JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 4 : De Kananese vrouw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 4 : De Kananese vrouw

Thema: Vrouwen in de Bijbel

19 minuten leestijd

Bij deze handleiding is een -10 en een +10 werkboekje beschikbaar. Klik op onderstaande link om deze in te zien.

Toelichting op het thema
Dit jaar gaan de vertellingen over ‘vrouwen in de Bijbel'. In deze schets gaat het over de Kananese vrouw, die met de nood van haar dochter, die haar nood was geworden, de toevlucht tot de Heere Jezus nam. Hoe zij toch aanhield, ook al leek het alsof de Heere haar niet wilde helpen. En hoe ze uiteindelijk ook door Hem geholpen werd. De Heere maakte het waar: Bidt, en u zal gegeven worden. En: Houdt sterk aan in het gebed.

Doel van de vertelling
De Heere heeft ons in Zijn Woord geboden: Houd aan in het gebed/bidden. De Kananese vrouw is daarvan een voorbeeld. Zo wil de Heere dat ook wij Hem zullen aanroepen, zelfs al lijkt het dat Hij niet naar ons hoort…

Introductie van het thema voor de kinderen
1. Suggestie: Gebruik hierbij een plaatje van jonge vogeltjes met open bekjes in een nest (op internet te vinden). Zing met elkaar Psalm 81 vers 12. Stel daarna de volgende vragen: Jullie kennen dit versje allemaal. Maar waar gaat dit versje nu over? Wie kan het met eigen woorden vertellen? Bespreek de Psalm daarna regel voor regel.
Wie zegt dit? ( antwoord: Het is de Heere Zelf)
Wat zegt Hij? (antwoord: Dat je Hem alles mag vragen wat je nodig hebt)
Waarom mag je dat vragen? (antwoord: De Heere zegt: Op Mijn trouwverbond. Omdat Ik het beloofd heb).
Wat mag je vragen: (antwoord: Al wat je ontbreekt. Dat is: alles wat je mist en wat je nodig hebt.)
En krijg je het ook? (antwoord: De Heere belooft: schenk Ik. dat betekent: geef Ik)
Wanneer? (antwoord: Als je er Hem om smeekt. Dat is: voortdurend, aanhoudend vragen).
Hoe of hoeveel geeft de Heere? (Antwoord: Mild. Dat betekent: meer dan genoeg) en overvloedig, dat is: in overvloed).
Opent uwen mond. Eigenlijk is dit een opdracht. Doe je mond wijd open.
Wanneer doe je dat? (Antwoord; Als je hard wilt roepen of als je graag iets wilt hebben. Denk aan jonge vogeltjes in een nest; de vogel die het hardst ‘roept’, door zijn snavel zo wijd mogelijk open te doen, krijgt het meest).
In het verhaal van vandaag gaat het ook over iemand die haar mond open deed. Wat vroeg ze? Wat kreeg ze? Waarom vind je dat deze Psalm goed bij dit verhaal past?
2. Stelling: ‘Bidden is bedelen’. Praat hier samen met de kinderen over. Mogelijke vragen:
-Wat is bedelen?
-Wie bedelt er?
-Heeft zo iemand het verdiend dat hij iets krijgt?
-Moeten de mensen hem wat geven? (Antwoord: Nee, hij heeft nergens recht op)
-Stopt hij met bedelen, als hij niet meteen iets krijgt? Waarom wel/niet? Wanneer zou zo iemand daarmee stoppen? (Antwoord; Hij blijft roepen totdat hij iets heeft gekregen, want anders heeft hij geen geld voor eten en drinken.)
Eigenlijk is bidden dus ook bedelen. Vragen om iets dat we je niet verdiend hebben, maar wat je ook niet kunt missen. En wat alleen de Heere ons kan geven.
Vandaag gaat het verhaal ook over iemand die bleef bedelen. Wat vroeg ze? Wat kreeg ze? Weet je een Psalmversje dat goed bij dit verhaal past? En waarom vind je dat er goed bij passen?

