JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 2a: David en de ark

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 2a: David en de ark

Thema: ‘Dien God met blijdschap’

29 minuten leestijd

Van de redactie

‘Dien God met blijdschap’ is het thema van dit nummer van Kompas. Deze regel uit Psalm 100 is de rode draad in de twee verhalen die je in deze handleiding vindt. Het eerste verhaal gaat over koning David. Aan hem was goed te zien hoe blij hij was, toen hij de ark naar Jeruzalem bracht. Zijn blijdschap had ook wel een ondertoon van verwondering. Want dat die ark nu in Jeruzalem kwam, was niet vanzelfsprekend. Ze hadden God gediend op hun eigen manier en toen was het gruwelijk misgegaan. We mogen de kinderen laten zien dat blijdschap in God geen oppervlakkige blijdschap is. Het is blijdschap die oplicht tegen de donkere achtergrond van onze zonden. Daardoor is de verwondering des te groter. Het tweede verhaal is een verhaal uit de kerkgeschiedenis. Het gaat over een meisje in Armenië in de negentiende eeuw. Zij diende de Heere, ook toen het in haar leven tegenzat. Ze kwam vrijmoedig uit voor Zijn Naam. De redactie wenst jullie weer goede clubbijeenkomsten toe.

Gertrude de Regt


Toelichting op het thema
Het thema van dit nummer is: ‘Dient de HEERE met blijdschap’, naar aanleiding van Psalm 100: 2. In deze schets wordt een Bijbelse geschiedenis behandeld, in de tweede schets een verhaal uit de kerkgeschiedenis.

Aanwijzing bij het gebruik
Hoewel de hele geschiedenis uit 2 Samuël 6 wordt verteld, is ervoor gekozen om maar een gedeelte van het hoofdstuk te lezen. Deze geschiedenis vind je ook terug in 2 Kronieken 13 en 15-17.

Doel van de vertelling
De kinderen zien dat het dienen van de Heere blijdschap geeft. Naast eerbied voor de Heere is er ook liefde in het hart van Gods kinderen.

Introductie van het thema voor de kinderen
Schrijf de tekst: ‘Dient de HEERE met blijdschap’ op een groot papier. Vraag dan aan de kinderen, waaraan ze denken en schrijf de antwoorden in steekwoorden erbij of in kernwoorden op losse blaadjes. Geef vervolgens aan dat je er na de vertelling op terugkomt. Daarna ga je naar de vertelling.

Een andere mogelijkheid is: zoek een plaatje van de ark (bijvoorbeeld uit een kinderbijbel).
Stel de volgende vragen:
- Wat is dit? (de ark van de Heere)
- Waar stond die? (in de tabernakel, in het Heilige der Heiligen)
- Wat lag erin? (de Wet van de Heere, met de staf van Aäron die gebloeid had en een kruikje manna)
- Wie had hem gemaakt? (De Heere had door Mozes de opdracht gegeven de ark te maken. De Heere gaf Bezaleël en Aholiab, twee mannen uit het volk Israël, de wijsheid om alles wat Hij geboden had te kunnen maken, Exodus 35: 30-35)
- Waarvan was hij gemaakt? (de ark was gemaakt van sittimhout, aan de binnenkant en buitenkant overtrokken met goud, zie Exodus 37: 1-9)
- Wat lag er op? (het gouden verzoendeksel, waarop een keer per jaar, met de grote verzoendag, het bloed gesprengd moest worden)
- Wat stonden erop? (twee engelen, cherubs)

Zingen en lezen

Zingen
Psalm 2: 6 en 7
Psalm 9: 1, 2, 11 en 14
Psalm 96: 1, 5, 6 en 9
Psalm 26: 6, 7, en 8
Psalm 33: 1, 2, 6 en 11
Psalm 100: 1, 3 en 4
Psalm 106: 1 en 26
Psalm 116: 10 en 11
Psalm 132: 1, 2, 5, 6, 7, 10 en 12
Lied uit ‘Tot Zijn eer’:
Neem mijn leven, laat het Heer’

Lezen
2 Samuël 6: 12-23

Kerntekst
Alzo brachten David en het ganse huis Israëls de ark des HEEREN op, met gejuich en met geluid der bazuinen. (2 Samuël 6: 14 en 15)
Dient den HEERE met blijdschap, en komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang. (Psalm 100: 2)
Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. (Psalm 2: 11)

