JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Handleiding 4a: David telt het volk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Handleiding 4a: David telt het volk

25 minuten leestijd

Lezen
2 Samuël 24: 1-14

Kerntekst
En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot de HEERE: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan (2 Samuël 24: 10)

Zingen
Psalm 51: 1
Psalm 32: 3
Psalm 6: 2
Psalm 119: 60, 69
Psalm 103: 2
Psalm 130: 1, 2
Gebed des Heeren: 6 en 7


Vertelschets

In de stad Jeruzalem staat een mooi paleis. Daarin woont David, de koning van Israël. David is al heel lang koning. Wat heeft de Heere goed voor hem gezorgd. Lang geleden had de Heere al beloofd dat hij koning over het volk van Israël mocht worden. En ook al leek het, dat het nooit zou gebeuren, toch deed de Heere wat Hij had beloofd.
Een poosje geleden had Absalom, de zoon van David, geprobeerd om koning te worden en zijn vader van de troon te jagen. Een groot gedeelte van het volk van Israël had hem toen geholpen. Maar Absalom was gedood en de Heere had David weer terug gebracht in zijn paleis in Jeruzalem. Hij liet merken: “David, Ik zorg voor je.”
Nu zit David op zijn troon en hij denkt na. Hij denkt er niet aan hoe goed de Heere voor hem is geweest. David denkt aan het volk waarover hij regeert. Het is een groot volk. Plotseling komt er een mooi plan in zijn gedachte. Ja, dat zal hij doen!
Hij roept zijn generaal Joab en zegt. “Joab, jij moet met een aantal andere mannen het volk van Israël gaan tellen. Ik wil wel eens weten hoeveel mensen er nu precies in mijn land wonen.”
Waarom wil de koning dat weten? Wil hij dat de mensen uit zijn land belasting gaan betalen? Want dan moet hij precies weten hoeveel mensen dat zijn. Nee, David wil alleen maar weten hoe machtig hij is. Hij wil alleen maar weten hoeveel mannen er wonen die kunnen vechten.
Joab hoort wat de koning vraagt en hij begrijpt ook meteen waarom de koning dat wil. En Joab weet ook dat wat David vraagt, zondig is. “Koning,” zegt hij, “ik hoop dat de Heere uw volk nog veel groter maakt, zodat u over nog veel mensen mag regeren. En al was het honderd keer zo groot. Dat maakt toch eigenlijk niet uit. Maar daarom hoef ik het volk toch niet te tellen? Waarom wilt u dat doen?”
Luistert de koning naar die wijze raad van Joab? Nee, dat doet David niet! Hij zegt: “Joab, ik wil dat jij het volk telt en dan moet je dat ook doen.” Koning David wil weten hoe machtig hij wel is. Hij is niet verwonderd, dat hij over het volk van de Heere mag regeren. Maar hij is trots. En hij wil steeds meer hebben. Daarom laat hij het volk tellen. Hij is trots op wat hij van de Heere heeft gekregen.
Jij hebt ook dingen van de Heere gekregen. Misschien wel een goed verstand. Of misschien hebben jullie het thuis goed en kun je daarom leuke kleren dragen en mooi speelgoed kopen. Daar mag je de Heere voor danken. Maar… je mag er niet trots op zijn. Alsof jij dat zelf hebt verdiend. Vergeet niet dat je het van de Heere hebt gekregen!

Daar gaan Joab en een aantal mannen. Ze trekken het hele land door. Negen maanden lang zijn ze onderweg. Overal tellen ze de mannen die kunnen vechten. Dat zijn de mannen die twintig jaar zijn en ouder. Eindelijk komen ze weer terug in Jeruzalem. Dan hebben ze alle stammen gehad, behalve de stam van Levi en de stam van Benjamin.

