Ambtsdragers moeten leven van genade
…omdat Ik met u zal zijn, zult gij de Midianieten slaan… (Richt. 6:16m)
Richteren 6:1-16
Het volk is tegen God
Elke zondagmorgen hoor je: ‘Ik ben de HEERE Uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis verlost heb…’
Daarna volgen de Tien geboden. Zo laat de HEERE horen dat Hij recht heeft op onze gehoorzaamheid. Hij onderstreept eerst Zijn goedheid, Zijn trouwe zorg voor Zijn volk Israël. Het is door de HEERE verlost uit Egypte en geleid door de woestijn.
Nu wonen ze in het beloofde land.
Maar… de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN (Richt. 6:1). Vanwege die zonde en ongehoorzaamheid wordt Israël gestraft. De HEERE geeft het volk over in de hand van de Midianieten: ze verwoesten de oogst en stelen het vee. Nu is Israël zeer verarmd (vers 6a).
En… ja, nu bidden ze weer wél: het volk roept tot God vanwege de Midianieten.
Gideon heeft zichzelf tegen
Toen kwam een Engel des HEEREN. Deze Engel is Gods Zoon Zelf. En Hij zegt tot Gideon: De HEERE is met u, gij, strijdbare held!
Gideon voelt zich echter helemaal niet strijdbaar. Hij is juist moedeloos. Hij zegt: Zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? (…) De HEERE heeft ons verlaten… Hij staat op het punt om te vluchten.
Zo kan het ook nu zijn in het hart van een ambtsdrager. Hij is vaak moedeloos. Is de HEERE met ons? Dat kán toch niet!? Wij zijn immers tegen God? Nu moet de rechtvaardige HEERE toch tegen ons zijn?
En toch zegt de HEERE: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: heb Ik u niet gezonden? Gideon krijgt dus een opdracht. Maar Gideon weet niet hoe het moet. Hij voelt zich ongeschikt, klein, arm…: Waarmede zal ik Israël verlossen? (vs. 15). Gideon heeft alles tegen.
En toch: Ik ben met u
Elke ware ambtsdrager is in zichzelf ‘zwak van moed en klein van krachten’. Bovendien weet hij: ‘Ik ben een walgelijke zondaar’. En hij roept: “Heere, moet Ik ambtsdrager zijn? Ik weet niet hoe dat moet!”
In Gods Koninkrijk gelden andere wetten dan in de wereld. In Gods oog kun je pas dienen als je doorleeft dat je het niet kunt. Je bent pas geschikt als je ongeschikt bent. Paulus zegt: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Ambtsdrager zijn is totaal onmogelijk. Zo ging het ook met Gideon. Hij wist: ‘God moet tegen mij zijn’. Toch hoorde hij: Ik ben met u. Hoe kan dat?
Dit geheim wordt bevindelijk geleerd door degenen die aan Gods kant gevallen zijn. Die gebogen hebben onder Gods recht. Zij hebben geroepen: Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Toen was het Zijn tijd om te komen: Ziet, hier ben Ik. Hij brengt alles mee.
Dat ‘Ik ben met u’ kan alleen om Jezus’ wil. Zijn Naam is ‘Immanuël’. Dat betekent: ‘God met ons’. Hij heeft de zonde van Zijn kinderen verzoend. Hij heeft ook de ambtelijke zonden van zijn dwaze dienaren aan het kruis betaald. Daarom mogen ze tóch ambtelijk werk doen. Als de Heilige Geest hen weer eens doet zien buiten zichzelf, op Immanuël…, dan mag hun kracht vernieuwd worden. Dan hebben ze zichzelf er weer voor over. Dan blijft het wonder over dat die volmaakte Ambtsdrager zélfs mij gebruiken wil.
En ze tekenen weer bij: er is geen beter werk, er is geen betere Werkgever. Deze Werkgever geeft het loon dat Hij Zelf verdiend heeft aan een onnutte dienstknecht. Ambtsdragers moeten leven van genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2019
Daniel | 32 Pagina's