Vertelling

“Hoe zal ik de ark van de Heere naar Jeruzalem halen?” In zijn paleis in de stad Jeruzalem zit koning David. Om hem heen staan de belangrijkste mannen van Israël. David heeft ze bij elkaar geroepen. Hij heeft iets belangrijks met hen te bespreken. Hij heeft hun raad nodig! Nee, deze keer niet om oorlog te gaan voeren, zoals dat al een paar keer eerder is gebeurd. Dit keer gaat het over de ark van de Heere. Die ark is al heel lang vergeten. Hij staat ergens in Israӫl, in het huis van Abinadab. Daar staat hij al wel meer dan twintig jaar! Koning Saul heeft nooit naar die ark gevraagd. Hij had de ark niet nodig. Hij had de Heere niet nodig! David kan niet zonder de Heere. Hij verlangt ernaar om dicht bij de Heere te leven. Daarom wil hij zo graag dat de ark bij hem in Jeruzalem komt. De ark is het teken dat de Heere bij het volk van Israël woont. Op die ark ligt het gouden verzoendeksel, waarop de hogepriester één keer in het jaar bloed moet druppelen. Daarop staan de twee engelen, de cherubs. In die ark ligt de Wet van de Heere, de Tien Geboden. Die ark is heilig, omdat de Heere heilig is. David verlangt naar dat teken van de Heere. Ken jij dat verlangen van David?

Het is een tijdje later. Bij het huis van Abinadab, in het stadje Kirjath-Jearim is het heel druk. Het volk van Israël is bij elkaar gekomen. Vandaag zal de ark naar Jeruzalem worden gebracht. Wat zijn er veel mensen! Ze komen uit het hele land: priesters, Levieten, belangrijke mensen van het volk van Israël, ‘gewone‘ Israëlieten. Allemaal zijn ze gekomen om de ark naar Jeruzalem te brengen. En ook koning David is erbij. Eindelijk zal gebeuren, wat hij zo graag wil! Kijk, daar komt de ark uit het huis van Abinadab. Hij wordt op een nieuwe wagen gezet, die speciaal hiervoor is gemaakt. Vóór de wagen staan twee koeien; zij zullen de wagen trekken. Twee mannen zullen erbij lopen. Het zijn Ahio en Uza. Ahio pakt de koeien vast om ze over de weg te leiden. Uza gaat naast de wagen lopen om ervoor te zorgen dat de ark er niet afvalt. Voor en achter de wagen met de ark erop lopen de mensen. Ze zijn blij. De Levieten maken muziek op allerlei muziekinstrumenten. Zo gaat de feestelijke stoet naar Jeruzalem. Wat is David blij. Eindelijk zal de ark bij hem in de stad Jeruzalem komen.

Maar dan… Opeens struikelen de koeien. Uza, die naast de ark loopt, ziet het. Hij schrikt! Straks valt de ark van de wagen op de grond. Zonder er verder bij na te denken, steekt hij zijn hand naar de ark uit en raakt haar aan… en valt dood op de grond, vlak naast de ark. De stoet staat stil. Weg is plotseling alle blijdschap. De mensen juichen niet meer. De Heere straft Uza voor wat hij zonder nadenken deed. Hij was zo dicht bij de ark. Toch moest hij sterven… Daar staat koning David. Ook hij is geschrokken. Maar hij is ook boos. Waarom heeft de Heere Uza gedood? Ze wilden toch een goed werk doen? Maar de boosheid van David verandert al gauw in vrees. Is het dan niet goed dat hij de ark naar Jeruzalem wilde halen? Heeft híj het misschien verkeerd gedaan? Zal de Heere nog meer mensen doden? Zal Hij nog ergere straffen sturen? David durft zo niet verder. Daarom laat hij de ark niet naar Jeruzalem brengen, maar naar het huis dat daar dichtbij is. Het huis van Obed-Edom.

