— Onder de blote hemel —
De eerste keer dat hij haar zag, was op een late avond in augustus. Hij had die avond zijn eerste orgelles na de zomervakantie gehad en terwijl hij naar huis fietste, neuriede hij zacht de melodie van het muziekstuk dat hij voor de volgende keer had opgekregen. Het was een prachtige zomeravond, de zon zakte als een rode bal weg achter een bomenrij in de verte. Jammer dat de dagen alweer korter werden. Over een maandje zou hij rond deze tijd in het donker terug moeten en daar zag hij nu al tegenop. Het kon hier tussen de weilanden zo akelig donker zijn. Niet dat hij echt bang was in het donker, maar hij hield er gewoon niet van.
Was de zon die avond niet zo prachtig ondergegaan, dan had hij haar misschien helemaal niet opgemerkt. In een van die laatste rode stralen schitterde iets in zijn ooghoek dat zijn aandacht trok. Hij ging wat langzamer fietsen en keek om zich heen, maar hij zag niets. Had hij zich vergist? Nee, daar was het weer, hoog in een hoogspanningsmast bewoog iets dat de laatste zonnestralen weerkaatste. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Wat was dat? Halverwege de mast bewoog zich traag iets zwarts. Het leek wel alsof daar iemand naar boven klom! Maar welke gek klom er nou in een hoogspanningsmast? Dat was toch vreselijk gevaarlijk, op die stroomkabels stond misschien wel honderdduizend Volt! Tenzij die figuur natuurlijk… alleen al bij de gedachte ging er een rilling door hem heen. Hij twijfelde. Wat moest hij doen? Er naartoe? Maar wat dan? 112 bellen? Hij tastte in zijn broekzak naar zijn mobiel. Hij kon natuurlijk ook nog steeds net doen alsof hij niets gezien had en snel doorfietsen naar huis. Nee, dat voelde ook niet goed. Wellicht was die figuur daar hoog in de mast wel iemand die in grote psychische nood verkeerde. En misschien was het wel helemaal niet zo toevallig dat hij precies op dit moment langsfietste en die schittering had opgemerkt. Hij kwam langs een gesloten hek met daarachter een pad dat in de richting van de mast liep. Zonder acht te slaan op het bordje ‘Verboden toegang voor onbevoegden’ tilde hij zijn fiets over het hek. Hoe verder hij over het pad reed, hoe beter hij de klimmende figuur kon onderscheiden. Het leek hem geen volwassen figuur. Het zou ook een kind kunnen zijn dat geen gevaar zag en alleen maar stoer wilde doen. De figuur was helemaal in het zwart gekleed, inclusief een zwarte cap met iets glimmends op de voorzijde dat het zonlicht weerkaatste. Nu hij dichterbij kwam, zag hij ook een bos lang zwart haar dat onder de cap vandaan kwam. Was het een meisje? Toen hij de mast tot een meter of twintig was genaderd stapte hij af. ‘Hé, hallo daar! Wat ben je aan het doen?’ riep hij.
‘Wat denk je zelf?’ Ja, het was inderdaad een meisje!
‘Weet ik veel! Maar wat je doet is wel streng verboden hoor!’
‘Kijk naar jezelf, kerel. Dat pad waarover je aan kwam fietsen is ook verboden terrein.’
‘Dat is heel wat anders!’ riep hij terug.
‘Is dat zo? Dus voor jou wegen verboden niet allemaal even zwaar?’
‘Kom nou maar naar beneden! Straks val je nog!’
Ze lachte, maar het was geen leuke lach. ‘Misschien wil ik wel vallen.’
Het zweet brak hem uit. Als hij het niet dacht! Wat moest hij doen? Weer tastte hij naar zijn mobiel.
‘Je krijgt tien seconden om je mobiel terug te stoppen, anders...’
Geschrokken keek hij omhoog. ‘Wat?’
‘Je hoorde me wel. Negen…. Acht… zeven…’ Ze leunde naar voren en hield zich nog maar met één hand aan de mast vast.
‘Zes… vijf…’
‘Ho, wacht! Ik doe hem al weg, kijk maar!’ Snel stopte hij het apparaat weer in zijn zak.
‘Net op tijd, vriendje!’ Hij keek naar boven, maar hij kon haar gezicht niet goed onderscheiden. ‘En wat is nu je plan? Klim je nu naar boven om me te komen redden?’
