JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

3. De andere discipelen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

3. De andere discipelen

31 minuten leestijd

In dit hoofdstuk gaan we na wat er over de andere negen discipelen bekend is. Over sommigen van hen is niet veel meer dan de naam bekend. Van andere discipelen is slechts één gebeurtenis bekend, zoals van Nathanaël. De volgorde die aangehouden wordt is de lijst uit Markus 3. Evenals bij de drie meest bekende discipelen wordt eerst iets verteld over de naam, roeping en afkomst van de discipel. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de gegevens die over de discipel in de Bijbel staan en daarna worden de belangrijkste gegevens uit bronnen buiten de Bijbel weergegeven.

 

Andreas 

Hoewel Andreas als één van de eersten geroepen is (hij draagt wel de bijnaam 'eerstgeroepene'), blijft hij altijd in de schaduw van zijn broer Petrus. In de lijsten met discipelen wordt hij altijd als vierde genoemd, na de drie die het meest met Jezus verbonden waren: Petrus, Jakobus en Johannes. 

Naam, roeping en afkomst 

Andreas is afkomstig uit de vissersplaats Bethsaïda, vlakbij het meer van Galilea. Later woont hij samen met zijn getrouwde broer Petrus in Kapernaüm (Markus 1: 29). Hij is dus evenals Petrus een zoon van de visser Jona. Zijn naam betekent mannelijk, manmoedig of dapper.

Andreas was eerst discipel van  Johannes de Doper. Wanneer Johannes de Doper de Heere Jezus aanwijst als het Lam Gods, lopen Andreas en zijn medediscipel Johannes achter de Heere Jezus aan. Wanneer Hij zich omkeert en vraagt wat ze zoeken, vragen ze Hem waar Hij woont. De Heere Jezus antwoordt dan: Komt en ziet. Beide discipelen gaan met Jezus mee en blijven die dag bij Hem. Het tijdstip waarop ze Jezus hebben ontmoet zijn ze nooit vergeten (Johannes 1: 35-40).

Direct daarna gaat Andreas naar zijn broer Petrus toe, en zegt tegen hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus (Johannes 1: 42). Het is een krachtig geloofsgetuigenis van Andreas. Nog maar net heeft hij Jezus ontmoet, of hij is er al van overtuigd dat het de lang verwachte Messias is. Met deze woorden mag Andreas Petrus tot Jezus leiden. 

Niet veel later wordt hij opnieuw geroepen, wanneer hij samen met Petrus aan het vissen is. Jezus zegt hen dat ze Hem moeten volgen en vissers van mensen zullen worden (Markus 1: 16-18 en Mattheüs 4: 18-20). 

In de Bijbel 

Behalve de roeping van Andreas en hoe hij zijn broer tot Jezus heeft geleid, wordt er niet veel over hem in de Bijbel vermeld. Johannes beschrijft hoe Andreas het jongetje met de vijf broden en twee vissen bij de Heere Jezus brengt, waarbij hij zich tegelijk afvraagt: Wat zijn deze onder zovelen? (Johannes 6: 8-9). Later brengt hij samen met zijn plaatsgenoot enkele Grieken bij de Heere Jezus (Johannes 12: 22). Opvallend is dat alles wat Johannes over Andreas schrijft, in het teken staat van mensen tot Jezus brengen. Eerst zijn broer Petrus, later het jongetje en daarna enkele Grieken. 

Markus vermeldt nog dat de Heere Jezus Zijn rede over de eindtijd richt tot de drie bekendste discipelen èn Andreas (Markus 13: 3). Het is de enige keer dat er in de Bijbel staat dat de Heere Jezus tot deze vier samen spreekt. Anders zijn het altijd de drie bekendste of alle discipelen. 

Buiten de Bijbel 

De geschiedschrijver Eusebius (ca. 263-339 na Christus) en de kerkvader Hiëronymus (ca. 347-420 na Christus) vermelden dat Andreas later prediker is geworden in Azië, Oost-Europa (met name Rusland en Georgië) en Griekenland. In Griekenland zou hij Mattheüs bevrijd hebben uit de gevangenis in Thessalonika en hem van de gevolgen van de martelingen genezen hebben. Daarna zou hij enige tijd met hem samen verder zijn gereisd.

Een bekende overlevering zegt dat hij in Griekenland, in de tijd van keizer Nero, de marteldood is gestorven. Het kruis, waaraan hij gehangen werd, had een afgeplatte vorm, zoals het naar dit kruis genoemde Andreaskruis bij spoorwegovergangen. Andreas zou zelf voor deze kruisvorm hebben gekozen, omdat het de eerste letter van het Griekse woord voor Christus is. De kruisiging moet in het jaar 62 hebben plaatsgevonden. Sommigen vermelden dat hij niet vast is gespijkerd aan het kruis, maar vast werd gebonden. Hierdoor werd zijn lijdensweg gerekt. Twee  dagen lang heeft hij blijmoedig vanaf het kruis het Evangelie mogen verkondigen. De proconsul die Andreas had laten kruisigen, stierf op de terugweg naar huis. 