Daar gaan alle mensen, terug naar hun huizen. Ook David gaat naar huis. Wat is alles anders gegaan dan hij gedacht heeft. Vol vragen komt hij terug in zijn paleis… “Koning, hebt u gehoord dat de Heere Obed-Edom en zijn huis zegent, omdat de ark daar is?” Voor David staan wat mensen. Ze brengen de koning een boodschap. Een wonderlijke boodschap. Nee, in het huis van Obed-Edom stérven geen mensen. Daar geeft de Heere juist Zijn zégen. Opnieuw komt het verlangen in het hart van David om de ark naar Jeruzalem te halen. Maar hoe? David zegt: ”Hoe zal de ark van de Heere tot mij komen?” Het is alsof David zegt: ”Hoe kan de Heere naar mij toekomen? Ik ben toch een zondige man? En de Heere kan toch niet bij zondige mensen wonen?” En ja, op deze vraag krijgt David ook een antwoord. Hij gaat zoeken In het Woord van de Heere, dat hij bij zich heeft in het paleis. En als hij daarin leest en zoekt, vindt hij het antwoord op zijn vraag! David leest daar wat de Heere Zelf lang geleden aan Mozes over Zijn ark geboden heeft. De ark mag niet op een wagen staan, maar hij moet gedrágen worden. En dat mogen alleen de priesters doen. En dan alleen speciale priesters die de Heere daarvoor uitgekozen heeft. Weer roept David zijn raadgevers bij elkaar. Nu zijn ook de priesters en Levieten erbij. Eerlijk belijdt David, dat hij het de vorige keer verkeerd heeft gedaan. Dat hij heeft gezondigd, omdat hij niet heeft gedaan wat de Heere geboden heeft. Hij zegt: “Niemand mag de ark van God dragen dan de Levieten, want die heeft de HEERE verkoren om de ark van God te dragen en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid.” De koning wijst de hogepriesters Zadok en Abjathar aan om zich te heiligen. Ze moeten zich wassen en schone kleren aantrekken. Ze moeten de zonden uit hun hart en leven wegdoen. Dan alleen zullen zij de ark kunnen dragen. David zegt: ”Omdat jullie de eerste keer de ark niet hebben gedragen, maar omdat wij hem op een wagen hebben gezet, heeft de Heere Uza gedood. Omdat wij de Heere de vorige keer niet hebben gediend, zoals Hij dat wil!”

Niet lang daarna zijn er bij het huis van Obed-Edom heel veel mensen. Maar nu is er geen nieuwe wagen met koeien ervoor. In plaats daarvan staan daar de priesters, die de Heere daarvoor heeft aangewezen. Alleen zij mogen de ark dragen. Kijk, daar gaan ze het huis binnen. Alleen zij mogen de ruimte binnen, waar de ark is. De priesters hebben kleden bij zich. Daarmee wordt de ark toegedekt. Zo heeft de Heere het aan Mozes geboden. Dan pakken ze de draagbomen van de ark vast. Ze nemen de ark op hun schouders en brengen hem naar buiten. Zo gaan ze de kant van Jeruzalem op. Het volk ziet de ark op de schouders van de priesters. Ze lopen er achteraan. Weer wordt er gejuicht en maken de Levieten muziek op hun muziekinstrumenten. Maar als de priesters zes stappen gezet hebben, staan ze plotseling stil. Waarom? Kijk, andere priesters komen naar voren en brengen een offer. Ze offeren zeven varren, dat zijn jonge koeien, en zeven rammen. Want alleen als er een offer gebracht wordt, kan de Heere de zonden vergeven. De zonden die ze de vorige keer deden, toen ze de ark op een wagen naar Jeruzalem wilden brengen. Zonder offer kan de Heere niet bij David en het volk van Israël wonen. Dat heeft David geleerd in de tijd dat de ark in het huis van Obed-Edom was. Zonder offer kan de Heere ook niet bij jou en mij wonen. Dat kan alleen door het offer dat de Heere Jezus heeft gebracht.

Kijk daar eens… daar voor de ark! Daar loopt David, de koning. Maar je kunt helemaal niet aan hem zien dat hij de koning is. Hij heeft een wit kleed aan en daarover draagt hij een witte mantel. Hij draagt dezelfde kleding als de priesters. En kijk eens wat hij doet… Hij huppelt voor de ark van de Heere uit. Zo blij is David. Waarom? David is blij omdat dat de Heere zo goed is. Dat Hij nu wel in de stad Jeruzalem wil komen wonen. Dat Hij de zonde van de vorige keer vergeven heeft. David is blij om Wie de Heere is. Rechtvaardig, maar ook genadig. Ken jij de Heere zo ook? Hij straft de zonden, maar Hij wil ze je ook vergeven. Dat kan omdat de Heere Jezus daarvoor de straf droeg aan het kruis. In Jeruzalem brengt David opnieuw offers. Nu zijn het dankoffers. Daarna geeft David aan alle mensen een geschenk. Iedereen krijgt op deze blijde dag een bol brood, een stuk vlees en een fles wijn. Dan gaat iedereen naar huis.

Ook David gaat terug naar zijn paleis. Zijn hart is vol van de Heere en van wat Hij gedaan heeft. Maar als hij thuiskomt, staat daar zijn vrouw Michal. Spottend kijkt ze David aan. Waarom? Ze heeft gezien hoe David voor de ark huppelde. Is dát nu een koning? Zo zou haar vader Saul nooit gedaan hebben. Ze zegt het ook tegen David. “Hoe is heden de koning van Israӫl verheerlijkt!” Ze bedoelt: wat heeft de koning van Israël zich aangesteld en belachelijk gemaakt. Michal begrijpt niets van Davids blijdschap. Ze vindt dat hij niet had moeten huppelen, zoals de andere mensen. Hij had moeten laten zien dat hij koning is! Maar David wil geen koning zijn, maar onderkoning! Hij zegt dan ook: “Ja, ik zal huppelen voor het Aangezicht van de Heere, Die mij in de plaats van uw vader Saul koning heeft gemaakt. En Michal, het is geen schande, maar juist een eer om met die eenvoudige mensen de Heere te loven. Eenmaal zal ik met de mensen met wie ik nu blij was, voor altijd de Heere loven en prijzen.”

