Eerst de winter en dan de lente
Want zie, de winter is voorbij (Hoogl. 2:11a).
Wat een liefde mocht de bruid genieten van de Bruidegom. Daar wordt over gesproken in het Hooglied. Zo was er de genieting onder de appelboom en in het wijnhuis. Maar daarna is een periode aangebroken dat ze Zijn tegenwoordigheid moest missen. Die periode van gescheidenheid was voor de bruid als een winter geweest. Daarover spreekt de grote Bloedbruidegom Zijn bruid ook aan. Hij gaat Zijn duurgekochte bruid onderwijzen: Want zie! Hij wekt op om te zien. Waarom? Gods kinderen zijn zo kortzichtig. Ze kunnen zo blind zijn voor God en voor de bediening van Christus. Dan staren ze op van alles en nog wat, maar dat valt alles buiten de bediening van genade! En het is nog minder geworteld in de bediening van Christus. Daarom: doe uw ogen open! Want zie! Word wakker!
De winter is voorbij! Je weet hoe de winter is bij ons in de lage landen bij de zee. Alles wat voor die tijd leefde, lijkt wel aan de dood overgegeven te zijn. De akker is kaal. Vruchten zijn er niet. De bomen zijn zonder bladeren en staan er met de kale takken troosteloos bij. En waar je ook kijkt, er is niets wat op leven lijkt: dor en doods! Winter! Het kan heel triest en koud zijn in de winter. Het enige wat je dan kan verwarmen van binnen is de gedachte aan de lente die toch wel weer zal komen. Wat kan er een verlangen zijn naar de koesterende zon en naar het frisse blad en het groene gras.
De wintertijd kunnen we ook geestelijk overbrengen. We zouden kunnen denken aan een mens, die in zijn doodsstaat over de wereld gaat: dood in de zonden en misdaden. Het is in feite alles dor en dood. Geen geestelijk leven. Eenmaal in de staat der rechtheid was het eeuwige leven toegezegd, maar door de diepe val gaat nu die mens vruchteloos over de aarde. Daar is een scheiding door de zonde gekomen tussen God en de ziel: van God afgeweken met een eeuwige afwijking. Van nature is er in ons zelfs geen begeerte naar God, geen begeerte naar genade, geen schreeuw naar de God des levens. Onze staat voor God zonder genade is een staat des doods!
We zouden het dus zo kunnen overzetten, dat we denken aan een onwedergeboren mens, maar de tekst in z’n verband bedoelt iets anders. Het gaat hier over het leven van de Kerk. Het gaat immers over de bruid, die het leven heeft leren kennen met haar Bruidegom. Dus het gaat over Gods kinderen; die kennen immers ook hun wintertijden! Wat is dat voor een tijd? Wel, de kanttekeningen zeggen: dat is de tijd der verdrukking! Dat is een tijd van ontdekking door Gods Geest aan wie ze geworden zijn door de zonde en wie ze blijven ook na ontvangen genade. Het is ook een tijd van ontgronding: de tijd dat de Geest des Heeren alles gaat afnemen waar je op steunt in je verhouding tot de Heere. Een mens kan de grond maken van zijn keuze, zijn bekering, zijn tranen, zijn aangename gevoelens, enzovoort. Maar bedenk dat dat allemaal wegvalt, als we voor God moeten verschijnen.
Als nu God gaat louteren, wat blijft er dan over? Als hij je liefde, je wandel, je trouw, je heiligheid, je deugd beproeft? Weet je het uit ondervinding? Schuld! En zo wordt nu de arbeid van Christus noodzakelijk gemaakt. Opdat er zicht mag komen op Hem, Die de meest barre winter op Golgotha doorworstelde om als de levende Koning van Pasen de voorjaarsbloemen en de voorjaarsblijdschap te verwekken in de harten van Zijn kinderen. Buiten die Christus zal de eeuwige lente in het nieuwe Jeruzalem niet verwacht kunnen worden. Maar vóór die lentetijd gaat nu de wintertijd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2018
Daniel | 32 Pagina's