Gods dienares
Romeinen 13: 1-7
Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet (Rom.13:4).
De zeer kleine christelijke gemeente in Rome had het niet gemakkelijk. De christelijke leefwijze stuitte op onbegrip en stond vaak haaks op de gebruikelijke romeinse zeden. Zorg voor medemensen en seksuele reinheid waren in het oude Rome uitzonderingen. Van de overheid (de keizer) had de gemeente ook niet veel goeds te duchten. Enkele jaren nadat Paulus de brief schreef, barstte de eerste vervolging tegen christenen los. Hoe moesten de gelovigen de bedreigende overheid zien? Dat was een lastige vraag.
Paulus geeft in dit gedeelte aan hoe christenen de overheid, ook de niet-christelijke overheid, moeten zien. Gods dienares (vers 4) of dienaars Gods (vers 6) wordt door Paulus onderstreept. Paulus bedoelt dat God alles regeert. God maakt daarbij gebruik van de overheden. De kanttekenaar ziet de overheid als een ‘instrument Gods’ om de gelovigen te dienen. Dus de christenen in Rome moesten zich niet teveel zorgen maken. Ook de niet-christelijke overheid werd door God gebruikt als een instrument, bijvoorbeeld om de orde in de samenleving te handhaven. Over de overheid als instrument in Gods hand merkt Paulus een aantal dingen op. Laten we enkele dingen noemen.
De macht van de overheid komt van God (vers 1-2). God heeft de machten geordineerd, opdat alles in de samenleving naar goede orde zal verlopen. De overheid heeft dus geen macht, omdat het volk haar die macht verleent. Volkssoevereiniteit komen we in de Bijbel niet tegen. God heeft de hoogste macht en Hij verleent aan overheden de taak om de samenleving te dienen. Revolutie is dus tegen de orde die God heeft gesteld. Onderdanigheid aan de overheid, ook een niet-christelijke overheid, is een christelijke opdracht.
In de tweede plaats wijst Paulus erop dat de overheid het zwaard draagt (vers 3-4). Dit betekent dat allerlei kwaad bestraft moet worden. De ongebondenheid van de mensen moet door de overheid bedwongen worden. Daarbij is de overheid gebonden aan de geboden van de Heere. Ze moet het goede voor de burgers zoeken. Het is niet de opdracht van de overheid om de Bergrede (Matth.5-7) in praktijk te brengen. Dat is de norm voor de christelijke gemeente en de gemeenteleden afzonderlijk. Het is niet de norm voor de overheid, die de bozen moet straffen, de vijanden moet bestrijden en het goede moet belonen. De openbare orde is het terrein waarop de overheid werkzaam is.
Als derde wijst Paulus op onderwerping aan de overheid (vers 5-7). In de eerste plaats is dat nodig om straf te voorkomen, maar het is ook nodig om het geweten. Op een andere plaats zegt Paulus: "Opdat we een stil en gerust leven zouden hebben." Bovendien mag en moet de overheid middelen hebben voor haar taken. Belasting betalen is een Bijbelse plicht. Ook al zou de overheid er misschien verkeerde dingen mee doen. Er is een grens aan de gehoorzaamheid aan de overheid. We moeten God meer gehoorzaam zijn dan de mensen. De gemeente is echter wel geroepen om de overheid gehoorzaam te zijn. Ze is een instrument van God om te bewaren voor de chaos van de revolutie. De overheid is een goede inzetting van een goede God, ook vandaag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 2016
Daniel | 32 Pagina's