Ken jij dat gevoel van David: dat je zo blij bent om Wie de Heere is, dat je er het liefst van wilt zingen? Dan zing je de psalmen in de kerk met je hele hart mee. Dan wil je alles wel doen, wat Hij zegt. Dan weet je ook, net als David, dat je dat niet in eigen kracht kunt.

David had een priester nodig om de ark naar Jeruzalem te brengen en om voor hem te offeren. En die priester was er! Jij hebt ook een Priester nodig. Iemand die je van je zonden kan verlossen. Die het weer goed kan maken tussen jou en de Heere. Die Priester is er! Het is de Heere Jezus Christus. Hij offerde Zichzelf aan het kruis. Daardoor kan het weer goed worden tussen jou en de Heere. Dan kun jij de Heere echt dienen met blijdschap.

Afsluiting
Na de vertelling kun je met de kinderen kijken naar de woorden die je bij de zin ‘Dient de HEERE met blijdschap’ hebt opgeschreven. Vraag aan de kinderen waarom ze die woorden hebben genoemd. Vraag ook of er misschien nog woorden bij moeten.

Achtergrondinformatie bij het Bijbelgedeelte

Algemene informatie
De geschiedenis die in deze vertelling behandeld wordt, staat in 2 Samuël 6. In 2 Kronieken 13 wordt deze geschiedenis uitgebreider beschreven. Daar het gaat over de eerste keer dat David de ark naar Jeruzalem brengt. In 2 Kronieken 15-17 wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de tweede keer dat de ark naar Jeruzalem gebracht wordt.

De ark Gods
De ark was bij de berg Sinaï op bevel van de Heere gemaakt. Het was een teken van de tegenwoordigheid van de Heere bij Zijn volk. De Heere had ook precies verteld wat er met die ark gebeuren moest. Waar hij moest staan, wie hem mochten dragen, hoe dat moest gebeuren etc. (zie Exodus 25: 10-22, 37: 1-9 en Numeri 4: 15 en 7: 9). De ark van het verbond was het teken van Gods aanwezigheid te midden van Zijn verbondsvolk. De Heere had gezegd dat Hij tussen de cherubim (engelen op de ark) woonde, boven het verzoendeksel.

Op de ark lag het gouden verzoendeksel. De ark was het symbool van Gods gunst (zie ook Exodus 25: 22). Op het verzoendeksel waren de twee cherubs.

De plaatsen waar de ark geweest was
Veertig jaar had het volk van Israël op hun zwerftocht door de woestijn die ark meegedragen. Toen het volk in Kanaän kwam, had de ark waarschijnlijk een plekje gekregen in het stadje Silo (Richteren 21: 12). Toen de Israëlieten moesten vechten tegen de Filistijnen hebben Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, die priesters waren, de ark meegenomen naar het leger. Daar werd hij buitgemaakt door de Filistijnen (1 Samuël 4-6). Omdat de Heere de Filistijnen bezocht met allerlei plagen, lieten zij de ark teruggaan naar Israël, waar hij uiteindelijk in Kirjath-Jearim kwam, in het huis van Abinadab (1 Samuël 7: 1). Zijn zoon Eleazar werd toen geheiligd, zodat hij de ark kon bewaren. Dat was in de tijd dat Samuël richter was in Israël, zo’n 80 jaar eerder. Uza en Ahio zijn zonen van Abinadab. Waarschijnlijk zijn ze geen Leviet of priester. Koning Saul had zich nooit om de ark bekommerd. Toen David koning werd, was een van de eerste dingen die hij deed de ark naar Jeruzalem brengen. De ark was een afschaduwing van de Heere Jezus. De ark wordt in de Bijbel genoemd: de ark des heiligdoms, de ark Gods, de ark der getuigenis (omdat de Wet erin lag), de ark des verbonds.

Het dragen van de ark van de Heere
De Heere had precies voorgeschreven hoe het volk Israël met de ark om moest gaan. Dat staat in Numeri 4: 5 en 6. Als de Israëlieten op reis gingen, moesten de zonen van Aäron, de priesters, de ark eerst bedekken met ‘de voorhang’. Dit waren de gordijnen die tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen hingen. Daarover moest een deksel van dassenvellen gelegd worden en dan nog één van hemelsblauw. De zonen van Kahath (Levieten) mochten daar niet bij zijn. Zij mochten pas binnenkomen om de ark te dragen als die was toegedekt (Numeri 3 : 29). Zij waren ook degenen die alleen de ark - aan de draagbomen - mochten dragen. De ark mocht op geen andere manier vervoerd worden.