Zingen
Psalm 81:12
Psalm 54:1
Psalm 141:1, 2, 9
Psalm 130:1
Psalm 77:1, 8
Psalm 72:7
Psalm 103:(1), 2
Psalm 116:1, 3
Psalm 69:13
Psalm 66:10
Daar in Tyrus, op de wegen (MDK, III, lied 44)
Is de nood zo hoog gerezen? (NHK, gezang 200)
Nooit kan ’t geloof teveel verwachten… (NHK, Gezang 244 vs. 4)

Lezen
Mattheüs 15:21-28

Kerntekst
En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! (Mattheüs 15:25)

Vertelling

“Heere, Gij Zone Davids ontferm U mijner…!”
Hoor eens, wie roept daar zo? Kijk! Daar op de weg in het land van Tyrus en Sidon loopt een vrouw. Zij woont hier in dit land, het land van de Kanaänieten. Die vrouw is een Kananese vrouw, een heidin. Ze hoort niet bij het volk van Israël. Ze heeft in haar land van de Heere Jezus gehoord. En nu gaat ze naar Hem toe. Ja, want de Heere Jezus, Die in Israël woont en daar preekt, is in háár land is gekomen. En nu roept ze om hulp. Want ze heeft Hem zo nodig. Heb jij de hulp van de Heere ook nodig?
Een eindje voor haar uit loopt een groepje mannen. Bij hen loopt ook de Heere Jezus. Hij is weggegaan uit het land Israël. Hij is de grens overgegaan en nu loopt Hij hier met Zijn discipelen in dit vreemde land van Tyrus en Sidon, waar niemand Hem kent… Niemand…?
Luister eens, daar klinkt een stem: “Heere, Gij Zone Davids ontferm U mijner. Ik heb thuis een dochtertje en dat is heel erg ziek, want het is van de duivel bezeten.”
Wie roept daar? Het is die Kananese vrouw, die hier in dit land woont.
Maar, luister eens goed? Hoor je wat ze roept? Hoor je hoe ze de Heere Jezus noemt? “Heere, Gij Zone Davids… Gij Zoon van David…” Met die Naam bedoelden de Joden de Messias, Die komen zou. Hij zou uit het huis van David geboren worden. Hij zou Koning zijn. Hij, de Zoon van God. Hij, de Almachtige…Maar, het is geen Joodse vrouw die Hem zo noemt. Nee, het is een heidense vrouw, een Kananese vrouw. Zij gelooft dat Hij, de Zoon van David, alles kan. Dat Hij ook haar kan helpen.
“Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Help mij!” roept ze. Helpen? Ja, want thuis heeft ze een dochtertje. Maar het is ziek. Het is van de duivel bezeten. De duivel is de baas over haar. En er is niemand die haar kan genezen. Niemand?
Deze vrouw heeft van de Heere Jezus gehoord. Hij, de Rabbi uit Israël, Die wonderen doet. En ze gelooft vast en zeker dat Hij kan helpen. Ze noemt Hem: Zoon van David! Deze Rabbi is niet zomaar iemand, nee, Hij is de beloofde Messias, Die eens zou komen. Die beloofd was aan het volk van Israël. Hij, de Koning van Israël, Die over alles regeert. Die alles kan! Zó roept die vrouw Hem achterna.
Zal de Heere Jezus haar geroep horen? Zal Hij haar helpen? De mensen in Zijn eigen land, van Zijn eigen volk, geloven niet dat Hij de beloofde Messias is. Ze willen niet naar Hem luisteren, ze ergeren zich aan Zijn woorden. En nu is hier een heidense vrouw en zij noemt Hem: Zone Davids. De Heere Jezus zal haar wel direct helpen…
Nee, toch niet… De Heere Jezus kijkt niet om… Hij staat niet stil… Zonder antwoord te geven loopt Hij door. Hij doet net alsof Hij die vrouw helemaal niet hoort… Hij laat haar roepen…
En de vrouw? Wat doet ze? Stopt ze met roepen, en gaat ze naar huis? Wat zou jij doen? Misschien heb je al heel lang ergens om gebeden. En, heb je het al gekregen? Niet? Bid je er nog steeds om? Of, ben je maar gestopt met bidden? Deze vrouw blijft aanhouden. Ze stopt niet met bidden, maar ze blijft vragen, bedelen. Want ze weet: De Heere Jezus is de Enige Die helpen kan. En verder is er niemand. Als Hij niet helpt, dan zal haar dochtertje niet beter worden...
Ook de discipelen van de Heere Jezus hebben dat roepen gehoord. Boos kijken ze achterom. Hè, hield die vrouw nu maar op met dat geroep…! Straks weten alle mensen Wie hun Meester is. Dan zullen ze naar Hem toekomen … ”Heere”, zeggen ze, “laat die vrouw van U, want zij roept ons na. Heere, zeg dat die vrouw stopt met roepen…! Helpt U die vrouw alstublieft of stuur haar weg… “ De Heere kijkt Zijn discipelen aan, en zegt: “Ik ben niet gekomen dan alleen voor de verloren schapen van het huis van Israël. Mijn Vader heeft Mij naar het volk van Israël gestuurd, niet naar de heidenen.”
Niet alleen de discipelen horen dit antwoord, ook de vrouw die steeds dichterbij is gekomen. Eerst luisterde de Heere al niet naar haar en gaf Hij haar geen antwoord. En nu zegt Hij dit! Wat nu? Naar huis gaan? Ze heeft toch gehoord dat de Heere niet voor heidenen is gekomen, maar alleen voor het volk van Israël?
