Ik doe mijn spreekbeurt over...Sammy (2)
Jelte gaat een spreekbeurt houden. En opa heeft wel een verhaal dat hij vertellen kan! Het gaat over een jongen uit Eritrea, die hij kent uit het asielzoekerscentrum waar hij werkt.
“Goed gespeeld, man!” Sammy en Tesfay klappen hun handen tegen elkaar. Nog nahijgend van het potje basketbal slenteren ze naar hun tas, die ze op de hoek van het veld hebben neergegooid. Zula, een lange jongen uit de hoogste groep, komt ook net aanlopen. Zijn gezicht staat op onweer. Sammy stoot zijn vriendje aan. “Moet je dat gezicht zien. Hij kan zeker niet tegen zijn verlies.” Tesfay grinnikt. “Inderdaad zeg. Het is ook best zielig als je niet wint van kleine jochies zoals wij, hè.” Hij plukt zijn tas tussen de andere tassen vandaan. “Had je wat over mij?” Pal voor Tesfay’s neus blijft Zula staan. Oei, denkt Sammy. Met Zula kun je maar beter geen ruzie krijgen. Maar Tesfay lijkt niet onder de indruk van de lange jongen voor hem. “Niks joh,” sust Tesfay. Hij haalt zijn schouders op en draait zich om. “Kom Sam, we gaan.” Nijdig vist Zula zijn tas op en slingert hem over zijn schouder. Wacht maar. Hij zal die kleintjes eens laten merken dat hij ouder is. “Zeg Sammy. Jouw vader is toch schaapherder, he?” begint hij als hij de jongens heeft ingehaald. Argwanend kijkt Sammy op. “Hmhm,” zegt hij langzaam. “Nu moet jij mij eens uitleggen,” gaat Zula verder. “Waarom werkt hij niet bij het leger?” “Daar is hij allang geweest,” roept Sammy verontwaardigd. “Daar is hij vorig jaar van teruggekomen en nu is hij schaapherder. Weet je nou genoeg?” Nijdig schopt hij tegen een steentje. Waar is dat gevraag van Zula goed voor? “En dat geloof jij?” Zula’s stem klinkt spottend. Nu is Sammy toch echt verbaasd. “Geloof jij het niet dan? Ga het hem zelf vragen als je het niet gelooft.” Zula buigt zich wat dichter naar Sammy toe. “Weet jij dat mijn vader bij de politie werkt?” zegt hij met een dreigende stem. “Jullie zijn christenen, hé? Nou, mijn vader zegt dat christenen slechte mensen zijn. Jullie zijn slecht voor ons land. Jouw vader is gewoon weggelopen bij het leger. Hoor je? Vader zegt dat jullie vroeg of laat wel gepakt worden.” Zula spuugt vlak voor Sammy en Tesfay op de grond. Dan loopt hij weg.
Sammy wrijft eens stevig in zijn ogen. Hij kan niet goed nadenken. Hij kijkt eens opzij naar zijn vriend. Die staart voor zich uit alsof hij niet bestaat. “Hee joh.” Hij geeft hem een por. “Snapte jij wat hij zei?” “Hmhm. Een beetje.” Het is weer even stil. “Kan je een geheim bewaren, Sam?” zegt Tesfay dan schor. “Tuurlijk, dat weet je toch.” Tesfay kijkt even snel om zich heen. Sammy vindt het maar vreemd. Wat heeft hij? “Iedereen denkt dat mijn broer, Hanes, bij het leger werkt,” begint Tesfay. “Maar dat is niet waar.
Hij is gevlucht naar Europa. En wij gaan er ook heen. Als Hanes genoeg geld verdiend heeft voor onze reis.” Met grote ogen kijkt Sammy zijn vriendje aan. Gisteren hoorde hij mama ook iets vertellen over mensen die wilden vluchten. Ze had het gehoord op de markt. Sammy was nieuwsgierig geweest. Hij had gevraagd waarom die mensen dan wilden vluchten. Maar papa en mama waren snel over iets anders begonnen. Daar was hij nog te jong voor, hadden ze gezegd. Maar Tesfay’s eigen broer? Hij weet even niet wat hij moet zeggen. Stil lopen ze door. “Dus… jullie gaan weg?” Tesfay haalt zijn schouders op. “Dat duurt nog wel even, denk ik. Ik weet ook niet precies.” “En waar gaan jullie dan heen? Waarom eigenlijk? Ze zitten toch niet achter jullie aan?” ineens heeft hij een heleboel vragen. “Ja uhh, dat weet ik ook allemaal niet, hoor!” Tesfay steekt hulpeloos zijn handen in de lucht. “Het heeft er in ieder geval mee te maken dat papa weer het leger in moet. Maar dat kan niet, want hij werkt voor de kerk. En aan de kerk heeft de regering een hekel.” “Zoiets zei Zula daarnet ook al,” bromt Sammy.