In zijn paleis zit koning David. Joab is bij hem geweest. Hij heeft precies verteld hoeveel soldaten er in Israël wonen en ook hoeveel soldaten er in Juda wonen. Nu heeft David antwoord op de vraag hoe groot zijn leger is. En is David nu blij? Nee, zijn geweten klaagt hem aan. Wat is hij een dwaas geweest. Waarom heeft hij alle soldaten laten tellen? Wat heeft hij daar nu aan? David voelt het diep in zijn hart: Wat ik heb gedaan is zonde. Daarmee heb ik de Heere verdriet gedaan. Ik wilde weten hoe machtig ik was. Maar ik vergat helemaal dat de Heere mij die macht gegeven heeft. En dan… dan buigt koning David zijn knieën en hij bidt. Hij zegt: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb, maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan. David zegt het: Heere, ik heb verkeerd gedaan. Ik heb gezondigd. Zo bidt David en hij vraagt de Heere om vergeving. Hij kan niet eerder gerust zijn voordat hij weet dat de Heere hem zijn zonde vergeven heeft. Hier zie je dat David de Heere lief heeft. Hij vindt het erg dat hij de Heere verdriet heeft gedaan. Herken je dat? Iedereen doet wel eens iets dat verkeerd is. Als je God lief hebt, kun je daar niet zomaar verder mee leven. Dan wil je weten of de Heere het heeft vergeven. Daarvoor kwam de Heere Jezus naar de aarde. Daarvoor wilde Hij lijden en sterven. Heb jij Hem nodig tot vergeving van je zonden?

Als het ochtend wordt, gaat plotseling de deur open. Er komt een man binnen. David kent hem wel. Het is een knecht van de Heere. Het is de profeet Gad. Welke boodschap zou hij hebben? De profeet zegt: “Koning, de Heere heeft mij gestuurd. U moet kiezen uit één van deze drie dingen. Zal de Heere een honger sturen die drie jaren zal duren? Of zal de Heere vijanden sturen, die drie maanden in het land zullen blijven? Of zal de Heere drie dagen een vreselijke ziekte sturen? Welke van deze drie straffen kiest u?” Stil heeft David geluisterd naar Gad. Drie jaar honger, zodat er niets zal groeien en de mensen niets te eten zullen hebben. Er is nu al vier jaar hongersnood in het land en dan nog eens drie jaren daarbij? Of drie maanden vijanden, die de baas zullen zijn in het land en alles zullen verwoesten en veel mensen zullen doden? Of drie dagen lang die vreselijke ziekte waardoor ook heel veel mensen zullen sterven? David wordt bang. Wat moet hij kiezen? Hij weet het niet. Het is allemaal even erg. Maar hij moet antwoord geven. Hoor, daar klinkt zijn stem: ”Ik ben heel bang, laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, maar laat ons in de hand van mensen niet vallen.” Het is alsof de koning zegt: laat de Heere ons straffen, maar laat Hij daar geen mensen voor gebruiken. Waarom niet? David kent de Heere. Hij weet dat de Heere de zonde moet straffen, want Hij is rechtvaardig. Maar David weet ook, dat de Heere barmhartig is en dat Hij de zonde kan vergeven. Daarom zegt hij: laat ons in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele.