De priesters Zadok en Abjathar.
De Heere had aan Mozes geboden dat de hogepriester naast zich een andere priester zou hebben, die hem in tijd van nood zou kunnen vervangen. Deze plaatsvervanger wordt in Numeri 3: 32 genoemd ‘de overste van de oversten van Levi’. Deze priester was de voornaamste naast de hogepriester. In de tijd van David was Abjathar de hogepriester en Zadok de tweede naast hem. Daarom roept David deze twee priesters bij zich als hij bevel geeft wat er met de ark moet gebeuren.

De zonde van Uza
Een onbedachtzaamheid die door de Heere, Die heilig is, zwaar gestraft wordt. Vergelijk dit met de zonde van de zonen van Aäron die vreemd vuur op het altaar brachten. Uza had dit kunnen weten. De ark was vele jaren in het huis van Abinadab, zijn vader, geweest. De Heere nam het Uza hoogst kwalijk en strafte hem met de zwaarste straf. Uza had ten diepste geen besef van de heiligheid van de ark, van de heiligheid van God Zelf.

En David ontstak
Eerlijk wordt verteld dat Davds toorn ontbrandt om datgene wat de Heere deed. Het was voor de koning duidelijk dat het Gods hand was die Uza liet sterven. Maar de reden waaróm ontging hem. Er is bij de verbijstering van het eerste ogenblik bij David een heftig verzet. Hij is het er niet mee eens dat de Heere op deze manier een eind maakt aan de reis van de ark naar Jeruzalem. David dacht dat hij het goed had gedaan. De Heere heeft hem echter tot inkeer gebracht.

Davids vrees
“En David vreesde den HEERE ten zelve dage.” David is bang dat hij de Heere opnieuw zal vertoornen. Hij beseft dat er een rechtvaardige reden moet zijn dat de Heere Uza gedood heeft. Hij beseft dat Gods heiligheid door een bepaalde overtreding of nalatigheid gekrenkt moet zijn. Zo mag hij dus niet verder!

Michals verachting van David
Michal wordt hier niet ‘Davids vrouw’, maar ‘de dochter van Saul’ genoemd, omdat zij de gezindheid van haar vader vertoont. Zij beschuldigt David van schaamteloos en onzedelijk gedrag, maar beseft niet het verschil tussen een theocratisch en een oosters vorst. David wil een theocratisch vorst zijn. Als koning onder God mag hij het volk weiden. God dienen is voor hem het allerbelangrijkste. Hij vindt het geen schande om zich klein te maken voor God. Juist als voorganger van Israël wil hij hierin een voorbeeld geven. David heeft zijn koninklijke kleding afgelegd. Uit niets blijkt echter, dat David de grenzen van de eerbaarheid overschreden had, zoals Michal hem verwijt. David was gekleed met de linnen lendenschort, die behoorde tot het ambtsgewaad van de priesters. Michal wordt gestraft voor haar verachting van David: ze blijft kinderloos. In Israël wordt dat gezien als een oordeel van God.

Het aanstellen van zangers
Als David de ark overbrengt naar Jeruzalem stelt hij uit de Levieten zangers aan (1 Kronieken 15: 16-18). Er zijn drie zangleiders: Heman, Asaf en Ethan (die meestal Jeduthun wordt genoemd). In 1 Kronieken 6: 31-48 wordt hun afkomst in een apart geslachtsregister vermeld. Als de ark een plek gekregen heeft in Jeruzalem, geeft David de zangers een taak in de tabernakel in Gibeon, totdat Salomo de tempel bouwt (1 Kronieken 6: 31-32 en Kronieken 16: 41-42). Asaf en zijn familie blijven dienen bij de ark in Jeruzalem (1 Kronieken 16: 37).

De eerste psalm die David aan de Levieten gaf
Ter gelegenheid van de komst van de ark dicht David een psalm. Die bestaat uit drie delen: vers 8-22, 23-33 en vers 34-36. Die delen zijn terug te vinden in het Bijbelboek Psalmen. Vers 8-22 komt overeen met Psalm 105 vers 1-5, vers 23-33 met Psalm 96 en vers 34-36 met Psalm 106 vers 1 en 47-48. Dat betekent niet dat David uit al deze Psalmen een stukje heeft genomen om er een Psalm van te maken. Het is eerder andersom: de dichters van deze Psalmen hebben gedeelten uit de Psalm van David gebruikt om er een nieuwe Psalm van te maken.

