Alles anders #6
Het lijkt wel alsof de slechte berichten blijven binnenstromen. Het kantoor van de vader van Ron is afgebrand. Van de bankrekening van de vader van Ron wordt elke maand een bedrag afgeschreven door de verhuurder van een garagebox in Putten. Ron wil uitzoeken waarom dat is…
Ik moest haar ervan overtuigen de uitnodiging, een dagje naar Scheveningen te gaan, aan te nemen.
“U moet echt gaan!”
“En jij dan? Jij zit hier ook de hele dag maar thuis. Nee hoor, ik doe het niet.”
“Dan ga ik toch ook weg. Ik kan wel wat gaan toeren op de Veluwe. Nee, u moet het echt doen.”
Uiteindelijk was het me toch gelukt haar zover te krijgen dat ze het deed. Ze belde de vrouw op en sprak voor de volgende dag af. Toen ze het eenmaal had toegezegd, zag ik dat alleen al het idee om er morgen even uit te zijn, haar goed deed. Ik voelde me wel een beetje schuldig, maar uiteindelijk was het ook goed voor haar.
Toen ze de volgende morgen weg was, had ik eindelijk mijn handen vrij. Ik ging met de lift naar de parkeergarage onder ons appartementengebouw. Mijn zwarte Golf stond naast de grijze Volvo van mijn moeder. Ik had hem voor mijn negentiende verjaardag gekregen van mijn vader. Nu ik het saldo van zijn spaarrekening gezien had, verbaasde ik mij er een stuk minder over. Ik reed de parkeergarage uit en koerste richting de A28. Putten lag dichterbij dan ik gedacht had. De routeplanner stuurde mij naar een bosrijke omgeving. Ik stopte voor het huis op het aangegeven adres. Het was vroeger een boerderij geweest, maar nu gaf een bord op het hek aan dat het een caravanstalling was. De sleutelbos van mijn vader had ik meegenomen, maar ik vond het toch raar om zomaar het terrein op te lopen en te zoeken waar ik moest zijn. Ook al omdat er een enorme bouvier aan de andere kant van het hek liep. Daarom belde ik aan bij het huis. Gelijk begon er achter het huis een hond te blaffen. Een jongen van een jaar of vijftien deed open en toen ik uitlegde wat ik kwam doen, gaf hij aan dat ik door het hek naar achteren kon rijden.
“Aan de achterkant van de schuur zijn de garageboxen,” zei hij. Gelukkig maande hij de honden, die mij goed in de gaten hielden, tot rust. Er bleken twee deuren in de achterkant van de schuur te zitten. Er boven hing een beveiligingscamera. Een van de sleutels paste op de rechterdeur. Deze ging geruisloos open en ik staarde in een donkere ruimte. Ik vond het lichtknopje en stapte naar binnen. Er stonden twee auto’s. Een zwarte Volvo V70 en een zwarte Volkswagen Golf. Er was ruimte voor een derde auto maar die stond er niet. Ik liep de garage in en voelde aan de deur van de Volvo. Die was open. In het dasboardkastje vond ik een mapje met het kentekenbewijs en een rijbewijs. Maar dit was onmogelijk! Op het rijbewijs stond een foto van mijn vader. Maar de naam klopte niet.
Van Wijngaarden stond er en daaronder Arend. Ik voelde mijn hart kloppen en het bloed steeg naar mijn hoofd. Toen pakte ik het kentekenbewijs. Daarop stond een adres in Eindhoven. Hoe is dit mogelijk? Wat was hier toch aan de hand? Ik keek naar de Golf en vroeg mij af wat ik daar zou vinden. Ook in die auto lag in het dashboardkastje een mapje met een kenteken en een rijbewijs. Ik pakte eerst het rijbewijspasje. Weer een foto van mijn vader, maar nu met een bril op. Maar dit keer stond er ‘van Wezep’ en daaronder Anton. Het kenteken stond op een adres in Amsterdam. Het duizelde me. Wat moest ik hiermee beginnen? Moest ik dit aan mijn moeder laten zien? Ik voelde hoofdpijn opkomen en mijn handen trilden toen ik de verschrikkelijke bewijsstukken meenam naar buiten.