Er zijn bronnen die zeggen dat hij gekruisigd is, omdat hij de echtgenote van de stadhouder Aegeas genezen heeft en zij daarna door zijn prediking tot geloof is gekomen. Anderen menen dat de oorzaak voor zijn dood ligt in het feit dat hij de vrouw van de stadhouder had gesteund in haar opvatting over seksuele onthouding na haar bekering. 

 

Filippus 

De discipel Filippus wordt vaak verward met zijn naamgenoot, de diaken en evangelist Filippus (Handelingen 6 en 8). Van de evangelist Filippus is bekend dat hij getrouwd is en vier profeterende dochters heeft (Handelingen 21). 

Naam, roeping en afkomst 

Filippus heeft een Griekse naam, die 'paardenvriend' betekent. Hij is afkomstig uit Bethsaïda, een visserstadje in Galilea, waar ook Petrus en Andreas vandaan komen. Het zou goed kunnen dat hij een vriend van Andreas geweest is. In deze plaats wonen veel Griekssprekende mensen. Velen zien hem, samen met Petrus en Andreas, als de vertegenwoordigers van de Grieken in de apostelkring. Er zijn er die vanwege zijn Griekse afkomst denken dat Filippus van hogere afkomst was. Filippus wordt door de Heere Jezus 'gevonden', als Hij op weg gaat naar Galilea. Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus en zeide tot hem: Volg Mij. (Johannes 1: 44). Niet veel later treft Filippus Nathanaël aan en haalt hem met de eenvoudige woorden 'Kom en zie' over om ook naar de Heere Jezus te gaan. 

In de Bijbel 

Alleen het Evangelie naar Johannes geeft meer informatie over het leven van Filippus. Sommigen menen dat Johannes dit gedaan heeft om Filippus meer bekendheid te geven op zijn eigen zendingsterrein. Naast zijn roeping wordt Filippus in drie situaties door Johannes genoemd. De eerste keer is bij de eerste wonderbare spijziging. De Heere Jezus legt dan aan Filippus de vraag voor, waar het brood voor al die mensen vandaan moet komen. Johannes schrijft er dan bij dat Jezus dat deed om Filippus om de proef te stellen. Filippus antwoordt: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme (Johannes 6:  7). Door zijn antwoord onderstreept Filippus het bijzondere van het wonder. Als voor veel geld maar weinig mensen kunnen eten, hoeveel is er dan nodig voor zoveel mensen? Aan de andere kant laat het ook zien dat Filippus' geloof in de macht van de Heere Jezus niet zo groot is. 

Vlak voor het lijden van de Heere Jezus wordt Filippus door enkele Grieken aangesproken. Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaïda in Gaiilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien (Johannes 12: 21). Samen met Andreas legt hij dit verzoek bij de Heere Jezus neer. Deze zegt hen, dat het niet om Zijn aardse lichaam moet gaan. Hij zal sterven en verheerlijkt worden. Ze moeten Hem dienen en volgen. 

Tenslotte is het Filippus die de Heere Jezus vraagt om hem en de andere discipelen de Vader te tonen. Jezus had hen verteld dat Hij naar Zijn Vader zou gaan en dat zij door Hem ook bij de Vader kunnen komen. Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien. Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg (Johannes 14: 7 en 8). Jezus stelt hem dan de vraag: Ben Ik nu al zolang bij jullie, en ken je Mij nog niet? Als je Mij gezien hebt, dan heb je ook de Vader gezien. Waarom vraag je dan nog: Toon ons de Vader? 

Filippus wordt gezien als iemand met een kritische inslag en grote bedachtzaamheid, vooral omdat hij vaak kritische vragen stelt. Uit deze drie situaties blijkt het, dat hij (evenals vele andere discipelen) nog weinig wist over wie Jezus was en wat Hij kwam doen. 

Buiten de Bijbel

De kerkvader Clemens uit Alexandrië (125/150-215 na Christus) zegt dat het Filippus is geweest die Jezus heeft gevraagd eerst zijn vader te mogen begraven, voordat hij Jezus gaat volgen (Mattheüs 8: 21 en Lukas 9: 59).

Men neemt aan dat zijn eerste zendingsterrein in Gaiilea gelegen heeft. Later heeft hij, zoals bisschop  Polycarpus (ca. 69-156 na Christus) en Eusebius (ca. 263-339 na Christus) beschrijven, ruim twintig  jaar in Klein-Azië en Zuid-Rusland (de streek Phrygië) gewerkt. Daar heeft hij vele wonderen verricht. Ook zijn er die menen dat het werkterrein van Filippus met name in Griekenland lag, juist omdat hij in de Evangeliën steeds als de 'discipel van de Grieken' naar voren komt (bijvoorbeeld in Johannes 12). 

In Scythië (Oekraïne) zou hij door het opheffen van een kruis van riet de mensen hebben bevrijd van een slang, die zich daar in een tempel gevestigd had. Hierdoor heeft hij enkele mensen het leven gered. Toen een dochter van de priester van deze tempel tot geloof kwam, is Filippus gevangengenomen en gekruisigd. Volgens de overlevering is hij net als Petrus met het hoofd naar beneden gekruisigd. Tijdens de terechtstelling zou een grote aardbeving hebben plaatsgehad, die ophield toen velen zich bekeerden. Anderen zeggen dat hij, toen hij 87 jaar was, is opgehangen, terwijl zijn vrouw bij hem stond. Zij zou daarna ook de marteldood zijn gestorven. Andere bronnen vertellen echter dat hij op 86-jarige leeftijd een natuurlijke dood is gestorven. Bartholomeüs zou hem hebben begraven. 