Kijk eens in de lucht. Daar staat een engel met een uitgestoken zwaard! De Heere heeft een vreselijke ziekte gestuurd. Aan de engel kunnen de mensen zien dat het een straf van de Heere is. Overal waar die engel komt, worden er mensen ziek en sterven ze. Wat vreselijk! Zo gaat die engel het hele land Israël door. Dan komt hij bij de stad Jeruzalem. Daar, in zijn paleis, is David. Hij bidt. Hij bidt of de Heere de straf weg wil nemen en of Hij hém wil straffen en niet het volk. “Heere,” bidt David, “ik, ik heb gezondigd, maar wat hebben deze schapen gedaan? Straf toch mij.” Hoor je dat? David zegt eigenlijk: Heere, ík heb gezondigd. Het volk heeft dat toch niet gedaan? Ik heb het volk laten tellen. Dan moet ík toch gestraft worden? Ja, David heeft het volk laten tellen. Maar heeft het volk dan geen zonde gedaan? Een poosje geleden wilden de Israëlieten toch Absalom koning maken? Toen hebben ze David toch verworpen? Maar daar denkt David niet aan. Nee, hij neemt alle schuld op zich. Laat de Heere hem maar straffen in plaats van het volk. David wilde de straf dragen die hij had verdiend. Maar later kwam de Heere Jezus, Die de straf wilde dragen die Hij niet had verdiend. Hij is naar de aarde gekomen. Hij wilde lijden en sterven. Nee, niet voor Zichzelf, want Zelf had hij geen zonde. Maar Hij wilde lijden en sterven voor zondige mensen. Daarom kan de Heere de zonde vergeven. Ook die van jou!

Van de trots van David is niets over. Hij wil eerlijk toegeven dat hij straf heeft verdiend. Vind jij het moeilijk om toe te geven, als je iets verkeerd hebt gedaan? Vind je het ook moeilijk, om het eerlijk aan de Heere te vertellen? En toch is het zo goed om dat te doen! Kijk maar naar David.

Nog diezelfde dag komt de profeet Gad weer het paleis binnen. “Koning,” zegt hij tegen David, “u moet naar de dorsvloer van Arauna gaan. Daar moet u een altaar bouwen.” Daar gaat David, zijn paleis uit. Hij gaat naar de dorsvloer van Arauna. Arauna die zelf op de dorsvloer aan het werk is, ziet de koning komen. Hij gaat hem tegemoet en vraagt waarom de koning naar hem toe komt. “Arauna,” antwoordt de koning, “Ik wil jouw dorsvloer kopen om daar voor de Heere een altaar te bouwen. Dan zal de plaag ophouden. Dan zal de Heere de straf wegnemen.” “Koning,” antwoordt Arauna, “neemt u maar wat u nodig hebt. Daar zijn de runderen die u kunt offeren en daar is het hout van de dorsslee, waarmee ik aan het werk was. U mag het allemaal hebben. Ik geef het u! Ik wil heel graag, dat de Heere uw offer aanneemt, zodat de straf ophoudt.” “Nee, Arauna,” antwoordt David, “ik koop het van je. Want ik wil de Heere geen offer brengen van de dingen die van jou zijn.” Dan koopt David de dorsvloer en ook de runderen en het hout. Op de dorsvloer wordt een altaar gebouwd. De runderen worden geslacht. Zij moeten sterven in plaats van mensen die de dood verdiend hebben. Het offer is klaar. Nu moet het nog aangestoken worden. En dan plotseling… komt er vuur van de hemel. De Heere steekt Zelf het offer van David aan. Daardoor laat Hij zien dat Hij het offer aanneemt. Verwonderd buigt David daar bij het altaar zijn knieën. Wat is de Heere goed, dat Hij zijn zonde vergeven wil. Dat Hij er niet meer aan zal denken. David brengt niet alleen een brandoffer, maar hij dankt de Heere ook door een dankoffer te brengen.

Later wordt op deze plaats de tempel gebouwd. Daar worden de offers gebracht. Offers die allemaal heenwezen naar hèt offer dat de Heere Jezus eenmaal op Golgotha zou brengen. Want al werden er nog zoveel offers gebracht, er was niet één dier dat de zonde kon verzoenen. Dat kon alleen door het lijden en sterven van de Heere Jezus. David was trots geweest, maar hij gaf eerlijk toe aan de Heere dat hij straf had verdiend. Wij doen allemaal wel eens iets wat niet mag. We vinden het vaak moeilijk om dat toe te geven aan elkaar. Maar ook aan de Heere. Vraag de Heere of Hij je wil leren je zonden eerlijk te belijden. Aan de mensen, maar vooral aan Hem. Als je dat doet, wil de Heere ze zeker vergeven.