Hij staarde naar de staander van de mast. Om de halve meter waren er een soort steunen aan de poot gelast, die als ladder fungeerden.
‘Kom alsjeblieft naar beneden, dan kunnen we praten!’ riep hij vertwijfeld.
‘Praten? Hm, dat klinkt gezellig. Maar waarom kom jij niet naar boven? Tenslotte wil jij iets van mij gedaan krijgen, toch?’
‘Hè? Je bedoelt…?’
‘Yep.’ Ze wipte op een dwarsbalk en klopte met haar platte hand op het staal. ‘Kijk, een prachtig plekje voor een goed gesprekje. En je hebt vanaf hier ook nog eens een magnifiek uitzicht.’
‘Jij… jij bent echt gestoord!’
Weer lachte ze. Opeens slaakte ze een kreet. ‘Wat is er?’ riep hij verschrikt.
‘Ik… ik word opeens heel duizelig,’ antwoordde ze met een verstikte stem. Hij slikte een paar keer. Hield ze hem nu voor de gek of niet? Ze klemde zich met beide armen aan de mast. Hij zag hoe ze langzaam maar zeker van de dwarsbalk gleed. O nee! Hij gooide zijn fiets in het gras en rende de laatste meters naar de mast. ‘Hou je goed vast, ik kom eraan!’ Half in paniek probeerde hij zich te herinneren wat hij in groep 8 bij de EHBO-lessen had geleerd over duizeligheid. ‘Blijf rustig ademhalen met je hoofd tussen je knieën!’ Terwijl hij het riep, besefte hij hoe onzinnig dit klonk. Als ze haar hoofd tussen haar knieën zou doen, zou ze zeker naar beneden tuimelen. Hij sprong op de betonnen voet van de mast en greep de eerste trapspijl vast. Hij haalde nog een keer diep adem. Je kunt dit! Het moet! ‘Ik hou het niet meer!’ hoorde hij haar benauwde stem hoog boven zich. Hij begon te klimmen. De eerste meters ging het nog goed. Maar toen hij na een meter of tien per ongeluk naar beneden keek, sloeg het monster van zijn hoogtevrees ongenadig toe en verlamde zijn spieren. Zijn ademhaling versnelde en hij voelde zich licht in zijn hoofd worden. Met uiterste krachtinspanning klom hij nog een treetje hoger. Hij mocht nu niet toegeven, hij moest verder. Er stond een mensenleven op het spel! ‘Help me, ik kan niet meer.’ Haar smekende stem overstemde nauwelijks zijn hijgende ademhaling. Het zweet gutste langs zijn ruggengraat. Toen hoorde hij haar opeens hard lachen. ‘Wat duurt dat toch lang! Is mijn dappere redder nu zelf in nood?’
Ze had hem voor de gek gehouden! Wat een gemene streek! Zo snel hij kon klom hij weer naar beneden. Pas toen hij weer veilig in het gras stond, keek hij naar boven. Ze was inmiddels nog een stuk hoger geklommen en zat midden op de gekruiste dwarsbalken. ‘Jij bent echt knettergek, weet je dat?’ riep hij met een rood hoofd van schaamte.
‘En jij bent een bangerik!’ Ze hield een kleine verrekijker voor haar ogen. Nu wist hij zeker dat dit geen verward meisje in psychische nood was, want zo iemand nam geen verrekijker mee. ‘Wat zijn dat trouwens voor boeken op je bagagedrager? Bach, Buxtehude? Speel je piano of zo?’ Hij zag hoe ze de kijker op hem richtte. Hij voelde zich bekeken en keek ongemakkelijk om zich heen. ‘Hoewel… als ik jou zo bekijk, zal het wel eerder orgel zijn, of niet?’ Hij voelde zich rood worden. Voor het eerst van zijn leven schaamde hij zich opeens voor zijn hobby. Dit sloeg echt nergens op! Nijdig raapte hij zijn fiets uit het gras en zonder iets terug te zeggen fietste hij weg. Het fijne gevoel waarmee hij zo-even naar huis was gefietst, was totaal verdwenen. Was hij maar nooit over dat hek geklommen!
Wordt vervolgd.
Schrijver
Eeuwoud Koolmees
schrijft voor Daniël een vervolgverhaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 2018
Daniel | 32 Pagina's