om haar weer goed op het pad te krijgen.
Maar even later staat de ezelin van Bileam stil. Stokstijf. Ze verzet geen poot meer. Het pad waar ze lopen is nu zo smal, dat ze niet meer links of rechts uit kan wijken. Bileam spoort haar aan: “Vooruit, loop eens door! Waarom blijf je nu staan? Wees niet zo eigenwijs, vooruit!” Bileam begrijpt er niets van, normaal is zijn ezelin niet zo dwars… Maar hij krijgt haar niet meer vooruit. Ze laat zich door haar poten zakken en gaat op het pad liggen. Bileam weet zich geen raad van kwaadheid. Wat heeft dat beest toch?! En weer pakt hij zijn stok om het onwillige dier te slaan. Maar dan gebeurt er iets heel bijzonders. De ezelin begint te spreken! “Waarom slaat u mij nu al voor de derde keer?” “Omdat je mij belachelijk maakt en met mij spot! Als ik nu een zwaard bij mij had gehad, dan zou ik je doden!” En weer spreekt de ezelin: “Heb ik u niet altijd trouw gediend zo lang als ik al uw ezelin ben?” Ja, dat is waar, dat moet Bileam toegeven.
Dan opeens… wat schrikt hij! Daar voor hen op het pad staat Iemand, met een uitgetrokken zwaard in Zijn hand. Het is de Engel van de Heere. De Heere weet wat Bileam van plan is en heeft Zijn Engel gestuurd om Bileam tegen te houden. De ezelin had de Engel wel gezien maar Bileam niet.
Vlug stapt Bileam van de ezelin af en buigt zich heel diep neer op het pad. “Waarom heeft u de ezelin nu driemaal geslagen?” vraagt de Engel, “Ik ben uitgegaan om u tegen te houden omdat u tegen Mij in wilt gaan en Mij niet wilt gehoorzamen. Als de ezelin niet was uitgeweken had Ik u zeker met dit zwaard gedood en haar laten leven.” Bileam schaamt zich en zegt: “Ik heb gezondigd en ik wist niet dat U op het pad stond. Als U het niet goed vindt dat ik ga, dan zal ik terugkeren naar huis.” “Nee,” zegt de Engel, “ga nu maar met de mannen van Balak mee. Maar u mag alleen de woorden spreken, die Ik tot u spreken zal.”
Eindelijk komen ze in de buurt van Moab. Als koning Balak hoort dat Bileam eraan komt, gaat hij hem tegemoet. Verwijtend vraagt hij: “Ik heb u toch ernstig laten roepen? Waarom kwam u niet meteen? Dacht u dat ik u niet genoeg zou kunnen belonen?” Bileam antwoordt hem: “Ik ben nu toch gekomen? Maar ik weet niet of ik u van dienst kan zijn. Ik mag alleen de woorden spreken die God in mijn mond zal leggen.”
Als ze in de stad komen, staat alles klaar voor een groot offerfeest. Er worden schapen en koeien geslacht en geofferd. De vorsten van Moab en Bileam mogen eten van het vlees van de offerdieren. De volgende morgen neemt Balak Bileam mee naar een berg die gewijd is aan Baäl. Vanaf die berg is een deel van het tentenkamp van de Israëlieten goed te zien. “Bouw hier voor mij zeven altaren en slacht voor mij zeven stieren en zeven rammen,” gebiedt hij. Het is een kostbaar offer dat hij vraagt. Maar Balak vindt alles goed. Als Bileam het volk Israël maar gaat vervloeken.
Maar als Bileam begint te profeteren, spreekt hij geen vervloekingen, maar zegeningen…! “Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en hoe zal ik kwade dingen spreken over een volk, als de Heere dat volk wil zegenen?” Verontwaardigd stapt koning Balak naar voren. “Wacht eens, ik heb u laten komen om het volk te vervloeken! Niet om het te laten zegenen!” Bileam knikt, dat weet hij. “Maar ik heb u toch gezegd dat ik alleen kan spreken wat de Heere mij voorzegt?” “Kom,” zegt Balak, laten we naar een andere berg gaan, waar u een ander deel van het volk kunt zien. Misschien lukt het daar wel.”