Aantekeningen bij de tekst

2 Samuël 24
Vers 1 de toorn des Heeren voer voort te ontsteken: zie achtergrondinformatie.
En Hij porde David aan: niet dat de Heere Zelf de zonde werkt, maar Hij laat anderen toe David tot zonde te verleiden. Ook hier geldt wat staat in Jakobus 1 : 13 God verzoekt niemand tot het kwade.
Vers 2 tel het volk: het krijgsvolk, de mannen van twintig jaar en ouder.
Vers 3 zoals deze: zoals iedere stam nu is.
Vers 4 des konings woord nam de overhand: David is niet van zijn voornemen af te brengen. Joab en de oversten leggen zich er met grote tegenzin bij neer.
Vers 5 die in het midden is…: Aroër lag in de stam van Gad, tussen twee beken. De ene beek mondde uit in Jordaan en andere in de Dode Zee.
Jaëzer: een plaats die ook aan de Arnon lag.
Vers 6 Dan-Jaän: de stad Dan, die in het uiterste noorden van Israël lag. Hier bouwde later Jerobeam één van de gouden kalveren.
Vers 10 Davids hart sloeg hem: zijn geweten gaat spreken. Hij gaat nadenken over wat hij heeft gedaan, hij voelt dat hij hiermee de Heere verdriet heeft gedaan.
neem toch de misdaad Uws knechts weg: vergeef mijn zonde.
Ik heb zeer zottelijk gedaan: ik heb dwaas gedaan door tegen de geboden van God in te gaan en geen rekening met God te houden.
Vers 11 de ziener: de profeet en leraar van David. Zo werden de profeten genoemd, omdat God Zich aan hen door gezichten openbaarde.
Vers 12 Drie dingen draag Ik u voor: honger, oorlog en pest gelden als de allerergste straffen, waarmee de profeten dreigen.
Vers 13 honger van zeven jaren: hierbij zijn vier de jaren gerekend, die de hongersnood al duurde. Er wordt dus drie jaren bedoeld (zie 1 Kronieken 21: 12).
Vers 14 Mij is zeer bange: David vreest de oordelen van God. in de hand des Heeren: David vraagt of de Heere hem wil straffen zonder daarvoor mensen te gebruiken.
Zijn barmhartigheden: Zijn mededogen
zijn vele: zijn groot.
Vers 15 tot de gezette tijd toe: zie achtergrondinformatie.
van Dan tot Berseba toe: door het hele land. Dan ligt in het noorden en Berseba in het uiterste zuiden.
Vers 16 de engel: die God daartoe uitgezonden had.
berouwde het de Heere over dat kwaad: menselijk van God gesproken, want God kent geen berouw. Hij verandert nooit van gedachten.
het is genoeg: De plaag houdt op voor de derde dag geheel verstreken is.
Arauna: ook wel Ornan of Aranja genoemd.
de Jebusiet: inwoner van Jeruzalem Jebus was de vroegere naam van Jeruzalem.
Vers 17 als hij de engel zag: de engel verscheen in een menselijke gedaante, staande tussen de hemel en de aarde met een uitgetrokken zwaard in de hand.
Vers 18 Ga op, richt de Heere een altaar op, op de dorsvloer van Arauna: De Heere wijst David Zelf de plaats aan waar de zonde verzoend moet worden.
Vers 22 ziedaar, de runderen: Arauna was bezig met dorsen, waarbij hij runderen of gebruikte, die de slede of dorswagen over het koren trokken.
hout: om het offer met vuur aan te steken.
Vers 23 gaf: Arauna wilde dit geven, maar David wilde het niet aannemen.
Arauna, de koning: of: Arauna zeide tot de koning…
Vers 24 om niet: die mij van een ander gegeven zijn.
Vers 25 brandoffers: tot verzoening van de zonde.
dankoffers: uit erkenning van Gods goedheid.

