JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een vluchtelinge

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een vluchtelinge

Charlotte

7 minuten leestijd

Charlotte de Bourbon heeft het moeilijk als abdis van het klooster in Jouarre. Haar liefde voor de verdrukte Hugenoten komt meer en meer openbaar. Haar vader, de hertog van Montpensier, hertrouwt met een fel-roomse jonge vrouw en houdt zijn dochter nauwlettend in de gaten.

Het is 1569. Charlotte is met enkele nonnen boodschappen wezen doen in het dorp.
Plotseling horen ze hoefgetrappel achter zich en als de vrouwen omkijken zien ze twee ruiters dichterbij komen.
De mannen houden de paarden meteen in, als ze de nonnen zien.
‘Goedendag dames, u komt waarschijnlijk van het klooster hier in Jouarre? Durft u in deze onrustige tijd hier zonder bescherming op pad te gaan?’ vraagt de één, die er uitziet als een koopman.
Jeanne kijkt de ruiters vrijmoedig aan. ‘Wij hebben inkopen gedaan en ieder in deze omgeving kent Charlotte de Bourbon, onze geliefde abdis. Niemand zal haar kwaad doen, want zij is als een engel voor de hele landstreek.’ De beide mannen stijgen van hun paard en reiken met een korte buiging Charlotte de hand.
Behalve haar witte kleding verraadt de gesp met de drie lelies haar hoge afkomst.
De ene man, die er meer als een edelman dan als een koopman uitziet, spreekt zacht een paar woorden tegen Charlotte. Haar gezicht verheldert. ‘U kunt ons volkomen vertrouwen. Dus u bent graaf Lodewijk, de broer van de Prins van Oranje? O, ik bid dagelijks voor hem en het verdrukte volk van de Nederlanden.’
De andere ruiter stelt zich nu ook voor.
‘Ik ben Norbert, de zoon van drukker Tontorf uit Middelburg, die u enige tijd geleden een bezoek bracht, hoogheid’, zegt hij in het Frans. ‘U hoorde van de wrede dood van mijn vader, moeder en zus? Zij zijn waardig geweest om voor hun geloof te lijden en zijn volgens ooggetuigen zingend de brandstapel opgegaan. De woning en de drukkerij van mijn vader zijn afgenomen en ik ben in dienst getreden als boodschapper voor de Prins van Oranje. Zijn broer Lodewijk en ik trekken verkleed als kooplui door het land, op weg naar een ontmoeting met de leider van de Hugenoten, Gaspard de Coligny.’
Graaf Lodewijk, een innemende jonge man met een open blik, knikt instemmend.
‘Toen onze tocht door deze landstreek ging, wilden wij graag ook uw klooster bezoeken. Jeanne d’Albrêt, de koningin van Navarre, heeft meer dan eens uw naam genoemd. En zowaar ontmoeten we u in levende lijve! Tegelijk is het onze wens om onze diensten aan te bieden indien u geen bescherming zou hebben.’
Charlotte bloost bij zoveel hartelijkheid. Ze wijst naar de kloostergebouwen, het machtige middelpunt van de omgeving. ‘Graag wil ik u beiden uitnodigen om mijn gasten te zijn. In Jouarre bevindt u zich op onzijdige grond. Volgens onze regels mag niemand die gastvrijheid nodig heeft, weggestuurd worden.’
Charlotte weet niet dat deze rustige houding haar eigen eerder uitgesproken woorden als het ware onderstreept: ‘Het ware geloof is een kracht Gods’.
Na de maaltijd neemt de jonge abdis de beide gasten mee naar haar eigen vertrekken.
‘Ik heb nog een mededeling, die zeer ingrijpend voor u is,’ zegt Norbert Tontorf.
‘Uw vader heeft serieuze huwelijksplannen met Catharina van Lotharingen, dochter van François de Guise en slechts achttien jaar oud. Haar naam is nu reeds berucht vanwege de felle haat tegen de Hugenoten.’
Charlotte verbleekt. ‘Zeg, dat het niet waar is. Zeg, dat het niet waar is’, herhaalt ze steeds.
‘Helaas is het wel waar. Het huwelijk zal binnenkort gesloten worden.’
‘Nu begrijp ik waarom mijn vrienden steeds zo bezorgd voor mijn veiligheid zijn. Als mijn vader die keuze gedaan heeft, sta ik dubbel alleen op de wereld. Ik kan niet anders dan in mijn hart kiezen voor de verdrukte protestanten. Ik kan me niet meer vinden in de mis en de biecht. Het Woord van God is mij zo dierbaar geworden! Jeanne d’Albrêt kan mij ook geen schuilplaats bieden, nu zij zelf als koningin-Hugenote in zo’n kwetsbare positie is. Wie kan de dochter van zo’n fel rooms en machtig vorst als mijn vader helpen?’ De laatste woorden klinken als een noodkreet.
Graaf Lodewijk kijkt haar ernstig aan.
‘Er is wel een mogelijkheid om te vluchten, hoogheid. Mijn broer de prins heeft de keurvorst van de Paltz in Heidelberg bereid gevonden zijn hof open te stellen voor vluchtelingen. Deze godvruchtige keurvorst zal ook u zeker bescherming bieden. Is het niet mogelijk morgenvroeg met enkele van uw dames te vertrekken onder voorwendsel van een bezoek aan een naburig klooster? Wij kunnen u dan op een afgesproken plaats opwachten en voor verdere begeleiding zorgen.’
Het blijft een poos stil na dit voorstel. Dan glijdt er een onverwachte glimlach over Charlottes gezicht.
‘Het treft mij diep, dat de Prins in zijn persoonlijke tegenspoeden nog gelegenheid zoekt om arme vluchtelingen te helpen. Wilt u mijn vriendelijke dank aan hem overbrengen?
Toch, het kan niet. Het is te abrupt. Als jong meisje heb ik met mijn twee vriendinnen van het klooster een verbond gemaakt. We zouden elkaar nooit in de steek laten. Dit voorstel moet ik eerst rustig met beiden bespreken.’