‘Dient den HEERE met blijdschap’, maar ook ‘Dient de HEERE met vreze en verheugt u met beving’
De HEERE vraagt geen slaafse onderwerping, maar kinderlijk ontzag en eerbiedige blijdschap.

Handleiding bij het werkboekje

Werkboekje -10

Kies het goede antwoord
Deze vragen zijn bedoeld om te zien of de kinderen onthouden hebben wat er is verteld.
1. David was koning in de stad Jeruzalem.
2. Hij wilde graag dat daar ook de ark van de Heere zou komen. Toen hij die ging halen, gebruikte hij een nieuwe wagen met koeien Toen de dieren die de wagen trokken, struikelden, hield Uza de ark tegen.
3. De Heere strafte hem daarvoor met de dood.
4. De tweede keer had David de priesters en Levieten nodig om de ark te dragen.
Voor de ark uit ging David. Hij huppelde, omdat hij blij was.
Toen David thuis kwam, verachtte Michal hem, omdat hij voor de ark gehuppeld had.

David en de ark
Door deze vraag leren de kinderen dat wij God niet kunnen dienen zoals wij dat zelf willen. We moeten Hem dienen zoals Hij het wil.

1. David liet de ark naar Jeruzalem brengen. Zo wilde hij de Heere nog beter kunnen dienen.
1. Hoe moest de ark vervoerd worden van de Heere?
De Heere had geboden dat de ark gedragen moest worden. Dat mocht alleen door de priesters en Levieten gedaan worden. En dan alleen door die Levieten, die de Heere daarvoor had aangewezen.
2. Hoe liet David dat doen?
David liet de ark op een wagen vervoeren. Hij koos mannen uit die geen Levieten of priesters waren.
3. Waarom was dat niet goed?
David was Gods gebod ongehoorzaam. Het ging hier om de eer van de Heere, hoe Hij gediend wil worden.
4. Wat kan jij daarvan leren?
Het komt heel nauw hoe wij de Heere dienen. Wij mogen nooit zelf bepalen hoe we dat doen, maar moeten gehoorzaam zijn aan Gods Woord en getuigenis.

2. David is blij
 Wat deed David toen de ark in Jeruzalem kwam?
Hij huppelde voor de ark uit.
 Waarom huppelde David voor de ark?
Omdat hij zo blij was.
 Waarover was David blij?
Dat de Heere bij hem, een zondige man, wilde komen wonen.
 Wat deed David toen de ark in Jeruzalem kwam?
Hij huppelde voor de ark.
 Waarover was David blij?
Omdat de ark weer in Jeruzalem was. Dat was een teken dat God bij hen wilde wonen.

Dien God met blijdschap
Hoe kan een kind God dienen met blijdschap? Als het door genade liefde tot God in Zijn hart heeft! Ook zijn er momenten waarop een kind kan merken dat God aan hem denkt.

Hoe zou je kunnen merken dat het dienen van de Heere je blijdschap geeft:

 als je verdriet hebt
Zelfs als je veel verdriet hebt, kan de Heere je troosten, zodat je mag weten dat Hij bij je is. Dan ben je, ondanks het verdriet, toch blij in je hart.
 als het zondag is
Als je de Heere liefhebt, ben je blij dat je naar Zijn huis mag gaan. Als de dominee preekt, hoor je de stem van de Heere. Je mag samen met de andere mensen bidden en zingen.
 als je naar school gaat
Als je merkt dat de Heere je helpt op school; bij het maken van een repetitie, of om een ruzie goed te maken met een klasgenoot. Als je de Heere nodig hebt bij zulke dingen, zul je merken dat Hij je helpt.
 als je jarig bent
Dan mag je God eerbiedig danken, omdat de Heere zo goed voor je is geweest en weer een jaar voor je gezorgd heeft; en dat Hij je weer een nieuw jaar geeft.
 als je de Bijbel leest
Dan weet je dat de Heere tot je spreekt. Als je Hem lief hebt, hoor je ook graag Zijn stem. Hij geeft antwoord op de vragen die er in je hart zijn. De Bijbel vertelt je over de Heere Jezus, wat Hij deed om zondaren te redden.
 als je bidt
Als je al je zorgen, vragen en blijdschap aan Hem mag vertellen. Dat je mag bidden en Hij naar je wil horen, alleen om de Heere Jezus’ wil!
 als je iets in de collectezak stopt
Dat je geld mag geven voor de dienst van de Heere of voor anderen. Teruggeven wat je van Hem krijgt. Uit dankbaarheid, omdat Hij zo goed is.