 

Bartholomeüs 

Bartholomeüs is een andere naam voor Nathanaël. Augustinus (354-430 na Christus) en anderen menen dat Bartholomeüs een ander persoon is dan Nathanaël. Volgens hen is Bartholomeüs één van de discipelen, terwijl Nathanaël één van de zeventig is, die door de Heere Jezus zijn uitgezonden (Mattheüs 10). Het is echter waarschijnlijker dat het om dezelfde persoon gaat. Mattheüs, Markus en Lukas vermelden in hun lijsten Bartholomeüs, samen met Filippus, terwijl Johannes Nathanaël samen met Filippus noemt (Johannes 1: 44-52). 

Naam, roeping en afkomst 

De naam Bartholomeüs betekent zoon van Tholomeüs of Thalmeüs. Deze laatste naam betekent 'ploeger'. Sommigen vermoeden dan ook dat Bartholomeüs geen visser, maar landbouwer is geweest. De Hebreeuwse naam Nathanaël betekent 'Godsgeschenk'.

Nathanaël wordt door Filippus tot de Heere Jezus gebracht. Filippus zegt tegen Nathanaël dat hij Jezus gevonden heeft, van wie Mozes en de Profeten reeds gesproken hebben. Wanneer Filippus dan zegt dat Jezus uit Nazareth komt, vraagt Nathanaël: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? (Johannes 1: 47). Nathanaël is immers  afkomstig uit het plaatsje Kana, wat vlak bij Nazareth ligt. Hij weet dus over welk dorp Filippus het heeft. Filippus haalt hem over met de woorden 'Kom en zie'. Wanneer hij met Filippus bij de Heere Jezus komt, zegt Hij: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. Nathanaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot Hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgenboom waart, zag Ik u. Nathanaël antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls (Johannes 1: 48-50). De Heere Jezus zegt hem, dat hij nog grotere dingen zal zien dan het feit dat Jezus hem al lang kende. Hij zal de Zoon van God zien, terwijl engelen opklimmen en nederdalen op de Zoon des Mensen. 

In de Bijbel 

De Bijbel vermeldt weinig over het leven van Nathanaël. Hij wordt genoemd in de lijsten met discipelen. Het Evangelie naar Johannes vermeldt zijn roeping. Daarnaast komt zijn naam nog één keer voor, wanneer hij, na de opstanding, met de andere discipelen gaat vissen (Johannes 21: 2). 

Buiten de Bijbel 

Oude overleveringen vermelden dat hij een tuinman en groentekweker in Kana was. Op basis van het feit dat hij uit Kana afkomstig is, wordt wel gezegd dat hij getuige is geweest van Jezus' wonder op de bruiloft in Kana. Sommigen menen zelfs dat hij de bruidegom was.

Een Joodse overlevering vermeldt over het zitten onder de vijgenboom, dat het een stille schaduwplaats is, waar men vaak mediteert. Nathanaël zou onder de vijgenboom de Thora (de vijf boeken van Mozes) bestudeerd hebben.

Eusebius (ca. 263-339 na Christus) schrijft, dat de leermeester van de kerkvader Origenes (ca. 185-254 na Christus), een zekere Pantaenus (gestorven rond 200 na Christus), in India is geweest. Daar hoorde hij dat Bartholomeüs al jaren vóór hem in hetzelfde land geweest was. Velen koppelen zijn apostelschap aan de genezing van huid- en geesteszieken. Zo zou de dochter van de Armeense koning Astyages door hem genezen zijn. Hierdoor kwam de hofhouding tot bekering. Een broer van de koning liet Bartholomeüs echter gevangennemen, hiertoe aangezet door heidense priesters. Vervolgens zou hij eerst ondersteboven gekruisigd zijn, daarna levend gevild en tenslotte onthoofd. 

Een ander verhaal zegt dat hij de zoon van de Syrische koning Ptolemaïs was, en dat hij daarom lange tijd als discipel in een purperen mantel liep. De Heere Jezus zou hem op zijn ijdelheid hebben aangesproken en hem gezegd hebben dat hij als martelaar èn zijn mantel èn zijn huid zou afleggen. 

Zijn zendingsgebied wordt vooral in het noorden en westen van Afrika gezocht, in Armenië en rond de Kaspische Zee. Anderen vermelden dat hij twaalf jaar in Israël heeft gewerkt en vervolgens naar het oosten is gegaan. Daar zou hij gewerkt hebben tot hij in waarschijnlijk 71 na Christus als martelaar stierf. 

 

Mattheüs 

Mattheüs is een discipel die 'uit de wereld' wordt  geroepen om Jezus te volgen. Als tollenaar staat hij buiten de Joodse samenleving en werkt hij mee met de vijanden van Israël, de Romeinen. Terwijl hij aan het werk is, wordt hij door Jezus geroepen. Meteen staat hij op en volgt Jezus. Evenals Johannes heeft ook hij in zijn Evangelie beschreven wat Jezus gedaan en geleerd heeft. 

