Onrust in het klooster 2
Charlotte
Charlotte de Bourbon (1547-1582), een prinses uit het vorstelijke geslacht de Bourbon, wordt als klein meisje door haar vader naar het klooster van Jouarre, ten oosten van Parijs gebracht, waar haar tante Louise abdis is. Het is een tijd waarin de vervolging van de Hugenoten - de erenaam van de Franse protestanten - door de Roomse kerk steeds feller wordt.
‘Vandaag mogen we met zuster Radegonde mee naar de rozentuin om haar te helpen met rozen plukken,’ zegt Charlotte tegen haar vriendinnen. Ze steekt vertrouwelijk haar arm door die van de oudere vrouw, die haar verzorgster is geweest sinds ze als klein kind in het klooster kwam. Charlottes vrolijkheid werkt aanstekelijk op de beide andere meisjes. IJverig plukken zij de rozen en leggen ze in een mand. De kruidentuin verspreidt heerlijke geuren van tijm en lavendel, rozemarijn en laurier. ‘Jullie hebben goed geholpen,’ zegt Radegonde vriendelijk. ‘Maar nu moet ik naar de bossen om kruiden en wortels voor geneesmiddelen te zoeken’ ‘Mogen we mee?’ vleit Charlotte. ‘We zullen de mand dragen en niet tot last zijn.’
De drie verwachtingsvolle gezichten kan de oude Radegonde niet weerstaan.
‘Vooruit dan maar, en wees voorzichtig.’
Eenmaal in het bos zijn de meisjes hun beloftes vergeten. Vrolijk zingend lopen en rennen ze op de bospaden en hun lach klinkt tussen de boomstammen omhoog.
Opeens staat Jeanne stil. ‘Zeg, zal ik jullie psalmen leren zingen? De nonnen zingen zulke moeilijke Latijnse gezangen. Psalmen zijn veel mooier, die begrijp ik beter.’
Charlotte staat verschrikt stil. ’Psalmen van de Hugenoten?’’
‘Ze heten psalmen van Marot,’ legt Jeanne uit. ‘Iedereen doet er geheimzinnig over, maar Jeanne d’Albrêt heeft ze mij geleerd.’
‘Zing ze ook eens voor ons,’ zegt Charlotte nieuwsgierig. ‘Als je in het klooster je mond maar houdt. Tante Louise kan erg streng zijn. Ze houdt niet van Jeanne d’Albrêt, omdat ze als koningin van Navarre veel heilige voorschriften niet uitvoert. Maar net als jij hou ik veel van haar, ze is mijn nicht. Ik hoop dat ze ons gauw weer bezoekt.’
Gearmd lopen de vriendinnen het bos uit. Opeens staan ze voor een klein riviertje. ‘Kijk daar, een roeiboot,’ roept Jeanne. Ze denken niet meer aan Radegonde, en nog minder aan hun belofte om haar te helpen. Zelfs het zingen wordt even vergeten.
Jeanne trekt de boot naar de kant en springt erin. De andere meisjes volgen aarzelend haar voorbeeld. Maar door de onverwachte bewegingen raakt het touw los en de boot glijdt stuurloos de kleine rivier op. ‘Nu wordt het echt spannend,’ roept Jeanne onbekommerd. ‘Het is niet gevaarlijk hoor, er staat hier nauwelijks stroom.’
Een poosje later komt een wanhopige Radegonde het klooster binnen om hulp te vragen.
De meisjes zijn verdwenen! Priester Ruzé aarzelt niet, maar springt meteen op zijn paard. Bij een bocht van de weg ziet hij de boot met drie vrolijke meisjes. Liefelijk psalmgezang klinkt over het water.
‘Psalmen van Marôt, dacht ik het niet,’ sist hij tussen zijn tanden. ‘Het is hoog tijd om in te grijpen.’
De meisjes krijgen de hoogste straf die bedacht kan worden. Het ergste is niet dat zij lange gebeden moeten opzeggen en uitschrijven, maar dat zij elkaar niet mogen spreken. Maandenlang. Tot op een avond, als de winter is ingevallen en op een stille avond de poorten van de wit besneeuwde abdij opengaan om een kleine stoet binnen te laten: de hertog van Bourbon-Montpensier met zijn gevolg.
De bedienden van het klooster in Jouarre laten met een buiging de hertog binnen. Iedereen kent hem als de vader van Charlotte. De oude zuster Radegonde roept haar.
‘Je vader is gekomen! Kom, ik zal je bij hem brengen.’ Samen met Radegonde loopt Charlotte de lange kloostergangen door naar de grote kloosterzaal. De hertog Louis van Bourbon-Montpensier staat bij het buffet en drinkt een glas wijn. Charlotte maakt een diepe buiging voor de grote man in zijn prachtige kostuum van hermelijn en fluweel. Hij grijpt haar kleine handen en kust haar. Dan houdt hij zijn dochter op een armlengte van zich af. ‘Charlotte, wat word je toch mooi. Als ik een bruidsschat had, zou ik je kunnen uithuwelijken.’