Ook op de andere berg worden zeven offers gebracht. En ook daar gaat Bileam profeteren. Maar opnieuw zijn het geen vervloekingen, maar zegeningen die hij spreekt. “Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zal ik het niet keren. De Heere zegent Zijn volk, Hij zorgt voor hen, Hij zal hen helpen in de strijd tegen de vijanden en zal hen in het beloofde land geven. Ook geeft hij hun alles wat zij nodig hebben voor onderweg. Als de Heere Zijn volk zegent, kan ik niet aan Hem vragen om het volk kwaad te doen.”
“Stop!” roept Balak. “Zo gaat het niet goed! Als u het volk dan niet kunt vervloeken, hoeft u het nog niet te gaan zegenen!” Weer knikt Bileam. “Maar ik heb toch gezegd dat ik alleen doen kan wat de Heere tot mij spreekt?”
“Kom,” zegt Balak, “laten we naar een andere berg gaan, misschien lukt het daar wel.”
Ook op de derde berg worden offers gebracht. En ook daar gaat Bileam profeteren. Maar hij weet nu dat de Heere wil dat hij het volk zegent. En dat doet hij dan ook, gestuurd door de Heilige Geest. Koning Balak is woedend. Hij balt zijn vuisten: “Ik heb u geroepen om het volk Israël te vervloeken, maar nu hebt u hen al drie keer gezegend! Maak dat u hier wegkomt! En de beloning kunt u vergeten, die krijgt u niet!” Maar Bileam zegt: “Ik heb u toch steeds gezegd dat ik alleen maar kan spreken wat de Heere mij zou zeggen? Al gaf u mij al het goud en zilver van uw huis? Maar voor ik naar mijn land ga, zal ik u nog vertellen wat Israël met het volk van de Moabieten zal doen.”
En dan profeteert Bileam over de toekomst van de volken in Kanaän, het beloofde land waar de Israëlieten naar op weg zijn. Ze zullen allemaal vernietigd worden. Het land Kanaän zal aan Israël gegeven worden. Bileam profeteert zelfs over een Ster Die komt uit Jakob en een Scepter Die opkomt uit Israël. Een ster en een scepter zijn allebei het teken van een koning. Deze profetie gaat dan ook over de Messias, de Heere Jezus, Die zal komen in de volheid van de tijd.
Teleurgesteld gaat Balak terug naar zijn paleis. Zijn plan is niet gelukt. De God van Israël is een machtig God, Die trouw is aan Zijn verbond. Het verbond dat Hij opgericht heeft met het volk Israël. Omdat het zo’n goed volk is, zo gehoorzaam? Nee, helemaal niet! Maar alleen omdat Hij dat volk heeft uitgekozen. En al vergeten ze Hem vaak en verdienen ze straf, toch blijft Hij voor hen zorgen. Wat een gelukkig volk! Dat geldt nu nog steeds voor Zijn kinderen. Hij zorgt voor hen, Hij vergeeft hun zonden. Hoor jij daar al bij? Zoek de Heere en vraag of Hij jou leert Hem gehoorzaam te zijn. Je mag met je vuilheid en je zonden naar Hem toe. Hij kan en wil je wassen en reinigen van al je zonden. Dat kan, omdat die Ster waar Bileam over profeteerde gekomen is. De Heere Jezus is geboren en heeft de schuld van Zijn kinderen betaald. Buig je voor Hem neer en vraag of Hij ook Koning in jouw hart en leven wil zijn.
Na de vertelling
Kijk nu nog eens naar de ‘wegwijzer’. Hij staat er nog steeds. Een wegwijzer wijst wel de weg, maar blijft zelf staan. Wie was er in dit verhaal een wegwijzer? Je weet het al, Bileam. Een wegwijzer, geen gids… Een gids reist mee. Bileam wees in zijn profetie naar de Christus Die komen zou. Maar zelf kende hij de Messias niet en miste het geloof in Hem. Hij was als een wegwijzer die wel wijst, maar niet meegaat. En wij? Zijn wij wegwijzers, die anderen wel vertellen dat er een Verlosser is, een Zaligmaker, maar Hem zelf niet kennen? Of zijn we een gids en kunnen we over Hem vertellen omdat we Hem zelf hebben leren kennen?
Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte voor leidinggevenden
Bileam
Bileam (‘Verderver’), de zoon van Beor (‘Verderfaanbrenger’) komt uit Pethor een stad in Mesopotamië. Dat is 600 km verwijderd van Moab. Het is niet zeker dat Bileam daar is, op het moment dat hij door Balak werd geroepen. Mogelijk is hij dan in Midian, dat veel dichterbij Moab is. Bileam is geboren in Chaldea en is waarschijnlijk een nakomeling van Nahor, de broer van Abraham. Daardoor had hij enige kennis van de Heere.
Balak huurt Bileam in als een specialist in vervloekingen. Hij denkt dat als hij het volk Israël laat vervloeken, hij het dan gemakkelijker kan verslaan. Maar omdat het volk onder bescherming van Jahweh staat, zullen de spreuken van zijn eigen tovenaars niets uitwerken. Bileam staat goed bekend, wellicht kan hij krachtige en afdoende vervloekingen uitspreken.
In Deïr Alla (Jordanië) is in 1967 op de muur van een oud heiligdom een eeuwenoude inscriptie (eind negende, begin achtste eeuw v. Chr.) gevonden. In de inscriptie gaat het over ‘Bileam de zoon van Peor, een ziener van de goden’.
In Jozua 13:22 wordt Bileam een ‘voorzegger’ (waarzegger) genoemd. In 2 Petrus 2:16 een ‘profeet’. Petrus noemt het loon dat Bileam krijgt, het ‘loon der ongerechtigheid’ (zie 2 Petr. 2:15).
Bileam en de God van Israël
Als de gezanten uit Moab bij Bileam komen, is het opmerkelijk dat hij zegt de HEERE te zullen vragen om een antwoord. Ook zegt hij dat hij onmogelijk op het verzoek kan ingaan, al zou Balak hem belonen met al zijn goud en zilver. Bileam drukt zich sterk uit. Hij kan niets voor Balak doen vanwege het bevel van de HEERE. Bileam gebruikt Gods verbondsnaam. Hij erkent de macht van de HEERE, Israëls God, maar dient Hem niet.
‘God de HEERE laat Bileam eindelijk toe, dat hij met de gezanten van Balak gaan zal, niet dat het Hem aangenaam was, als blijkt vers 22, maar om de boosheid van Bileam des te meer te ontdekken en Zijn heerlijkheid daarin te openbaren, dat Hij Bileam gedwongen heeft het volk te zegenen, hetwelk hij voorgenomen had te vloeken.’ (Kanttekening 23)
Bileam heeft wel gehoord over de God van Israël. Hij kent Hem echter niet als Israëls Verbondsgod, maar als de God van alle schepselen. Als zodanig verschijnt Hij aan Bileam.
Het is heel opmerkelijk dat Bileam de naam van het volk dat hij moet vervloeken verzwijgt. Bileam is zich er goed van bewust dat hij niet met een heidens volk te doen heeft, dat op onrechtvaardige wijze een ander overvalt en voor Gods gericht rijp is.
De (on)macht van Bileam
Balak denkt dat een volk vervloekt is omdat Bileam het vervloekt. In werkelijkheid is het zo dat een (echte) profeet slechts van vloek of zegen kan spreken, omdat deze vloek of zegen door God zal gezonden worden.
Patroon van zegeningen
(Bron BMU)
Koning Balak geeft de profeet Bileam opdracht om Israël te vervloeken (Num. 22:5-7). In plaats van het volk te vervloeken zegent Bileam Israël driemaal (Num. 23:7-10, Num. 23:18-24 en Num. 24:3-9). Als Balak Bileam uiteindelijk wegstuurt (Num. 24:11), profeteert Bileam over de komende Messías (Num. 24:15-19).