Naam, roeping en afkomst 

De naam van de discipel Mattheüs komt van het Hebreeuwse Mattatias, dat 'geschenk van God' betekent. Hij staat ook bekend onder de naam Levi (bijvoorbeeld Markus 2: 14).

Zoals de meeste discipelen is hij afkomstig uit het noorden van Israël, Galilea. Zijn vader heet Alfeüs, maar is niet dezelfde als de vader van Jakobus Minor. 

Het oorspronkelijke beroep van Mattheüs was tollenaar. Hij moest de belasting innen voor de Romeinen, die toen de bezetters van Israël waren. In Israël werden tollenaren in één adem met zondaren genoemd. 

Mattheüs beschrijft in zijn Evangelie zijn eigen roeping. Het lijkt alsof hij het over een ander heeft. En Jezus vandaar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg Mij. En Hij opstaande, volgde Hem (Mattheüs 9: 9, vergelijk Markus 2: 14 en Lukas 5: 27 en 28). De bekeringsgeschiedenis van Mattheüs is één van de kortste uit de Bijbel. De Heere Jezus roept Mattheüs. Hij staat op, laat alles achter en volgt Jezus. Ook deze discipel wordt tijdens zijn werk geroepen. 

Vervolgens richt Mattheüs een maaltijd aan voor de Heere Jezus, waar veel tollenaren en zondaren kwamen. Wanneer de farizeeën de discipelen vragen waarom Jezus met zulke mensen eet, antwoordt Jezus: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Mattheüs 9: 13). De roeping van Mattheüs geeft de Heere Jezus gelegenheid om over het doel van Zijn komst te spreken. 

In de Bijbel 

Naast de roeping van Mattheüs is er bijna niets over hem in de Bijbel te vinden. Wel is er het door hem geschreven Evangelie. Dat schrijft hij vooral met het oog op de Joden. Het laat steeds zien dat in Christus het Oude Testament vervuld wordt. 

In Mattheüs' Evangelie staat een heel klein, maar opvallend gegeven over Mattheüs. Zowel Mattheüs als Markus en Lukas geven lijsten met de namen van de discipelen. In deze lijst bij Mattheüs valt het op dat hij achter zijn eigen naam de woorden 'de tollenaar' (Mattheüs 10: 3) voegt, terwijl Markus en Lukas dat niet doen. Ondanks het feit dat Mattheüs een discipel is geworden, is hij zijn afkomst niet vergeten. 

Buiten de Bijbel 

Papias (tweede eeuw) schrijft dat Mattheüs zijn Evangelie in het Aramees heeft geschreven, om zoveel mogelijk Joden te bereiken. Later zou het vertaald zijn in het Grieks en Latijn. De 'kerkhistoricus' Eusebius (ca. 263-339 na Christus) bevestigt deze informatie. 

Later heeft Mattheüs in Perzië en Ethiopië gepreekt. Hij zou met een zwaard om het leven zijn gebracht, omdat hij een bekeerde koningsdochter, die ongehuwd wilde blijven, verdedigde. Ook had hij een tovenaar weerstaan en een koningszoon uit de doden opgewekt.

Van de 'zeven werken der barmhartigheid' zijn er zes afkomstig uit Mattheüs' Evangelie. Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen (Mattheüs 25: 35 en 36). In 1207 is het laatste werk, het begraven van de doden, er door een paus aan toegevoegd. 

 

Thomas 

Alleen de evangelist Johannes vertelt enkele dingen uit het leven van Thomas. De andere evangelisten noemen hem alleen wanneer alle discipelen opgesomd worden. Toch is Thomas, door wat Johannes over hem vertelt, één van de meest bekende discipelen. Dat blijkt alleen al hieruit, dat mensen die erg twijfelachtig zijn algauw een ongelovige Thomas genoemd worden. 

Naam, roeping en afkomst 

In oude handschriften luidt zijn volledige naam Judas Thomas. Daarnaast is ook de naam Didymus, wat tweeling betekent, bekend. Sommigen vatten dit letterlijk op. Hij zou er een van een tweeling zijn. Anderen wijzen meer op het feit dat hij bekend staat als twijfelaar, iemand die op twee gedachten hinkt.

Omdat hij in de lijsten met discipelen als achtste vermeld wordt, neemt men aan dat hij kort na Mattheüs geroepen is. Van de eerste zeven discipelen staat de roeping immers in de Bijbel vermeld. 

Evenals bijna alle discipelen, is ook hij afkomstig uit Galilea. Het zou kunnen dat hij ook een visser was, anderen nemen echter aan dat hij bouwvakker was. 

In de Bijbel 

Thomas komt uit het Evangelie van Johannes naar voren als een somber iemand. De keren dat hij wat zegt is het een 'sombere' opmerking, een vraag of de bekende twijfel aan de werkelijkheid van de opstanding. 