2 Kronieken 21
Vers 3 waarom zou het Israël tot schuld worden?: Joab voorziet dat God het volk daarvoor zal straffen.
Vers 6 Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet: de Levieten mogen geen krijgsdienst vervullen en de mannen van Benjamin rekent hij niet mee.
Vers 7 daarom sloeg Hij Israël: met de pest.
Vers 12 het zwaard des Heeren: de pest velt de mensen alsof zij door het zwaard getroffen worden.
Vers 16 bedekt met zakken: als teken van diepe droefheid en rouw.
Vers 17 dat toch Uw hand tegen mij zij: dood toch mij en mijn familie.
Vers 22 Geef mij de plaats van de dorsvloer: verkoop mij die.
Vers 26 zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel: als een bewijs dat zijn gebed verhoord is en de plaag zal ophouden.

Achtergrondinformatie

De toorn des HEEREN voer voort te ontsteken tegen Israël
Het volk van Israël had enige tijd geleden David, de van God gezalfde koning, verworpen. De Israëlieten waren Absalom gevolgd en wilden hem koning maken. De Heere had David weer teruggebracht in Jeruzalem. Hij verwierp David niet, ondanks de zonde die hij gedaan had. Enige tijd later kwam er een grote hongersnood in het land. Dat was de straf voor hun zonde van het volgen van Absalom en Seba en voor het doden van de Gibeonieten. Nu gaat de Heere het volk opnieuw straffen. De aanleiding daarvoor is de zonde van David om het volk te tellen.

De zonde van David
Bij het tellen van het volk moet men denken aan het tellen van degenen, die in staat zijn om te vechten: de mannen van twintig jaar oud en daarboven. Het gaat dus niet om een telling van alle Israëlieten. Op zich was het tellen van het volk geen zonde als dat met een bepaald doel geschiedde.

Zo lezen we in Exodus 30: 12 en Numeri 1 dat het volk geteld werd. Mozes deed dat op bevel van de Heere. Dit was toen nodig om de tempelbelasting te kunnen heffen. David doet dit echter zonder dat daar direct noodzaak voor bestaat. Hij laat het ook door mensen van het leger doen, terwijl Mozes het door de oudsten liet doen. De Heere had David geen opdracht gegeven om het volk te tellen. Mozes had zo‟n opdracht wel gekregen. Bij David kwam het voort uit nieuwsgierigheid en hoogmoed. In plaats van op de Heere te vertrouwen, vertrouwt David op zijn grote leger.

De Heere had gezegd dat het volk Israël zou zijn als de sterren aan de hemel en het zand dat aan de oever der zee is, dat vanwege de menigte niet geteld zou worden. (Genesis 15: 5) Het volk van Israël zou een unieke plaats innemen. Door het volk wel te laten tellen, ging David hieraan voorbij. Hij tastte hierdoor Gods heiligheid aan. Daarom wordt deze zonde ook zo zwaar gestraft.

De uitvoer door Joab
Joab begint met tellen in Aroër. Deze plaats lag aan de zuidelijke grens van Israël ten oosten van de Jordaan. Daar vandaan ging het naar het noorden tot de plaats Dan, dat op de noordelijke grens lag. Daarna ging het naar het westen, naar Tyrus en Sidon. Het is niet waarschijnlijk dat de inwoners van deze steden ook geteld zijn, omdat daar Hiram, de vriend van David, koning was. Daarna zijn ze naar het zuiden getrokken. Na het grootste gedeelte van het volk te hebben geteld, gingen ze terug naar Jeruzalem. De Levieten en de stam van Benjamin waren toen nog niet geteld. De Levieten, omdat zij geen soldaten leverden. De stam van Benjamin, omdat die nog door Joab was overgeslagen.