Ik sloot de deur af en liep naar mijn auto. Daar realiseerde ik mij iets verschrikkelijks. Mijn vader was een vreemde voor mij! Hij was niet wie ik dacht dat hij was. En wie hij in werkelijkheid was, daar wilde ik al helemaal niet aan denken. Mijn hoofd voelde leeg aan en ik wist niet of het verstandig was om zo naar huis terug te rijden. Ik besloot in het dorp iets te gaan drinken en een stuk te gaan lopen om mijn gedachten een beetje te ordenen.
Toen ik weer een beetje kon nadenken, besloot ik direct naar Eindhoven te rijden en daar eens te kijken naar het adres op het kentekenbewijs van de Volvo. Ik typte het adres in op mijn routeplanner en vertrok. Eén uur en twintig minuten zou ik er over doen. Dat klopte niet helemaal omdat er een wegafzetting was, maar tegen twaalf uur was ik op de plek waar ik moest zijn. Ik zette de auto op de parkeerplaats voor het flatgebouw waar ik zou moeten zijn. Daar heb ik een poosje zitten denken hoe ik het nu verder aan moest pakken. Zou ik gewoon plompverloren aanbellen en dan maar zien wat er gebeurde? Ik stapte uit en liep naar de ingang van de flat. Op het beltableau vond ik het nummer dat op het kentekenpasje stond. De letters staarden mij aan: A. van Wijngaarden. Woonde mijn vader hier als we dachten dat hij op zee zat? Ik staarde er naar en kon mij niet bewegen. De onwerkelijke werkelijkheid drong langzaam tot mij door. Als een slaapwandelaar liep ik terug naar mijn auto. Daar kon ik mij niet meer bedwingen en de tranen liepen over mijn wangen.
“Pa,” fluisterde ik, “wat hebt u gedaan?”
Toen ging mijn telefoon. Ik haalde hem uit mijn broekzak. Het was mijn moeder. Ik sloot mijn ogen en legde mijn hoofd op het stuur. Kon ik dit? De telefoon bleef maar gaan en ik drukte het gesprek weg. Maar direct ging hij weer. Ik kon hem net zo goed opnemen.
“Met mij,” zei ik.
“Ja, ook met mij.” Mijn moeder klonk opgewekt. “Waar zit je?”
Ik hoorde de wind in de microfoon van haar telefoon blazen.
“Ik zit in Eindhoven.” Ik kon niet tegen haar liegen.
“O.” Ze klonk verbaasd. “Ik wist niet dat Eindhoven op de Veluwe lag.”
“Nee, ik ook niet.”
“Wat ben je aan het doen?”
“Ik weet het niet. Ik heb een probleem.”
“Met je auto?”
“Nee. Ik kan het over de telefoon niet uitleggen.”
Het was even stil.
“Heb je hulp nodig?” Ze klonk nu bezorgd en dat wilde ik al helemaal niet. Ze moest juist genieten van deze dag aan de kust. Even alles vergeten. Maar als ik nu zou vertellen wat ik hier deed zou dát in elk geval niet meer lukken. Kennelijk wachtte ik te lang met antwoorden, want ze stelde alweer een volgende vraag.
“Ron, moet ik je het nummer van Gerben geven? Die woont in Eindhoven.”
Ik dacht even na. Zou hij mij raad kunnen geven? Maar wilde ik hem wel in vertrouwen nemen? Over iets dat alleen mijn moeder en mij aanging? Aan de andere kant… Misschien kon het geen kwaad om even met hem te praten.
“Ja, doe maar. Dan kan ik altijd nog zien of ik hem bel.” Ze gaf mij het nummer en drukte mij op het hart aan mijzelf te denken en geen onverantwoorde dingen te doen. Ik beloofde het en zei dat zij moest genieten van deze dag. Toen drukte ik het gesprek weg. Zou ik Gerben wel lastig vallen? Maar toen dacht ik aan de avond dat hij bij ons was. Hij kwam op mij over als een man die niet zo snel van zijn stuk te brengen was. Iemand die in oplossingen dacht en niet in onmogelijkheden. Dus toetste ik zijn nummer in en nadat de telefoon drie keer overgegaan was, meldde hij zich.
“Gerben de Jong.”
“Hallo, met Ron van Wateringen.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 2019
Daniel | 32 Pagina's