Wanneer de Heere Jezus, nadat Lazarus gestorven is, besluit om naar Judea te gaan, is het Thomas die een sombere opmerking maakt. Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven (Johannes 11: 16). Hij weet hoe men in Judea over Jezus denkt en gelooft dat Hij zijn dood tegemoet gaat. Mismoedig wil hij meegaan en sterven. 

Vlak na de paasmaaltijd spreekt de Heere Jezus met Zijn discipelen over het huis van de Vader. Hij zegt dat de discipelen weten waar Hij heengaat en dat ze de weg weten. Het is dan Thomas die vraagt: Heere, wij weten niet waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij den weg weten? Jezus antwoordt hem met de bekende woorden: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Johannes 14: 5 en 6). 

Johannes schrijft over Thomas' twijfel en ontmoeting met de Heere Jezus. Wanneer de Heere Jezus aan de discipelen verschijnt, is Thomas afwezig. De discipelen vertellen hem over hun ontmoeting met Jezus. Thomas antwoordt ze: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven (Johannes 20: 25). 

Als Jezus opnieuw aan de discipelen verschijnt, is Thomas ook aanwezig. De Heere Jezus vraagt Thomas om zijn vinger in Zijn hand en zijn hand in Zijn zijde te steken. Hij roept hem op om niet ongelovig maar gelovig te zijn. Vol geloof mag Thomas dan antwoorden: Mijn Heere en mijn God! (Johannes 20: 28). De Heere Jezus zegt hem dat hij heeft geloofd, omdat hij gezien heeft. Vervolgens spreekt Hij degenen zalig die geloven en niet gezien hebben. 

Tenslotte wordt hij genoemd als één van de discipelen, die mee gingen om te vissen na de opstanding (Johannes 21: 2). 

Buiten de Bijbel 

Diverse verhalen maken melding van Thomas' zending in India. Er zouden daar door hem gemeenten zijn gesticht, die tot grote bloei zijn gekomen. Toen het christendom zich door zijn prediking verbreidde, wilde men een kerk bouwen. De leden van de gemeente wilden dat Thomas zich met andere dingen bezighield. Op zijn speciale verzoek toch iets met zijn handen te mogen doen, waarmee hij eens heeft getwijfeld aan de opstanding van Christus, heeft hij toch mee mogen bouwen. 

Een ander verhaal vermeldt, dat een zekere koning Gundaforus hem voor een architect aanzag en Thomas vroeg voor hem een paleis te bouwen. Thomas overtuigde de koning ervan dat elke christen straks een hemels paleis zal bewonen. Hierop bekeerde de koning zich en gaf zijn geld aan de armen. De prediking van Thomas typeerde hij als 'bouwen aan het hemelse paleis'. Andere bronnen melden dat de koning boos werd toen Thomas weigerde. Hij zou opdracht gegeven hebben om hem te doden, maar doordat Thomas de ernstig zieke broer van de koning genas, werd dit voorkomen. 

Als laatste vermelden overleveringen van hem dat hij als een vrijmoedig en standvastig getuige van Christus is overleden. Niet als twijfelende, maar als getuigende martelaar is hij in India gestorven. 

 

Jakobus Minor 

Deze discipel van de Heere Jezus is vaak verwisseld met Jakobus, de broer van de Heere Jezus. Reeds verschillende kerkvaders konden zich niet voorstellen dat Jozef en Maria ook andere kinderen hadden gehad, naast de Heere Jezus. Deze gedachte is door de Rooms-Katholieke Kerk in de loop van de eeuwen verder uitgewerkt. Daarom is Jezus' broer Jakobus vaak aangezien voor de discipel Jakobus. Het zijn echter twee personen, waarbij de broer van de Heere Jezus een belangrijke rol speelde in de gemeente in Jeruzalem (Handelingen 15 en 21) en niet Jakobus, de zoon van Alfeüs. 

Naam, roeping en afkomst

Jakobus wordt in de lijsten met discipelen de zoon van Alfeüs genoemd. Deze naam komt veel voor en kan in het Hebreeuws ook als Klopas of Kleopas worden gelezen. De evangelist Markus beschrijft één van de vrouwen die naar het graf gaat als Maria, de moeder van Jakobus (Markus 16: 1) en Johannes noemt een Maria, de vrouw van Klopas (Johannes 19: 25), die bij het kruis stond. Op basis hiervan neemt men aan dat deze Maria de moeder van Jakobus was en zijn vader KI(e)opas of Alfeüs. Sommigen nemen aan dat deze Maria een halfzus van Maria, de moeder van de Heere Jezus was. Wanneer deze teksten naast Mattheüs 27: 56 gelegd worden, blijkt het dat Jakobus ook een broer heeft gehad met de naam Joses. Uit Markus 15: 40 is af te leiden, dat hij ook wel 'de kleine' genoemd werd. Waarschijnlijk duidt dit op zijn lichaamslengte. Over zijn roeping is niets bekend. 

In de Bijbel 

De naam van Jakobus komt buiten de lijsten met discipelen in de Bijbel nauwelijks voor. Op een viertal plaatsen wordt Maria, de moeder van Jakobus genoemd (Mattheüs 27: 56, Markus 15: 40 en 16: 1 en Lukas 24: 10). Waarschijnlijk wordt hier op Jakobus Minor gedoeld. 