De uitslag van de telling
Joab heeft het getal aan David meegedeeld. Als we de aantallen uit 2 Samuël 24 en 1 Kronieken 21 vergelijken is er verschil. Dit heeft ermee te maken dat bij de een de Levieten niet en bij de ander die wel meegeteld worden. Ook de stam van Benjamin wordt bij de een wel en de ander niet meegeteld. Bij de telling in 2 Samuël 24 was deze stam nog niet geteld, evenals een gedeelte van de stam van Juda. Toen Joab echter met de (voorlopige) uitslag van de telling kwam, kwam David al tot berouw.

Davids berouw
Als Joab, voordat hij Benjamin gaat tellen, naar Jeruzalem komt om de uitslag aan David mee te delen, beseft David wat hij gedaan heeft. Hij wilde weten hoe groot zijn leger was. In plaats van op God te vertrouwen, Die hem al zo vaak uit allerlei gevaren verlost heeft, dacht hij op zichzelf te moeten vertrouwen. David belijdt zijn zonde en misdaad en bidt om de Heere om vergeving.

De keuze die David moet maken
Toen David de zonde met Bathseba begaan had, duurde het maanden voor hij tot inkeer kwam en dat pas toen de Heere de profeet Nathan naar hem toestuurde. Nathan mocht op de schuldbelijdenis van David zeggen:De Heere heeft ook uw zonde weggenomen. Maar vergeving sluit straf niet uit. Dat was zo bij de zonde met Bathseba, toen het zwaard niet van Davids huis zou wijken, en dat is hier ook zo. Nu David zijn zonde beleden heeft en om vergeving heeft gebeden, komt de profeet Gad. Hij moet David drie straffen voordragen, waaruit David er één moet kiezen. Het is voor David echter onmogelijk om te kiezen. Eén ding weet hij wel: Bij de Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. Hij is een rechtvaardig God, Die de zonde niet ongestraft kan laten, maar Hij is ook een barmhartig God. Daarom zegt David: Laat ons in de handen van de Heere vallen, maar laat mij in de handen van mensen niet vallen. Dat kunnen we alleen zeggen als we met God verzoend zijn door het bloed van Christus. De Heere geeft pestilentie, een heel ernstige ziekte, waaraan in korte tijd duizenden mensen sterven. Een engel verschijnt met een uitgetrokken zwaard als uitvoerder van het oordeel van God.

David en Christus
Als de Heere de straf van de pestilentie zendt, bidt David voor zijn volk tot de Heere. Hij neemt alle schuld op zich. In de ogen van David is het volk onschuldig. Hij vraagt dan ook of de Heere hem wil straffen en het volk wil sparen. David wilde de straf dragen die hij had verdiend. De Heere Jezus heeft echter de schuld van Zijn volk op Zich genomen en de straf voor hen gedragen, die Hij niet had verdiend!

Tot de gezette tijd toe
Eigenlijk staat er „tot de tijd der bijeenkomst‟, dat is de negende ure, de tijd van het avondoffer, wanneer het volk bijeenkwam voor het gebed. Josefus vertelt dat deze pestilentie slechts één dag geduurd heeft. De straf duurt dus veel korter dan drie dagen. Dan moet David, op de tijd van het avondoffer een offer gaan brengen op de dorsvloer van Arauna. Zo alleen kan de straf ophouden.

Het offer
David krijgt de opdracht om op de dorsvloer van Arauna een offer te brengen. Deze dorsvloer lag op het gebergte Moria. Dit was hetzelfde gebergte waar Abraham vroeger zijn zoon Izak moest offeren en waar later de tempel is gebouwd. Ook de heuvel Golgotha, waar de Heere Jezus gekruisigd en gestorven is, hoorde bij dit gebergte. David bouwt op de plaats, die de Heere hem gewezen heeft, een altaar en slacht dieren om te offeren. De Heere zelf steekt het offer aan als teken dat Hij het offer aanneemt. Na een dag neemt de Heere de pestilentie al weg. David is niet beschaamd uitgekomen toen hij zei, dat de Heere barmhartig is. Dat kan Hij alleen zijn als Hij ons aanziet in de Heere Jezus Christus. Hij moest de straf wel dragen, opdat de Heere genadig kan zijn.