De ark en de Heere Jezus
De ark is een voorbeeld van de Heere Jezus.
1. Wat lag er op de ark?
Het verzoendeksel.
2. Welk woord zit daarin?
Verzoenen.
3. Weet je wat dat betekent?
Vergeven, het weer goed maken.
4. Op Wie wijst het verzoendeksel?
Op de Heere Jezus. Door Hem kan het weer goed worden tussen God en mensen die gezondigd hebben.
5. Waarom wilde David de ark zo graag dichtbij zich hebben?
Omdat hij dan steeds kon zien dat God zijn zonden wilde vergeven en bij hem wilde wonen.

In jouw kerk
In jouw kerk staat geen ark met een verzoendeksel. Toch laat de Heere ook daar zien dat Hij de zonden wil vergeven en dat zondige mensen Zijn kind kunnen worden. Hij laat dat horen door Zijn Woord en Hij laat het zien door de Doop en het Heilig Avondmaal.
 Teken de voorwerpen op de Avondmaalstafel. Waarom staan die daarop?
 Kleur het water in het Doopvont blauw. Weet je wat dit water betekent?
 Word je wel eens blij vanbinnen als je dit in jouw kerk ziet?

Puzzel
Zet eerst de rode letters achter elkaar. Vul ze hieronder in. Letters waar een streepje onder staat, zijn hoofdletters.

Er komt uit: Dient de HEERE met vreze en verheugt u met beving.

Zet nu ook de andere letters achter elkaar. Vul die hieronder in.

Er komt uit: Wij moeten de Heere dienen met kinderlijke vreze en eerbiedige blijdschap.

Werkboekje +10

Invulpuzzel

1. David woonde in de stad ….. Jeruzalem 8.7
2. Hij wilde daar ook graag de …. Hebben ark 2.4
3. Die haalde hij met een nieuwe …… wagen 5.14
4. Twee ….. van Abinadab liepen erbij zonen 2.13
5. Onderweg struikelden de ……. koeien 5,21
6. Dat gebeurde bij de ….. van Nachon dorsvloer 3.11
7. ….. wilde de ark tegenhouden en raakte haar aan. Uza 3.3
8. HIj deed dat zonder er bij na te …… denken 2.10
9. Dit was ….. tegen de Heere zonde 3.25
10. Daarvoor werd hij …. gestraft 3.16
11. Hij …. bij de ark stierf 1.19
12. David …. en wilde de ark daarom niet naar zijn stad laten komen vreesde 6.17
13. Daarom brachten ze de ark in het huis van …….. ……. Obed-Edom 4.12
14. Na …. maanden hoorde David iets drie 4.18
15. Hij hoorde dat de Heere het huis waar de ark was …. zegende 6.6
16. David ging erheen om de ark te halen 1.20
17. Maar nu werd de ark …. gedragen 3.1
18. Dat gebeurde door de … Levieten 7.22
19. Zij droegen de ark op hun …… schouders 9.8
20. Onderweg werden …. gebracht offers 5.23
21. David …. voor de ark van de Heere uit. huppelde 5.2
22. Hij zag er niet uit als een ….. koning 1.5
23. Toen Michal dat zag …. zij hem verachtte 1.9
24. Michal kende niet de ….van David. blijdschap 1.15
25. Alle mensen kregen van de koning een bol brood, een fles wijn en een stuk … vlees 3.24

Als je alle woorden hebt ingevuld, zie je achter die woorden cijfers staan. Het eerste cijfer vertelt welke letter uit het woord je moet gebruiken, het tweede cijfer vertelt je waar je die letter in het vak hieronder moet invullen. Onder de cijfers met een sterretje moet je een hoofdletter schrijven.

Uitkomst: De ark des verbonds des HEEREN.

David en de ark
1. David liet de ark op een wagen naar Jeruzalem brengen. Zo wilde hij de Heere nog beter kunnen dienen.
2. Zoek eens op 1 Samuël 6.
 Bij wie is de ark op dit moment? (vers 1)
Bij de Filistijnen.
 Welke raad kregen zij van hun priesters? (vers 7 en 8)
Maak een nieuwe wagen en zet daarop de ark van de God van Israël.
 Wat deden zij met de ark? (vers 11)
Zij zetten de ark op een nieuwe wagen en stuurden hem terug naar het land van Israël. Zoek nu eens op 2 Samuël 6.
 Het gaat hier over …. (vers 2)
David en het volk van Israël
 Wat deden zij met de ark? (vers 3)
Zij zetten de ark ook op een nieuwe wagen.
 Wat was het verschil tussen de Filistijnen en de Israëlieten?
Ze deden eigenlijk allebei hetzelfde.
 Wat leer jij daaruit als het over het dienen van de Heere gaat?
Dat je de Heere alleen mag dienen op de manier zoals Hij dat Zelf zegt. De heidense Filistijnen wisten niet beter, maar David en het volk Israël wel.