Nee, dat doet die vrouw niet. Dat kan ze niet. Thuis is haar kind, en dat móet geholpen worden. En er is er maar Eén Die dat kan, en… dat is de Heere Jezus! Daarom houdt ze aan. En blijft ze bidden. Want ze gelooft niet alleen dat de Heere helpen kan, maar dat Hij dat ook wil. Ook al zegt Hij dat Hij niet is gezonden naar de heidenen. Wat heeft ze een groot vertrouwen in de Heere. Heb jij dat ook?
Nee, ze draait zich niet om. Ze gaat niet weg, maar ze gaat nog dichter naar Hem toe. Als ze vlak bij Hem is gekomen, knielt ze voor Hem neer. Daar aan Zijn voeten buigt ze voor Hem, de Zoon van David. Ze aanbidt Hem. En ze zegt: “Heere, help mij! Ik heb het niet verdiend en ik ben het ook niet waard. Maar U kunt helpen, ook al hoor ik niet bij het volk van de Joden.” Zo ligt ze aan Zijn voeten, vlak voor de Heere Jezus op de grond. Wat zal de Heere zeggen? Wat zal Hij nu doen? Nu zal Hij haar toch wel helpen?
Ja, de Heere gaat spreken. Maar hoor eens wat Hij zegt… Ze heeft lang geroepen, zonder dat de Heere iets tegen haar zei. Nu gaat Hij wél tot haar spreken. En wat zegt Hij? “Het is niet gepast, het hoort niet, om het brood dat voor de kinderen is aan de hondjes te geven. Vrouw, zegt de Heere, wat je vraagt kan toch niet? Dat hoort niet. Dat doet toch niemand? Als iedereen aan tafel zit en de vader gaat het brood uitdelen, dan geeft hij dat brood, wat voor de kinderen is, toch niet aan de hondjes die ook in het huis zijn? Dat doet toch niemand? Nee, dat brood is voor de kinderen en dat gééft hij ook aan de kinderen!”
Aan de voeten van de Heere Jezus ligt die vrouw. De Heere Jezus zegt: “Vrouw, je bent net als een hondje… Je hoort niet bij het volk van Israël. Het brood is niet voor jou.” Nu krijgt ze antwoord… en wat voor antwoord. Lijkt zij op een hondje? Wordt die vrouw boos? Gaat ze verdrietig weg, omdat de Heere haar dan toch wel niet zal helpen? Wat zou jij doen?
De Heere Jezus heeft gezegd: “Het brood is voor de kinderen.” Deze Kananese vrouw weet wel wie Hij daarmee bedoelt. Dat is het volk van Israël. En…. dat is waar! Daar hoort zij niet bij. Hij noemt haar een hondeke, een hondje. En dat is ook waar, want zij is een heidin. En weet je wat ze doet? Nee, ze gaat niet weg, en ze wordt ook niet boos. Ze zegt: “Ja, Heere. Het is allemaal waar, wat U zegt. Ik ben geen kind, want ik hoor niet bij Uw volk. Ik hoor bij de Kanaänieten, die mensen, die niet bij het volk van Israël horen. Waar U niet naartoe gestuurd bent. Ik ben net als een hondje.”
Ze gaat de Heere aanbidden. Ze buigt heel diep voor Hem en zegt: “Ja, Heere. Ik hoor niet bij de kinderen die aan de tafel mogen zitten…” Kijk, daar ligt ze aan de voeten van de Heere Jezus. Alles wat de Heere van haar gezegd heeft, is waar. Maar toch gelooft ze dat Hij kan helpen, en dat Hij wil helpen. In haar hart is een stil vertrouwen, dat Hij toch naar haar zal horen. Ook al kan het eigenlijk niet… Ze heeft heel goed naar het antwoord van de Heere Jezus geluisterd. En ze heeft iets gehoord…
De Heere heeft haar geen hond genoemd, maar een ‘hondeke’, een hondje. Honden waren onreine dieren in het land van Israël; die mochten niet in de huizen komen. Maar de kinderen in Israël namen weleens een klein hondje mee naar huis, een ‘hondeke’. En soms vonden de vader en moeder het goed dat zo’n klein hondje in huis bleef. Als dan iedereen aan tafel zat, ging het hondje onder de tafel zitten. Ook gebeurde het wel dat er zo’n klein hondje zelf het huis inliep als het etenstijd was…
Dat weet die vrouw ook en daarom zegt ze tegen de Heere Jezus: “Maar Heere, er zijn onder de tafel toch ook hondjes? En als de kinderen dan aan de tafel zitten, dan laten ze weleens kruimeltjes op de grond vallen. En dan komen die hondjes en die eten die kruimeltjes op. Heere, U hebt mij een hondje genoemd. Ik ben geen kind, Ik hoef ook geen stukje brood te hebben. Maar mag ik dan zo’n kruimeltje hebben dat van de tafel valt? Want één kruimeltje is genoeg om mijn dochter beter te maken.”
Vol verwondering en blijdschap kijkt de Heere Jezus deze vrouw aan. Wat denkt ze groot van Hem. En wat denkt ze klein van zichzelf. Nee, verdiend heeft ze niets en waard is ze het ook niet. Maar de Heere is toch barmhartig en genadig? En bij Hem zijn toch alle dingen mogelijk? En dan zegt de Heere Jezus; “O, vrouw, groot is uw geloof. U geschiede gelijk gij wilt. Want zo’n geloof, dat op de Heere vertrouwt en groot van Hem denkt en gelooft dat Hij alles kan, dat is een groot geloof.