Charlotte gaat er niet op in. ‘Hoe is het met Madame, mijn moeder? En met mijn zuster Francoise en mijn broer Frans?’ vraagt ze beleefd.
‘Allen maken het wel. Maar wat heb ik gehoord? Heb je geprobeerd om weg te lopen, samen met die landloopster de Mousson?’
‘U bent misleid, monsieur vader,’ zegt Charlotte kort.
‘Jeanne is mijn vriendin en geen landloopster. We wilden niet weglopen, maar zomaar wat spelevaren.’
‘Ben je naar behoren gestraft hiervoor?’ vraagt de hertog streng.
Charlotte knikt. ‘Nu ik mijn vriendinnen niet meer mag spreken, heb ik geen geluk meer in mijn leven,’ zegt ze met tranen in haar ogen.
‘Ongehoorzame kinderen kunnen geen geluk verwachten. Met de regels van het klooster en van de heilige moederkerk valt niet te spotten,’ zegt haar vader afgemeten.
Er breekt een geheimzinnige tijd aan op het klooster van Jouarre. Er zijn besprekingen gevoerd tussen de hertog van Montpensier en zijn schoonzuster, de abdis van Jouarre.
Er zijn nog meer besprekingen gevolgd tussen de hertog en de priester Ruzé. De nonnen kijken meewarig naar Charlotte. ‘Dat arme kind,’ hoort ze fl uisteren. En wat dat betekent, merkt ze als ze zelf geroepen wordt voor een gesprek met de priester.
Zwijgend kijkt Charlotte naar haar biechtvader op.
‘Het wordt tijd voor jou en je vriendinnen om de kloostergelofte af te leggen, dochter.’
Charlotte weigert kort en bondig. ‘Ik wil weer bij mijn ouders wonen. Ik wil geen religieuze worden.’
Het tweede gesprek heeft een dwingender karakter.
Zuster Cecile is erbij, als de priester omzichtig vertelt dat het niet alleen de bedoeling is om de kloostergelofte af te leggen, maar Charlotte zal ook moeten beloven om haar tante als abdis op te volgen.’
‘Dat is onmogelijk! Ik ben pas twaalf jaar. U hebt mijn vader verkeerd begrepen,’ stamelt Charlotte. De kleur van haar gezicht wedijvert met haar witte kleed.
Rustig, maar met overtuigende stem maakt de priester haar nogmaals duidelijk dat dit zeker niet het geval is.
‘Tante Louise zal zich terugtrekken op haar kasteeltje en zuster Cecile zal je als onder-abdis met raad en daad bijstaan.’
Dus die fluisterstemmen en die meewarige blikken waren geen verbeelding! Diezelfde nacht huilt Charlotte zich in slaap, maar na de telkens terugkerende vraag is haar antwoord even fier als afwijzend: ‘Nee, ik word geen abdis!’
Priester Ruzé en zuster Cecile zijn dagelijks in gesprek over het moeilijke geval Charlotte. Meerdere malen heeft de hertog ongeduldig gevraagd naar de stand van zaken bij zijn dochter. ‘Ik heb een plan,’ zegt Ruzé tenslotte tegen zuster Cecile. ‘Kom morgenvroeg met haar naar de vroegmis. Ik zal haar daarna weer bij me roepen.’
Charlotte gehoorzaamt, hoewel ze niet begrijpt waarom ze opeens naar de vroegmis moet.
Na de mis wordt zij door zuster Cecile naar de priester gebracht, die haar beveelt te volgen naar de grafkelder van de abdijkerk. In de kille donkerte klinkt de echo van zijn zalvende stem. ‘Mijn dochter, te lang hebt ge geaarzeld uw toestemming te geven. Heden moet gij een beslissend antwoord geven. Ik heb opdracht van zijn Hoogheid uw edele vader ontvangen; u moet het pad van heiligheid en vrede bewandelen. Wilt gij gehoorzamen de stem van de Heilige Kerk?’
Charlotte beeft, maar schudt beslist haar hoofd. ‘Vader, ik kan niet. Als ik deze gelofte afleg, zou het buiten mijzelf omgaan. Ik… ik wil liever sterven dan abdis worden.’
Een prinses wordt non - Onrust in het klooster - De jonge abdis - Geliefd en verdacht - Een vluchtelinge - Aan het hof van de keurvorst - Een vrouw voor Prins Willem - De prijs van haar liefde
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2019
Daniel | 32 Pagina's