De drie zegeningen van het volk Israël vinden plaats volgens een vast patroon. Dit patroon onderstreept dat de woorden die Bileam spreekt afkomstig zijn van God. Het patroon heeft de volgende kenmerken: Bileam profeteert vanaf een hoge berg: de hoogten van Baäl (Num. 22:41), Pisga (Num. 23:14) en Peor (Num. 23:28)
Voordat Bileam profeteert, worden steeds zeven rammen en zeven runderen geofferd (Num. 23:1-2, 14-15 en 29-30) Hij dacht daardoor de Heere gunstig te stemmen, waardoor hij wel toestemming zou krijgen om Israël te vloeken; dit deed men bij de afgoden ook…
De eerste en tweede keer trekt Bileam zich terug om te vernemen wat God wil dat hij zegt (Num. 23:3 en 15). De derde keer is het hem volstrekt duidelijk dat hij Israël slechts zegenen kan (Num. 24:1)
Balak reageert iedere keer verontwaardigd en boos (Num. 23:11 en 25 en Num. 24:10-11)
Bileam benadrukt keer op keer dat hij slechts spreekt wat God hem ingeeft om te spreken (Num. 23:12 en 26 en Num. 24:12-13).
Het spreken van de ezelin
Het spreken van de ezelin heeft een diepe betekenis. De Heere laat zien dat Hij zich even goed van een dier als van een mens kan bedienen om Zijn goddelijke wil bekend te maken. Petrus schrijft dat de mond van de ezelin geopend werd om de dwaasheid van de profeet te verhinderen. We moeten er niet van uit gaan dat de ezelin met bewustzijn heeft gesproken. Dat Bileam er niet van schrok dat zijn ezelin begon te spreken, heeft waarschijnlijk te maken met zijn boosheid op dat moment. De weg tussen de wijngaarden is op sommige plaatsen zeer smal. Daardoor was Bileam waarschijnlijk gescheiden van zijn reisgenoten op het moment dat de ezelin sprak.
Moabieten
Balak was de koning van het volk van de Moabieten. De Moabieten waren de nakomelingen van de Moab, de zoon van Lot en zijn dochter (Genesis 19:37). Dit volk was één van de zogenaamde ‘broedervolken’ (volken die nog familie van Israël waren). De Heere had de Israëlieten verboden tegen deze volken te vechten. Balak had dus helemaal niet bang hoeven te zijn dat ze hem zouden aanvallen (zie ook Deut. 2:9).
Bileams einde
Het is heel aangrijpend wat we lezen in Numeri 31:8. Daar staat dat zich onder de verslagenen ook Bileam bevond. Bileam heeft, voordat hij terugging naar zijn land, Balak nog een raad gegeven. Hij heeft hem aangeraden een feest te organiseren en daarvoor ook de Israëlieten uit te nodigen. Het zou een feest zijn ter ere van de afgoden, een goddeloos feest. Op deze manier probeerde hij een scheiding tussen de Heere en Zijn volk te maken. Want Bileam wist wel zoveel dat de Heere Zijn volk dan zou straffen. Dan zou hij zijn doel toch hebben bereikt.
Dit feest is er inderdaad gekomen. En de straf ook. Maar niet zoals Bileam het zich had voorgesteld. De Heere heeft na hun hoererij Zijn volk gestraft. Velen stierven er. Maar Hij heeft Zijn volk niet verstoten. Hij verdelgde het niet, zoals Bileam had verwacht.
Israël heeft zich daarna op bevel van de Heere gewroken. (Numeri 31:1). Daarbij zijn er velen van het volk van de Midianieten gestorven omdat zij het volk Israël tot zonde verleid hebben. (Numeri 31:1 vv). Eén van degenen die ook in de strijd omkwam, was Bileam, de zoon van Beor. Hij begeerde met het volk van Israël te sterven, maar wilde er niet mee leven (Numeri 23:10).
Belijdenisgeschriften
- Dordtse Leerregels 1, artikel 3: En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertieren verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil...
- Dordtse Leerregels 1, artikel 4: Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn van God.
- Heidelbergse Catechismus, Zondag 34: over haten en vlieden van afgoderij en toverij.
- Heidelbergse Catechismus, Zondag 40: over doodslag – je mag een ander niet kwetsen, ook niet door woorden.
- Heidelbergse Catechismus, Zondag 43: over vals getuigenis – je moet de waarheid liefhebben, oprecht spreken en de eer en het goede gerucht van je naaste bevorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 2022
Kompas Handleiding | 21 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 2022
Kompas Handleiding | 21 Pagina's