Kijk, daar gaat de Kananese vrouw. Ze is op weg naar huis. De Heere heeft het gezegd: “U geschiede gelijk gij wilt.” [Wat wil ze? Dat Hij, de Heere, de Zoon van David, de Messias, haar helpt! Dat Hij haar dochtertje geneest. Dat Hij haar helpt!]
En dan, als ze haar huis binnenkomt…? Kijk eens! Dat is nog nooit gebeurd… Daar is haar dochtertje. Maar ze loopt niet onrustig door het huis, zoals ze altijd deed. Ook loopt ze niet te schreeuwen. Nee, kijk eens, ze ligt rustig op bed. Ze is genezen; ze is helemaal beter. De Heere heeft haar verlost van de duivel. Hij heeft het gebed van die moeder verhoord.

De Kananese vrouw had de Heere nodig. Alleen Hij kon haar helpen. Daarom heeft ze net zolang gebeden totdat Hij haar gebed verhoorde. De Heere laat geen bidder staan. Hij wil ook jouw gebed verhoren. Daarom:

Opent uwe mond,
eist van Mij vrijmoedig.
Al wat u ontbreekt,
schenk Ik, zo gij ’t smeekt,
mild en overvloedig.

Bid dan maar met deze vrouw mee: “Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!”

Afsluiting:

  1. Kom terug op de vragen die je aan het begin gesteld hebt. Wat vroeg de vrouw? Wat kreeg ze? (Antwoord: Ze vroeg: Heere, help mij… Ze had de Heere nodig. En ze kreeg alles wat ze gevraagd had. Haar dochtertje werd beter.)
  2. Waarom vind je dat Psalm 81 vers 12 zo goed bij dit verhaal past?

Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte

Wat eraan vooraf ging
De Heere Jezus heeft een schare van meer dan vijfduizend mensen gevoed met vijf broden en twee visjes. Hij heeft de storm op zee gestild. En in het land Gennésareth heeft Hij zieken beter gemaakt. Als Hij dan terugkomt, komen er Schriftgeleerden en farizeeën tot Hem, en vragen Hem: Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want ze wassen hun handen niet voordat ze brood eten. Waarop de Heere hen antwoordt: Waarom overtreden jullie het gebod van God? Als de Heere daarna hoort dat ze zich aan dat woord geërgerd hebben, verlaat Hij het land Israël en gaat naar het buitenland. Vanwege hun weerstand gaat Hij bij hen weg.

