Geloven omdat het niet te vatten is
Als je nu nog nooit écht iets van God hebt gemerkt… Dan ligt een angstige gedachte op de loer! Zeker als je studeert in een niet-christelijke omgeving. Zou Hij wel bestaan? Is Zijn Woord wel levend en krachtig? Is het allemaal wel waar wat ik van mijn ouders, op de christelijke school en in de reformatorische kerk heb geleerd?
Veel geleerden hebben zich al met deze kwestie beziggehouden. De bekende René Descartes was zo iemand die niet meer wilde vertrouwen op wat hij als kind had geleerd. Hij bedacht dat God de wereld wel geschapen had, maar Zich er verder niet mee bemoeide (deïsme, noemen we dat). Zijn tijdgenoot Baruch Spinoza, een Joodse jongen uit Amsterdam, ging nog een stap verder. Volgens hem zou God bestaan in alle dingen, maar niet als Persoon, ver boven de werkelijkheid verheven (pantheïsme).
In diezelfde tijd –de zeventiende eeuw– liep er in Frankrijk een jonge man rond, net zo intelligent wiskundig als Descartes en net zo gedreven redenerend als Spinoza. Zijn naam was Blaise Pascal. Hij vond als twaalfjarige jongen de rekenmachine uit. Later wees hij erop dat God Zich wel dégelijk laat kennen. Alléén… niet aan iedereen! “Als er nog nooit iets van God gebleken was, zou dit eeuwige gemis op twee manieren kunnen worden uitgelegd”, aldus Pascal. “Het zou er evengoed op kunnen wijzen dat er geen godheid ís, als op het feit dat de mensen het niet waard zijn om Hem te kennen.” Een gedachte om even over door te denken. En dan een vraag. Hoe komt het dat Descartes vanwege zijn grote geleerdheid stappen begon te zetten in de richting van het ongeloof, terwijl Pascal –toch net zo geleerd– God niet los kon laten? Het antwoord is –alweer volgens Pascal– dat God Zich aan sommige mensen wél openbaart. Aan wie dan wel en aan wie niet? Niét aan mensen die van zichzelf vinden dat ze het waard zijn om God te kennen. Wél aan mensen die hun ellende kennen en belijden. Want zij hebben Christus nodig.
Hoe Pascal op dat idee kwam, werd pas na zijn overlijden op 39-jarige leeftijd duidelijk. In de voering van zijn jas vond iemand een briefje met een heel persoonlijk getuigenis. In de avond van 23 november 1654 las Pascal het zeventiende hoofdstuk van het Johannes-evangelie. Dat werd een Godsontmoeting die duurde van “ongeveer half elf ’s avonds tot een uur na middernacht”. ‘VUUR’, stond er boven het getuigenis. “God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob, niet van wijsgeren en geleerden. Zekerheid, diepe vreugde, vrede. God van Jezus Christus (…) Ik ben gescheiden van Hem, want ik heb Hem gemeden, Hem verloochend, Hem gekruisigd. Moge ik nooit van Hem gescheiden zijn. Hij kan slechts bewaard blijven langs de wegen die onderwezen worden in het Evangelie.”
René Descartes groeide uit tot de vader van het hooggeleerde rationalisme dat aan alles wil twijfelen – behalve aan eigen inzicht en verstand. Blaise Pascal hield op tijd halt en onderwierp zijn sterke verstand aan God. Die had hij immers leren kennen als zóveel groter en betrouwbaarder. “Het hart heeft zijn redenen, waarvan de rede niet weet”, werd zijn ietwat geheimzinnige levensmotto.
Met dat motto voegde de hooggeleerde Blaise zich toch weer in de eenvoudige christelijke traditie. Had kerkvader Tertullianus in de tweede eeuw niet gezegd: “Ik geloof… omdat het absurd is”? Dat had hij op zijn beurt weer van Paulus. Want hoe noemde die apostel het geloof in de Gekruisigde ook alweer? Het is de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid; maar voor ons die behouden worden… een kracht Gods tot zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 2018
Daniel | 32 Pagina's