De kerkvader Hiëronymus stelde, dat Alfeüs en Kleopas dezelfde personen waren. In navolging daarvan zien velen Kleopas, één van de Emmaüsgangers (Lukas 24 :13-35), als de vader van Jakobus. Hij zou dan samen met zijn zoon Jakobus op weg zijn naar Emmaüs. Hoewel de geschiedenis hierdoor meer gaat leven, is dat laatste zeer waarschijnlijk onjuist. 

Buiten de Bijbel 

De geschiedschrijver Flavius Josephus (37-ongeveer 100 na Christus) meldt dat Jakobus in het jaar 62 tijdens de regering van Nero in Jeruzalem onder hogepriester Annas van de tinnen (dat is de rand om het dak) van de tempel is geworpen, terwijl hij riep: 'Heere, reken hun deze zonde niet toe.' Wanneer Jakobus op de grond valt, is hij echter nog niet onmiddellijk gestorven. De mensen stenigen hem dan. Uiteindelijk zou een passerende 'voller' (een bewerker van wol) hem met zijn 'vollersstok' (een grote houten knuppel, die gebruikt werd om al roerend wol of linnen schoon te maken in een grote ton) hebben doodgeslagen. Anderen zeggen dat dit tijdens het keizerschap van Claudius is gebeurd. 

Eusebius (ca. 263-339 na Christus), de schrijver van een kerkgeschiedenis, noemt hem als eerste bisschop van Jeruzalem en de leider van een concilie in het jaar 50. Ook hij noemt het verhaal over de steniging en de wolbewerker. Een zekere Hegesippus vermeldt het blijmoedige getuigenis van Jakobus, waarop zelfs een priester vraagt te stoppen met de steniging van Jakobus, 'want deze rechtvaardige bidt voor ons'. 

Jakobus heeft waarschijnlijk vooral in Israël het Evangelie verkondigd. Er zijn echter ook verhalen dat hij met Andreas naar Egypte is geweest en daar is gestorven. Sommigen zeggen dat zijn lichaam bij de tempel is begraven, anderen dat zijn lichaam samen met dat van Filippus in Rome wordt bewaard. 

 

Thaddeüs 

Thaddeüs is één van de meest onbekende discipelen, in de Bijbel staat er bijna niets over hem, ook zijn er weinig verhalen uit andere bronnen over hem bekend. 

Naam, roeping en afkomst 

De volledige naam van deze discipel is Judas Lebbeüs Thaddeüs. Alleen over zijn naam is al veel verwarring. Mattheüs en Markus noemen hem Thaddeüs of Lebbeüs (Mattheüs 10: 3 en Markus 3: 18). Lukas noemt hem Judas, de broeder van Jakobus (Lukas 6: 16 en Handelingen 1: 13, de toevoeging 'de broeder van' is niet  juist...).  De naam Lebbeüs betekent òf dat hij afkomstig is uit het plaatsje Lebba, vlakbij het meer van Galilea òf het is een bijnaam en betekent 'hartenkind'. Judas en Thaddeüs hebben beide te maken met het werkwoord loven of danken. Het is niet bekend wanneer hij door de Heere Jezus geroepen is.

In de Bijbel 

De enige woorden van Thaddeüs in de Bijbel zijn: Heere, wat is het dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? (Johannes 14: 22). Johannes noemt hem hier met de naam Judas, en zegt erbij 'niet de Iskariot' om hem van de verrader van de Heere Jezus te onderscheiden. Thaddeüs vraagt dit, omdat de Heere Jezus zegt dat Hij Zich zal openbaren aan degenen die Hem liefhebben (Johannes 14: 21). Jezus wijst Thaddeüs en de andere discipelen er dan op dat zij, die Hem liefhebben, Zijn woorden bewaren. De Vader en de Zoon zullen in hun hart komen  wonen. 

Buiten de Bijbel 

Eusebius beschrijft het verhaal dat kort na Pinksteren koning Abgarus van Edessa (een plaats in Syrië) een verzoek aan de apostelen stuurt om hulp voor zijn ernstige lepra. De apostelen vaardigen Thaddeüs af en op zijn gebed ontvangt de koning genezing, zoals vele jaren geleden Naäman. Bij de genezing speelde een afbeelding van Jezus op een doek een rol. Thaddeüs had deze afbeelding meegenomen uit Jeruzalem. Onder de arbeid van Thaddeüs komen vele mensen in Edessa tot het geloof. 

Samen met Simon Zelotes was hij werkzaam in het noorden van Perzië (Armenië), Syrië, Arabië en Turkije. Met deze Simon is hij in Armenië de marteldood gestorven. Eerst werd hij voor de leeuwen geworpen, maar ze likten alleen zijn voeten. Vervolgens is hij met een zwaard of knots gedood. 

 

Simon Kananites 

Over deze Simon is nog minder bekend dan over Thaddeüs. Niet alleen vertelt de Bijbel nauwelijks iets over hem, maar ook buiten de Bijbel is er bijna niets over hem te vinden. 