Die avond kan Sammy niet slapen. Wat een rare dag was het vandaag. Ik hoop maar dat Tesfay nog lang hier blijft. Bah, wat een nare dag… Ineens zit hij rechtop in zijn bed. Wat? Stel je voor, dat zijn vader gepakt wordt. Daar had Zula het toch over? Zijn hart bonkt in zijn keel. Doe gewoon, Sammy, zegt hij tegen zichzelf. Je gelooft het verhaal van Zula toch zeker niet? Langzaam gaat hij weer liggen. Toch duurt het nog lang voordat hij slaapt… Hoe kan dat? Sammy komt net uit school. Dan is hij altijd alleen, want mama komt pas laat thuis van het werk op de markt. Maar nu? Hij kwam zijn broertje en zusje tegen onderweg! Die gaan altijd met mama mee. Ja, ze is thuis. Ze heeft gehuild, ziet Sammy. Dat doet ze nooit! “Wat is er gebeurd?” “Er was een giffa, Sammy. De politie heeft heel veel mannen en jongens uit het dorp meegenomen om weer in het leger te werken.” Van schrik slaat Sammy zijn handen voor zijn mond. Zula had dus gelijk, flitst het door hem heen. Tranen springen in zijn ogen. “Mama, ik…” snikt hij. “Stil maar jongen.” Troostend aait mama hem over zijn hoofd. “De Heere heeft voor hem gezorgd. Papa is veilig.”
Met een ruk tilt Sammy zijn hoofd op. “Hoe…?” Mama buigt zich naar hem toe en fluistert in zijn oor: “Door jouw verhaal kon hij op tijd een schuilplaats zoeken. Kom eens zitten. Dan danken we God.”
Snel lopen Sammy en Tesfay de volgende dag van de school naar hun dorp. Ze moeten met de schapen van Sammy’s vader op pad. Even later zijn ze al met de kudde onderweg. Ze zijn het gewend. Wat vaak hebben ze samen met de schapen gelopen. Als vader naar de markt moest, bijvoorbeeld. En toch… “Ik vind het wel een beetje gek, Tes,” zegt Sammy. “Mama wil dat we helemaal naar ‘de berg’ gaan, weet je wel. Die kleine heuvel. Dat doen we alleen als we heel vroeg weg gaan.” Tesfay haalt zijn schouders op. “Ach joh. Ik vind het wel leuk. Zo ver zijn we nog nooit zonder je vader geweest!” En hij geeft Sammy een duw. Lachend rennen ze achter elkaar aan. Uitgeput laten de jongens zich een poos later tegen de stam van een boom aan vallen, dicht bij de berg. “Pff…dat was wel een heel eind, zeg,” kreunt Tesfay. “Niet zeuren, jíj vond het toch zo leuk daarnet?” Dan horen ze een schril gefluit. “Wat…was dat?” fluistert Sammy verschrikt. Doodstil blijven ze tegen de stam van de boom zitten. “Het kwam van ‘de berg’,” fluistert Tesfay. Voorzichtig gluren ze om de stam heen. Ze zien niets. Of ja, toch wel. Een gebogen gestalte komt overeind. Tesfay geeft een ruk aan de arm van Sammy. “Achter die boom, man!” Maar Sammy luistert niet. “Papa!” gilt hij, en hij springt overeind. Dan komt ook zijn vriend achter de boom vandaan. Wat een blijde ontmoeting! “Luister, jongens,” zegt vader. We kunnen hier niet blijven. We gaan je broer achterna, Tesfay. We gaan naar Europa. Ze lopen een stukje verder langs de heuvelwand. Vader schuift wat bosjes aan de kant. Een kleine opening wordt zichtbaar. Verbaasd kijkt Sammy naar zijn vader. Dit wist hij niet! In het halfdonkere hol in ‘de berg’ ziet Tesfay tot zijn verbazing zijn eigen vader zitten! Als de jongens het plan om te vluchten horen, zijn ze heel stil. Ze begrijpen heel goed hoe gevaarlijk het zal zijn. “Dan gaan we eerst God vragen, of Hij ons wil bewaren,” zegt Tesfay’s vader. Uit zijn zak haalt hij een klein boekje. Sammy kijkt. Zíjn vader kan niet lezen, die van Tesfay wel. Eerbiedig luisteren ze naar het woord van God. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, begint Tesfay’s vader. Wij zitten nu ook in een berg, denkt Sammy. Hij kijkt eens omhoog. Zou God hen hier zien? De Heere is uw Bewaarder, hoort Sammy. En ineens weet hij het heel zeker. God is erbij. Na het bidden staan ze op. Het is tijd om te gaan.
Ademloos luistert Jelte naar opa. Met zijn spreekbeurt zal hij dít dus aan de klas vertellen… Hij hoort hoe Sammy in het holst van de nacht de grens van zijn land oversteekt. Bang, om ieder moment neergeschoten te worden. Sammy en Tesfay worden in het vluchtelingenkamp in Sudan bijna ontvoerd door nomaden, woestijnbewoners. Sammy’s vader werkt een poosje in de stad, dichtbij het kamp, om geld te verdienen voor het volgende stuk van de reis. Door de Sinaïwoestijn gaan ze naar Libië. Met een bootje met veel te veel mensen varen ze naar Italië. Slapen doen ze zomaar op straat. Tesfay en zijn gezin raken ze kwijt in Italië, als ze met de trein moeten reizen. En zo komen ze aan in Ter Apel, waar opa werkt.
‘Sammy leert het Nederlands snel,’ besluit opa zijn verhaal. ‘En, weet je wat er boven zijn bed hangt?’ Jelte kijkt opa vragend aan. ‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 2016
Daniel | 28 Pagina's