Een Kananese vrouw
In het Evangelie naar Markus wordt deze vrouw een Griekse vrouw uit Syro-Fenecië genoemd. Mattheüs noemt haar een Kananese vrouw. Dit is geen tegenstelling. De Joden waren gewend om alle vreemde volken ‘Grieken’ te noemen. Mattheüs noemt haar een Kananese vrouw, omdat de inwoners van Tyrus en Sidon uit de Kanaänieten voortgekomen waren. Sidon, naar wie de stad Sidon genoemd was, was de eerstgeboren zoon van Cham, Gen. 10:15. Ze wordt ook een Syro-Fenicische genoemd, omdat die landstreek ook de naam Syrië droeg en een deel van Fenicië was. Uit allebei de benamingen blijkt dat deze vrouw een heidin was, buiten de grenzen van het land Israël woonde en niet bij het volk van Israël hoorde.

Hoe zij de Heere Jezus noemt
De Kananese vrouw, een heidin, noemt de Heere Jezus ‘de Zoon van David’. Ze geeft Hem de Naam die de Israëlieten de Messias Die beloofd was, gaven. Hij, de Zoon van David, Die regeren zou over Zijn volk Israël, zoals eenmaal David geregeerd had. Rechtvaardig, wijs en zacht en Die de heidenen zou onderwerpen. Het is heel opmerkelijk dat ze Hem zo noemt. Want de koningen van Israël hadden van de Heere de opdracht gekregen om al de heidenen in Kanaän te doden. En nu neemt deze heidin tot deze Grote Davidszoon de toevlucht. Ze buigt zich voor Hem en onderwerpt zich aan Zijn wil. Ze ziet Hem in Zijn natuur Wie Hij is: de van God gegeven Zaligmaker. Wel niet voor haar, maar toch voor dat volk. Hij is de Verlosser, Die beloofd is. Zó eert ze Hem en roept ze Hem na.

Honden in Israël
Wij moeten hier goed luisteren. De Joden noemen de heidenen honden; zij bedoelen daarmee de verachtelijke straathonden. Christus gebruikt een verkleinwoord: hondjes, en Hij denkt aan de huishondjes, een mildere vorm dus. Hij spreekt niet van een volstrekte onmogelijkheid maar van onbetamelijkheid: het kan eigenlijk niet. Maar al laat Hij enige ruimte, dit antwoord dreigt deze vrouw alle vrijmoedigheid te benemen. Het brood, dat is het heil, is voor de kinderen, voor de Joden. Zij hoort niet tot hen, want zij is een heidin. Zou Hij haar helpen, dan werpt Hij het voor de kinderen bestemde brood op de grond en dat mag toch niet?

Hoe zij het woord van de Heere gebruikt
Deze vrouw heeft het woord van de Heere, zoals wij dat hebben niet. En alles wat de Heere tegen haar zegt, zet haar er helemaal buiten. Toch gaat ze niet weg. Ze zegt niet: Dan is er toch niets aan te doen. Nee, ze gaat met het woord van de Heere naar Hem terug. Ze beaamt dat Zijn Woord waar is: Ja, ze is een heidin, ze hoort niet bij Israël. En al de heerlijke beloften die de Heere aan Zijn volk deed, waren niet voor haar. En toch laat ze niet los. Maar ze zegt: Heere, ik heb U nodig. Bij mij kan het niet, maar bij U zijn alle dingen mogelijk. Zo wil de Heere dat we met Zijn Woord naar Hem terug zullen gaan en zullen aanhouden, net als een Abraham die op hoop op hoop geloofde. Ook al kon hij er niets van bezien.