Een paar maanden later komt de nieuwe echtgenote van de hertog van Montpensier zelf een kijkje in het klooster nemen. ‘Lieve Charlotte,’ zegt Catharina tegen haar stiefdochter, die slechts enkele jaren ouder is dan zijzelf. ‘Lieve Charlotte, de priester Ruzé heeft jullie wel wat verwaarloosd, zeg. Ik heb gehoord, dat je niet langer de biecht waarneemt en ook niet aan de mis deelneemt. Daar moet nodig verandering in komen.’
Charlotte hoort de verwijten zwijgend aan. Hoe kan zij aan deze wrede jonge vrouw haar teerste en diepste gevoelens prijsgeven?
Catharina heeft genoeg gezien. Ze onderneemt dadelijk actie bij haar thuiskomst. Een nieuwe en heftige Benedictijner monnik Brodier doet kort daarna zijn intrede op het klooster van Jouarre. Charlotte kan zich er niet tegen verzetten omdat hij rechtstreeks door de bisschop is aangesteld. Haar gedrag moet voorzichtiger worden met de steeds loerende ogen van Brodier op zich gericht. Dat betekent niet langer godsdienstlessen over de nieuwe religie door de heer Minay, geen brieven meer van hem, van graaf Lodewijk of van Jeanne d’Albrêt. En de plannen om te vluchten? Ze worden bij Charlotte en haar vriendinnen als een onmogelijk geheim bewaard.
Tot op een wintermorgen een koopman het klooster bezoekt. ‘Ik heb zeven tulpenbollen uit Holland voor de abdis,’ is zijn boodschap. Hij wordt bij Charlotte gebracht en ze neemt de onooglijke bollen in ontvangst. ‘Ze zullen in het voorjaar prachtige tulpen geven,’ zegt hij.
‘Ik zal de prijs betalen’, zegt ze nadrukkelijk. ‘Wilt u dat tegen uw meester zeggen?’
Niemand weet, dat dit het wachtwoord is, ten teken dat Charlotte met haar vriendinnen met hulp van anderen over zeven dagen het klooster zal ontvluchten.
Niemand vindt het vreemd, dat de abdis een reis voorbereidt om eerst een naburig klooster en daarna haar zuster in Sédan te gaan bezoeken.

7 februari 1572. Het is leeg en stil in de kapel van het grote klooster van Jouarre.
Het eerste zonlicht komt juist door de glas-in-loodramen naar binnen en schijnt op een eenzaam wit figuur, dat lange tijd geknield ligt. Het is Charlotte, de jonge abdis. Dan staat ze op, legt haar hand langs de ruwstenen muur en loopt langzaam de kapel uit. ‘Adieu, adieu,’ fluistert ze zacht. Terug in haar eigen kamer roept ze de oude Radegonde om haar te helpen haar reiskleed aan te trekken. Met bevende handen legt ze voor de laatste keer haar sluier af en trekt haar witte kleed uit. ‘Lieve abdis, voelt u zich niet goed, u bent zo bleek?’ zegt Radegonde bezorgd.
‘Jawel, Radegonde. Ik zie er naar uit om mijn zuster in Sédan te bezoeken. Maar de reis is zo gevaarlijk. Het zou kunnen dat ik niet terugkom. Ach, ik heb zoveel aan je te danken. Van kinds af heb je voor me gezorgd.’
Charlotte omhelst haar en kan zich nauwelijks uit de omhelzing losmaken. Daarna kust zij alle nonnen goedendag en geeft de leiding van het klooster aan priester Brodier over. ‘U mag al mijn brieven openmaken,’ zegt ze zo gewoon mogelijk. Dan gaat de kleine stoet op weg. Vijf mannen van het klooster begeleiden Charlotte en haar twee vriendinnen Jeanne de Mousson en Jeannette Vassetz op stevige Spaanse paarden.


Een prinses wordt non - Onrust in het klooster - De jonge abdis - Geliefd en verdacht - Een vluchtelinge - Aan het hof van de keurvorst - Een vrouw voor Prins Willem - De prijs van haar liefde

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2019

Daniel | 32 Pagina's

Een vluchtelinge

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 2019

Daniel | 32 Pagina's