Weet-je...
De meeste schapen in Israël waren wit, met bruine of zwarte kop en poten. Ze hadden een brede staart met veel vet. Daarom werden ze ook wel "vetstaartschaap" genoemd. Die staart kon wel vier tot zes kilo wegen en kon gebraden gegeten worden. Schapen waren nodig voor de wol, voor het vlees, voor de melk en voor de hoorns. Alleen de rammen (mannetjesschapen) hadden die hoorns, die gebruikt werden als olievaatjes (denk aan de zalving van David door Samuël, 1 Samuël 16: 1) of als trompet of bazuin (Jozua 6: 4). Schapen waren ook offerdieren. Het schaap werd geslacht, het bloed werd opgevangen, een gedeelte werd geofferd en een gedeelte werd gekookt of gebraden en opgegeten. In de Bijbel wordt met schaap ook wel eens geit bedoeld. Vaak wordt hetzelfde woord voor beide gebruikt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 2005
Daniel | 36 Pagina's