Bidden en aanbidden
Bidden is het vragen om alles wat we nodig hebben. Het is het zoeken van de gemeenschap met de Heere, Zijn aangezicht, Zijn nabijheid. Om zo de begeerten die in ons hart zijn aan Hem bekend maken. (Zie ook HC Zondag 52 en volgende).
Maar aanbidden is meer dan bidden. Aanbidden is buigen voor de Heere. Een buigen onder Zijn wil, ook al zou Hij ons niets geven. Dan wordt er niets meer gevraagd, maar dan wordt de Heere bewonderd in Wie Hij is. Dan wordt Hij groot gemaakt. Dan gaat het (dus ) niet meer om wat we krijgen of om wat we graag willen hebben, maar dan gaat het om Wie de Heere nu is. Hoe groot, hoe vol majesteit, wijs, goed, rechtvaardig, barmhartig en genadig en vol ontferming Hij is. Dan worden/zijn wij niets, en is de Heere alles. Dan buigen we voor Hem neer en kan de Heere het nooit meer verkeerd doen. Dan zijn we zalig en mogen we iets van de hemel proeven/ervaren. Eigenlijk is aanbidden hemelwerk. Dat zullen Gods kinderen straks eeuwig in de hemel doen (Aanbidden: Ps. 22:28, 30; Psalm 32:6; Psalm 95:6; Jes. 16:12, 27:13, 45:20; Matth. 2:2, 4:9; Openb. 3:9, 15:4, 19:10).
Aanbidden is meer dan bidden. Aanbidden is de Heere Goddelijke eer bewijzen. Hem erkennen als de Oorzaak van de zaligheid. Het is neerknielen voor Hem in het levende besef van eigen onwaardigheid en vloekwaardigheid, in verwondering en heilige vreugde.

Een groot geloof 
Deze vrouw had een groot geloof. Ze geloofde dat de Heere was, Die Hij is. Rechtvaardig, groot en goed, genadig en barmhartig. En dat er bij Hem goedertierenheid is en veel vergeving. Dat is een groot geloof: als we in de Heere geloven, zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Zijn Woord. Dan kunnen we alleen maar goed van de Heere denken. En dan kan de Heere het in ons leven nooit verkeerd doen, hoe het dan ook gaat. Of Hij ons dan geeft wat we van Hem vragen, of niet.

Hoe de Heere verhoort op Zijn tijd en wijze
Het oprechte geloof kan in het hart verborgen zijn als een zaadkorrel, die nog niet ontkiemd of gebloeid heeft. Het zwijgen van de Heere is een pijnlijke beproeving, maar nog groter is de smart als hij een bars antwoord geeft. Velen vinden direct verhoring bij de Heere, maar dat is niet bij allen zo. De vrouw is heilig ongehoorzaam. De Heere stuurt haar weg, maar ze laat zich niet wegzenden. Ze gelooft dat Hij kan en wil helpen. Ze vertrouwt op Hem, Die alleen te vertrouwen is. Het geloof ziet niet op uiterlijke dingen. Kenmerk van het geloof: de volharing in alles, ook in het gebed. Wij moeten niet rusten totdat God ons geeft wat wij van Hem begeren, of totdat wij niet meer kunnen bidden. De vrouw gelooft op hope tegen hoop. En zulk geloof wordt gerekend tot rechtvaardigheid.

De woorden ‘het brood der kindekens voor de hondekens’ klinkt als een weigering en toch zijn ze geen volstrekte weigering. Ze wijzen er wel op dat de vrouw nergens aanspraak op kan maken. In Markus lezen we dat de Heere eerst nog heeft gezegd: laat eerst de kinderen verzadigd worden. In dat ‘eerst’ is iets bemoedigends. Het zegt eigenlijk: De tijd van de heidenen, uw tijd is nog niet gekomen. De vrouw weet uit het harde woord van de Heere nog troost te putten. De vrouw worstelt met de Heere zoals eens Jakob in Pniël deed. De Heere wil dat we aan zullen houden, volhardend.

Leestip/luistertip
Op prekenweb.nl staat een (luister)preek van Ds. J.W. Kersten over deze geschiedenis. Deze preek staat ook in het boek ‘De schenking, beproeving en overwinning van het geloof’ van Ds. J.W. Kersten.

Verband belijdenisgeschriften
HC, Zondag 7, vraag 21
Zondag 45, vraag 116, 117, 118
Zondag 47, vraag 122
Zondag 48, vraag 123
Zondag 49, vraag 124
Zondag 50, vraag 125

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 2021

Kompas Handleiding | 17 Pagina's

Handleiding 4 : De Kananese vrouw

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 2021

Kompas Handleiding | 17 Pagina's