David koopt de dorsvloer van Arauna
Als David bij Arauna komt en hem vertelt dat de Heere hem geboden heeft op zijn dorsvloer een offer te brengen, biedt Arauna hem de dorsvloer met alles wat hij daarvoor nodig heeft aan. David wil echter geen offer brengen van de bezittingen van Arauna. Daarom koopt hij de dorsvloer met de runderen en de dorsslede van Arauna. De bedragen die in 2 Samuël 24 en 2 Kronieken 21 genoemd worden, verschillen aanzienlijk van elkaar. Waarschijnlijk heeft David de dorsvloer voor het bedrag dat in 2 Kronieken genoemd wordt gekocht en de spullen die hij voor het offer nodig had voor het bedrag uit 2 Samuël 24.

Psalm 30
Er zijn verklaarders die zeggen dat David n.a.v. deze gebeurtenis Psalm 30 heeft gedicht. Bij „huis‟ moeten we dan niet denken aan het paleis van David, maar aan de tempel. De tempel zou immers gebouwd worden op de plaats waar David het offer had gebracht. Halverwege de psalm komen we dan het gedeelte tegen, waarin het gaat over de nood waarin David verkeerde toen hij gezondigd had en de Heere de straf zond. Maar ook lezen we in deze Psalm over de verwondering dat de Heere uitkomst gaf.

Antwoorden bij het ledenblad

Weet je het nog? -10

1. David woont in Jeruzalem 
2. David wil dat Joab de mannen van Israël gaat tellen.
3. Als hij terug komt en vertelt hoeveel mannen er zijn, wordt David verdrietig.
4. David vraagt de Heere om vergeving.
5. De Heere stuurt de profeet Gad.
6. David kiest geen van de drie straffen.
7. De Heere straft met een vreselijke ziekte.
8. David vraagt of de Heere hem en zijn familie wil straffen, maar niet het volk.
9. David moet een offer gaan brengen op de dorsvloer van Arauna.
10. De Heere neemt het offer aan. Hij steekt het offer Zelf aan.

Om over te praten -10

1.a. Hij wilde weten hoe machtig hij was. Hoe groot zijn leger was.
b. Het was helemaal niet nodig, dat hij dat wist. David vertrouwde niet meer op de Heere maar op zijn leger.
c. Kinderen kunnen persoonlijke voorbeelden noemen. Zoals: als je iets goed kunt; als je op wilt scheppen met iets wat je hebt, zoals merkkleding, vakantie, vrienden; als je trots bent op de hoge cijfers die je op school haalt.
d. Je mag wel blij zijn als je iets goed kunt of als je iets moois hebt gekregen. Maar je mag niet vergeten dat de Heere het je heeft gegeven. Je mag je ook niet meer voelen dan andere kinderen, omdat zij het niet hebben. Je mag juist delen met anderen wat jij hebt.

2.a. David voelde in zijn hart dat het verkeerd was, wat hij gedaan had. Hij voelde dat Hij daarmee de Heere verdriet had gedaan.
b. Omdat David gezondigd had.
c. David heeft die zonde direct aan de Heere beleden en Hem om vergeving gevraagd.
d. Als het goed is, waarschuwt je geweten je als je iets verkeerds gaat doen, of als je iets hebt gedaan dat niet mag. Dan ben je onrustig. Je moeten luisteren als de stem van je geweten waarschuwt om geen verkeerde dingen te doen. Als je het toch hebt gedaan, moet je de Heere je zonde eerlijk vertellen en Hem om vergeving bidden.