Blij en eerbiedig
David diende de Heere met blijdschap, maar ook met eerbied.

“Dient de Heere met blijdschap.” (Psalm 100: 2)

“Dient de Heere met vreze en verheugt u met beving.” (Psalm 2: 11)

 Wat staat er in de eerste tekst? Wat betekent dat?
De Heere wil dat wij Hem dienen met blijdschap. De dienst van de Heere geeft vreugde!
 Wat betekent de tweede tekst?
De Heere wil dat wij Hem dienen met vreze. Maar vrees betekent niet dat je bang bent. Het betekent dat je eerbied hebt voor de Heere en Zijn geboden. Dat je bang bent om Hem verdriet te doen. Dan zul je ook blijdschap hebben. Maar ook dan is er ontzag voor de Heere, zoals een kind ontzag heeft voor zijn vader en moeder. Daar zit ook liefde in. Dan wil je je vader en moeder geen verdriet doen.
 Is daar verschil tussen?
Eigenlijk is er geen verschil, maar is de tweede tekst een nadere uitwerking van de eerste. Als we de Heere mogen dienen met blijdschap, kan dat nooit zonder liefde. Dan zullen we ook iets kennen van de vrees om de Heere verdriet te doen.

Zoeken in de Bijbel
Zoek een aantal personen uit de Bijbel die de Heere met blijdschap dienden. Zoek er ook een aantal die Hem dienden op hun eigen manier. Als je het moeilijk vindt, zoek dan de volgende Bijbelgedeelten eens op: Genesis 4: 1-15, Genesis 25: 27-34, Genesis 33, 1 Samuël 2: 11-19, 1 Samuël 18: 1-17 en 19: 1-7).

Zij dienden de Heere met blijdschap:
Abel
David Jonathan
Jakob
Samuël
Koning Hizkia, Koning Josia, Koning Josafath

Zij dienden de Heere op hun eigen manier:
Kaïn
Saul
Ezau
Hofni, Pinehas
Koning Achaz, koning Achab, koning Uzzia

Denk eens aan de afgelopen week. Kun je een aantal momenten noemen waarop je de Heere met blijdschap gediend hebt?
Laat de kinderen reageren op de vraag. Misschien vinden ze het lastig om een concreet moment te noemen. Misschien zeggen ze eerlijk dat ze niet zo’n moment hebben gehad. Vraag dan door naar wat momenten kunnen zijn dat je de Heere met blijdschap dient. Welke momenten zijn dat? Vaak als je merkt dat Hij van je afweet. Als Hij je gebed verhoorde, als Hij je hielp bij die repetitie, als Hij je beter maakte toen je ziek was. Zie bijvoorbeeld ook de toelichting bij de vragen van werkboekje -10 bij ‘Dien God met blijdschap’. Je kunt er ook over doorpraten dat God dienen niet vanzelf gaat. Misschien hebben kinderen vragen over dingen die ze moeilijk vinden. Misschien zien ze in hun omgeving niet veel voorbeelden van mensen die God met blijdschap dienen. Toch zie je in de Bijbel dat Gods kinderen God ook met blijdschap dienen als het moeilijk is. Omdat ze merken dat de Heere ook in zulke momenten bij hen is. Misschien kennen jullie voorbeelden uit je eigen leven of uit de gemeente, dat mensen ondanks hun verdriet of zorgen toch goed spraken over de Heere. Zo zie je dat het dienen van de Heere echt een liefdedienst is.

De ark en de Heere Jezus
 Waarom wilde David de ark zo graag dichtbij zich hebben? De ark was het teken dat de Heere bij het volk van Israël wilde wonen.
 De ark is een voorbeeld van de Heere Jezus. Probeer eens te vertellen waarom. In de ark lag de Wet van de Heere. Erop lag het gouden verzoendeksel. Daarop werd ieder jaar door de hogepriester het bloed van een dier gesprenkeld. Dat bloed zag op het bloed van de Heere Jezus, Die eenmaal aan het kruis zou lijden en sterven voor de zonden van zondige mensen en kinderen om die te verzoenen.

Even puzzelen
Kleur de volgende hokjes met een kleurpotlood (gebruik een lichte kleur).

Als je klaar bent, zijn er nog een aantal vakjes niet gekleurd. Zet de letters die in die vakjes staan achter elkaar. Er staat dan: Dient de Heere met vreze en verheugt u met beving.

Zet nu ook de letters die je gekleurd hebt achter elkaar. Dan lees je wat deze tekst betekent! Wij moeten de Heere dienen met kinderlijke vreze en eerbiedige blijdschap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

Kompas Handleiding | 18 Pagina's

Handleiding 2a: David en de ark

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

Kompas Handleiding | 18 Pagina's