Naam, roeping en afkomst 

In de lijst en met discipelen wordt Simon vaak als één van de laatsten genoemd. Hij wordt of Zelotes of Kananites genoemd, waarschijnlijk om hem van Simon Petrus te onderscheiden. Zowel Zelotes (Grieks) als Kananites (Aramees) betekent 'ijveraar'. Over het algemeen neemt men aan dat ook hij afkomstig is uit Galilea, het noordelijke deel van Israël. 

Men neemt aan dat hij voor zijn bekering behoorde tot de rechtse nationalisten, die later bekend werd onder de partij van de Zeloten. Deze groep wilde de Romeinen met geweld uit Israël verdrijven. Ze wilden geen vreemde overheersers in Israël erkennen, maar alleen God gehoorzamen. Hiervoor streden ze en wilden ze zelfs sterven. 

In de Bijbel 

Behalve zijn naam wordt er in de Bijbel niets over hem gezegd. 

Buiten de Bijbel 

Er zijn verhalen dat Simon vroeger een koopman was en dat hij via Petrus bij de discipelenkring is gekomen. Hij was werkzaam in het Midden-Oosten, hoewel sommigen ook Afrika en zelfs Brittanië noemen. Anderen vertellen dat hij vele jaren als een kluizenaar heeft geleefd.

Aan Judas Thaddeüs en Simon Kananites zou Perzië tot zendingsgebied zijn toegewezen. Daar zouden ze een gewelddadige dood hebben gevonden. Als gevolg van hun zendingsarbeid nemen heidense priesters Thaddeüs en Simon gevangen. Een woedende menigte valt hen daar aan en stenigt hen. Sommigen vertellen dat Simon toen met een zaag in tweeën is gedeeld.

 

Judas Iskariot 

In de lijsten met discipelen wordt Judas Iskariot altijd als laatste genoemd. De laatste plaats wordt vaak gezien als het minst eervol. Hij is de discipel die Jezus heeft verraden. Nooit is hij een echte volgeling van Jezus geweest, hoewel hij alles van nabij heeft meegemaakt. De andere discipelen hadden het volste vertrouwen in hem, maar Jezus wist van zijn duistere plannen om Hem te verraden en over te leveren. 

Naam, roeping en afkomst 

Judas is de zoon van Simon Iskariot. Meestal wordt hij Judas Iskariot genoemd, omdat er nog een discipel met de naam Judas is. Iskariot betekent 'man uit Kariot'. Kariot is een klein plaatsje in Judea. Sommigen denken dat het vlakbij de Dode Zee lag, maar anderen menen dat het vlakbij Hebron lag, in het noorden van Judea.

Hij is als enige van de discipelen afkomstig uit Judea. De mensen uit Judea zagen zichzelf als beschaafde stadsmensen en de inwoners van Galilea als dorpse en onbeschaafde mensen. Judas was in de kring van de discipelen geen buitenstaander. Hij kreeg het vertrouwen van de discipelen uit Galilea en was zelfs de 'penningmeester' uit de discipelenkring. Men neemt aan dat hij eerst een discipel van Johannes de Doper is geweest. Het is niet bekend wanneer hij door de Heere Jezus is geroepen om een discipel van Hem te zijn. 

In de Bijbel 

In de Evangeliën komt Judas niet veel voor. Bijna alles wat over hem bekend is, staat in de laatste hoofdstukken van de Evangeliën, rondom het lijden en sterven van de Heere Jezus. In de lijsten (Mattheüs 10: 4, Markus 3: 19 en Lukas 6: 16) met discipelen wordt Judas vaak aangeduid als de discipel die de Heere Jezus verraden heeft. Ook op andere plaatsen wordt deze aanduiding aan de naam van Judas toegevoegd (bijvoorbeeld Mattheüs 26: 25). 

Bijna alles wat er over Judas in de Bijbel staat heeft te maken met het feit dat hij Jezus verraden heeft en Hem voor dertig zilverlingen heeft verkocht. Na de belijdenis van Petrus zegt Jezus het al: Heb ik niet u twaalve uitverkoren? En een uit u is een duivel (Johannes 6: 70). Hier wijst de Heere Jezus al op Judas als Zijn verrader, maar de andere discipelen hebben er nog geen weet van. Hij komt voor het eerst duidelijk naar voren bij de zalving in Bethanië, waar Maria, de zus van Martha en Lazarus, de Heere Jezus met een kostbare olie zalft. Het is Judas die vraagt: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen en den armen gegeven? (Johannes 12: 5). Johannes vermeldt erbij dat Judas dit niet vroeg omdat hij zich zorgen maakte om de armen, maar omdat hij een dief was en de beurs droeg. Hoewel de discipelen Judas als penningmeester ten volste vertrouwen, blijkt hij een dief te zijn. 

Na de zalving staat Judas op en gaat naar de overpriesters. Hij vraagt hen: Wat wilt  gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? (Mattheüs 26: 15). Met de overpriesters komt Judas tot overeenstemming, dat hij Jezus voor dertig zilverlingen, een derde deel van het jaarloon van een arbeider, aan hen zal uitleveren. Vanaf dat moment doet Judas zijn best om een gelegenheid te vinden om Jezus aan hen over te leveren. Deze gelegenheid komt al spoedig.