3.a. Hij vroeg of de Heere niet het volk, maar hem wilde straffen.
b. David voelde dat hij gezondigd had. Dat hij daarom straf verdiend had. Maar het volk had die zonde niet gedaan. Zij hoefden dus niet voor deze zonde gestraft te worden.
c. David lijkt hier op de Heere Jezus. Er is wel een verschil. David kreeg de straf die hij zelf had verdiend. De Heere Jezus kreeg de straf die Zijn kinderen hadden verdiend.

Puzzel
Laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele.

Weet je het nog? +10

1. Hij moet de soldaten van het volk van Israël gaan tellen.
2. De Levieten en de stam van Benjamin.
3. Hij krijgt berouw over wat hij heeft gedaan en bidt de Heere om vergeving.
4. De profeet Gad.
5. David moet kiezen uit drie straffen: drie dagen pestilentie of een vreselijke ziekte, drie maanden oorlog, drie jaar hongersnood.
6. David vraagt of hij mag vallen in de handen van de Heere, omdat Hij barmhartig is. David kiest dus niet.
7. Pestilentie, een vreselijke ziekte
8. In de stad Jeruzalem.
9. Naar de dorsvloer van Arauna.
10. Hij moet daar gaan offeren.
11. Hij steekt het offer Zelf aan.

Om over te praten +10

1.a. Daar wordt gebeden of de Heere ons ervoor wil bewaren dat we in de verleiding worden gebracht om verkeerde dingen te doen. Er wordt ook gevraagd of de Heere ons van verkeerde gedachten wil verlossen.
b. David werd door zijn macht in de verleiding gebracht om trots te worden. Hij vertrouwde niet meer op God, maar op zijn leger. En ook al werd hij door Joab gewaarschuwd, hij luisterde niet naar die waarschuwing, maar hij ging door.

2.a. Kinderen kunnen zelf voorbeelden geven. Zoals bijvoorbeeld: trots zijn op wat ik kan (zie de voorkant van het ledenboekje); dingen die ik heb zoals (merk)kleren, mobieltje, enzovoorts.
b. Het is belangrijk waarom je dat zegt en hoe je dat zegt. Als je trots bent op wat jíj hebt gedaan, is het fout. Maar als je eraan denkt dat alles wat je hebt en kunt, gaven van de Heere zijn, is het niet verkeerd. Dan weet je de Heere ervoor zorgde dat je het goed kon doen. Dan geef je de Heere de eer.

3.a. David ging een brandoffer brengen. Dat was een offer dat helemaal verbrand werd.
b. Iemand die zo‟n offer bracht, zei eigenlijk dat hij de dood verdiend had. Het dier dat hij offerde, stierf in zijn plaats. David had voor de zonde die hij gedaan had de dood verdiend. Maar nu stierf er in zijn plaats een dier. En daarom mocht David blijven leven.
c. Alle offers die in het Oude Testament werden gebracht, wezen naar de Heere Jezus, Die komen zou. Hij zou de zonden dragen en door Zijn dood verzoenen.
d. Het offer van David wijst heen naar het grote Offer, naar de Heere Jezus. Omdat de Heere Jezus gekomen is, daarom kunnen zondaren die de dood verdiend hebben, verlost worden van hun zonden. Daarom kunnen we zalig worden.

4.a. Als David voor het volk bidt en vraagt of de Heere hem wil straffen in plaats van het volk, is David een voorbeeld van de Heere Jezus.
b. David bad voor zijn volk en vroeg of de Heere hem wilde straffen. Hij nam de straf op zich, die hij had verdiend. De Heere Jezus heeft de straf van Zijn volk op Zich genomen, die Hij niet had verdiend. Hij heeft die in hun plaats gedragen.
c. Wij kunnen van de straf die we verdiend hebben, verlost worden, alleen om het werk van de Heere Jezus.

Puzzel
En David bouwde aldaar de HEERE een altaar (2 Samuël 24: 25a).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 2012

Kompas Handleiding | 19 Pagina's

Handleiding 4a: David telt het volk

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 2012

Kompas Handleiding | 19 Pagina's