JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Hagar

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hagar

LeesWijzer

4 minuten leestijd

Daar is geen laafnis vir die ander dors, 

my seun, my seun. Want trane het gegly 

terwyl ek jou gevoed het aan my bors 

en hulIe sout sal altyd in jou bly. 

 

Drie lewes het my lewe aangeraak: 

Abraham, die heer, het oor ons lot besluit - 

sy guns het ek 'n korte tyd gesmaak, 

my hele doel en deug die vrugbaarheid. 

 

Die tweede is Sara: hoe begeerlik is 

'n vrou se lag, se sekerheid, se lis 

vir my wat niks ken as 'n vrou se smaad. 

 

Die derde is jy: my eensaamheid, my pyn 

word weerbaar en verstrak in die woestyn 

tot 'n man se bitter trots, 'n man se haat. 

 

Elisabeth Eybers

Uit de bundel Die ander dors

 

Elisabeth Eybers is van Zuid-Afrikaanse afkomst, maar woonde en publiceerde in ons land.

Met de titel 'Hagar' verplaatst ze ons direct in een Bijbelse sfeer. Hagar was de dienstmaagd van Sara. Ze was weggelopen, toen haar meesteres haar vernederde, nadat de zwangere Hagar zich als de gelijke van Abrahams vrouw ging beschouwen. Ze wordt echter teruggestuurd door de Heere.

Als zo'n vijftien jaar later Hagars zoon Ismaël de kleine Izak bespot, wordt ze niet alleen op voorstel van Sara, maar ook met instemming van de HEERE, weggestuurd, de woestijn in. Ze trekt naar het zuiden, in de richting van Egypte. Nu was Hagar wel uit dat land afkomstig en kende ze dus de omstandigheden, maar de grote hitte en droogte in de woestijn schijnen hun toch noodlottig te worden. Ze worden vermoeid en dorstig en Ismaël dreigt zelfs om te komen van dorst.

Als Hagar in grote moedeloosheid haar zoon neergelegd heeft om hem van dorst te laten omkomen, grijpt de Heere in. Hij spreekt haar toe en vestigt haar aandacht op de bron die vlak bij hen is. Ze kan nu water putten en haar zoon redden van de dood. Toen ze de eerste keer op de vlucht was gegaan en de Heere haar terugstuurde met de belofte dat Zijn gunst ook over Ismaël zou uitgestrekt zijn, had ze de Heere daarin erkend: En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziensl want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? Daar lezen we nu echter niets van.

Toch gaat het gedicht niet over deze gebeurtenis! Het verplaatst ons in de tijd die daarop weer gevolgd is: de tijd waarin in vervulling is gegaan, wat de Engel bij de eerste woestijngebeurtenis tegen haar gezegd had: En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen. Hagar en Ismaël wonen afgezonderd van het kind der belofte, Izak. Maar ze zijn daarmee ook afgezonderd van de beloften van God aangaande dat ware zaad van Abraham. Dat geeft verbittering in het leven van Hagar, maar zeker ook in het leven van Ismaël.

Die verbittering komt in de eerste strofe van dit sonnet duidelijk tot uitdrukking. Ze spreekt over een andere dorst, waarvoor geen lafenis te vinden zal zijn. Die dorst is hem namelijk al ingegeven met de tranen die Hagar schreide, als ze haar zoon voedde; het zout van die tranen is nog altijd in hem aanwezig en zorgt voor een onstilbare dorst.

Hagars leven is voornamelijk beïnvloed door drie personen. In de eerste plaats is daar Abraham, haar heer en echtgenoot. Maar in haar waarneming was hij eigenlijk uitsluitend 'heer': dat zij een korte tijd zijn gunst ervaren heeft, was alleen maar vanwege dat ene doel, de vruchtbaarheid. De tweede is Sara. Maar de gedachte aan Sara kan alleen maar jaloezie opwekken: tegenover Sara's lach (Izak = hij die lacht!), haar overmacht en haar list staat alleen Hagars smaad. De derde die in haar leven een grote plaats inneemt - de grootste wellicht - is Ismaël. In hem vindt ze echter haar eigen eenzaamheid en pijn terug, hij ondergaat hetzelfde verdriet als zijn moeder. Tegelijk is hij echter haar troost, haar steun en toeverlaat in deze woestijn. En de eenzaamheid en de pijn hebben hem juist gestaald en zijn gesublimeerd (in een hogere kwaliteit veranderd) tot mannelijke trots en mannelijke haat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 2000

Daniel | 32 Pagina's

Hagar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 2000

Daniel | 32 Pagina's