Wanneer de Heere Jezus met Zijn discipelen de paasmaaltijd houdt, ontmaskert Hij Judas als Zijn toekomstige verrader. Wanneer Judas, evenals de andere discipelen, vraagt of hij het is die Jezus verraden zal, antwoordt Jezus: Gij hebt het gezegd (Mattheüs 26: 25). Johannes beschrijft ook het teken dat Jezus de discipelen geeft over wie Hem zal verraden. Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot (Johannes 13: 26). Wanneer de Heere Jezus hem vervolgens aanspoort om te doen wat hij van plan is, begrijpen de andere discipelen niet waar het over gaat. Ze menen dat Judas inkopen voor het paasfeest moet gaan doen of dat hij geld aan de armen moet geven. Judas staat dan op van de maaltijd en gaat weg, doordat de  satan hem volledig in bezit neemt (Johannes 13: 27). Veelzeggend voegt Johannes er de woorden en het was nacht (Johannes 13: 30) aan toe. 

Midden in de nacht komt Judas weer terug bij Jezus en Zijn discipelen. Hij is echter niet alleen. Hij heeft een grote troep soldaten met zwaarden en stokken bij zich, die door de overpriesters en oudsten gezonden zijn om Jezus gevangen te nemen (Mattheüs 26: 47). Hij heeft de soldaten een teken gegeven. De man die Judas een  kus geeft, moeten ze gevangen nemen. En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem en zeide: Rabbi, Rabbi; en kuste hem (Markus 14: 45). Lukas vermeldt het antwoord dat Jezus vol liefde aan Judas geeft: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus? (Lukas 22: 48). Wanneer de soldaten Jezus gevangen genomen hebben, heeft Judas zijn werk gedaan. 

Alleen het Evangelie naar Mattheüs vermeldt het levenseinde van Judas. Wanneer het tot hem doordringt dat hij Jezus verraden heeft, krijgt hij spijt van zijn daad. Hij gaat terug naar de overpriesters en oudsten. Hij roept het hun toe: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed (Mattheüs 27: 4). De overpriesters trekken zich niets van Judas woorden aan. Vervolgens werpt Judas de dertig zilverlingen in de tempel en vertrekt. Vol wroeging hangt hij zichzelf op. Met de dertig zilverlingen kopen de oudsten en overpriesters een akker als begraafplaats voor vreemdelingen. Het is immers verradersloon, dat ze niet in de offerkist kunnen doen. 

Kort voor het Pinksterfeest wordt een Matthias in de plaats van Judas gekozen. Petrus vermeldt het droeve lot van Judas, die de bende geleid heeft om Jezus gevangen te nemen. Deze dan heeft verworven een akker door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort. En het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen (Handelingen 1: 18-19). 

Buiten de Bijbel 

Over het leven van Judas zijn veel verhalen en legenden in omloop. Zo zou de Heere Jezus na Pasen Judas hebben begraven, voordat Hij naar Emmaüs ging. Nadat Hij Judas los heeft gesneden van de boom, de zogenaamde Judasboom, vraagt Hij een man met een spa om te helpen. Wanneer de man vraagt wie de dode is, plukt Jezus een halm en vraagt de man of hij de naam van de halm weet. Als de man zwijgt, vertelt Jezus hem dat het een mens is als ieder ander. 

Een ander verhaal vertelt dat Judas na zijn verraad is thuisgekomen en zijn vrouw vertelt dat hij Jezus heeft verraden. Zijn vrouw is juist bezig om een haan te braden. Wanneer Judas vertelt dat Jezus na drie dagen zal opstaan, zegt zijn vrouw: 'Dat kan niet, net zo min als deze haan nog kan kraaien.' Terwijl ze dat zegt, kraait de haan driemaal. Judas gaat dan weg en hangt zichzelf op. 

Veel aandacht is er voor Judas gekomen met de ontdekking van het Evangelie van Judas, dat in 1945 in Egypte gevonden is. Reeds in 180 na Christus waarschuwt de kerkvader Irenaeus tegen de inhoud van dit Evangelie! In dit geschrift wordt Judas niet als verrader maar als bevrijder van de Heere Jezus gezien. Hij zou als  enige van de discipelen op de hoogte zijn geweest van het echte doel van Jezus'  komst. Door Judas' handelen is Jezus verlost van het aardse. Dit geschrift is echter veel jonger dan de vier Evangeliën uit de Bijbel en laat een grote invloed van de gnostieke stroming in de Vroege Kerk zien. Deze stroming stelt dat de mens zich moet bevrijden van het aardse en lichamelijke en moet streven naar het geestelijke. De mens heeft zijn lichaam en zijn leven op aarde te wijten aan zijn val. Daar moet hij van los proberen te komen. Het geestelijke, niet-lichamelijke leven is voor deze stroming het belangrijkste. Ze onderwaarderen hun lichaam, wat ze laten zien door veel te vasten. Ook hebben ze veel reinigingsrituelen. Op deze manier past het verraad van Judas, waardoor Jezus door de dood los gemaakt werd van  het aardse, heel goed bij deze ketterse stroming.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 2010

AanZet | 103 Pagina's

3. De andere discipelen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 2010

AanZet | 103 Pagina's