Horen en doen
Ds. M. Joosse: “Heilig leven staat nooit los van het werk van Christus”
Niet alleen horen, maar ook doen is het thema in Jakobus 1:19-27. Wat heeft doen met je zaligheid te maken? Zijn de omstandigheden van toen vergelijkbaar met nu? Wat heeft de brief van Jakobus ons te zeggen? In gesprek met dominee M. Joosse uit Hendrik Ido Ambacht.
Hoe kunnen we heilig leven voor God?
“Wij mensen willen graag iets doen, we willen graag ‘huiswerk’. Je hoort mensen wel eens zeggen: ‘Ik wil God dienen.' Maar we moeten juist leren dat de Heere Jezus naar deze aarde is gekomen om óns te dienen. Zelf iets willen doen, sluit naadloos aan bij onze aard. We willen iets bijdragen aan onze zaligheid. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld op een wettische manier. Dan denk je dat je rechtvaardig bent door je doen en laten. Je leeft zeer nauw en probeert Gods geboden zo goed mogelijk uit te voeren. Soms zelfs op een farizeïsche manier, door regel op regel te stellen en je rijk te rekenen door het strikt naleven hiervan. Het kan ook op een evangelische manier, wat ik ‘wettisch activisme’ zou willen noemen. In dat geval ‘moeten’ we zo veel: we moéten evangeliseren, we moéten getuigen. Vaak mis je in dit activisme het woord ‘zonde’ en hoor je nauwelijks dat het gaat om het leven vanuit het volbrachte werk van Jezus Christus, zoals je leest in antwoord 34 van zondag 13. Hierin staat dat de duivel en de zonde niet meer over mij heersen, maar Zijn gerechtigheid. Het gaat niet in de eerste plaats om hoe wij heilig moeten leven, maar om wat de Heere met ons leven bedoelt. Dan leer je dat je doelmisser bent. De eis om tot Gods eer te leven kunnen wij niet nakomen. Als dat je tot schuld wordt en je onrust krijgt over je schuld, ga je God zoeken. Maar je gaat ook inleven dat je daarin volledig faalt. Het wordt je verdriet dat je falen ongerechtigheid voor God is. Die zonde en schuld maken scheiding met God. Het steeds dieper beseffen dat we nooit meer kunnen worden zoals de Heere ons bedoeld heeft, maakt plaats voor Christus. Hiervoor is nodig dat de Heilige Geest het werk van Christus in je hart openbaart. Dan krijg je Hem nodig om iedere dag met al je schuld en tekortkomingen de toevlucht tot Hem te nemen. Dat betekent dus dat alles wat niet voortvloeit uit Christus, ‘doen’ zonder inhoud is. Lees zondag 12 uit de Heidelbergse Catechismus maar eens: ‘Waarom wordt gij een christen genaamd?’ Dat vloeit voort uit de vereniging met Hem en niet door op de ladder van heiligheid te klimmen. Door het geloof ben ik een lidmaat van Christus en mag ik zeggen: ‘Zijn gerechtigheid is mijn gerechtigheid.’ Vervolgens ga ik mijzelf als een levend dankoffer offeren en met een vrij geweten tegen de zonde en duivel strijden. Kortom, heilig leven staat nooit los van het werk van Christus.”
Betekent dit dat we niets kunnen en hoeven te doen en we achterover kunnen leunen, tot God ons bekeert?
“Nee, de eis om ons aan Gods geboden te houden geldt voor ons allemaal. Kijk maar naar Paulus, die opwekt tot heiliging. Door de eis van Gods wet en wil scherp te prediken, wil hij mensen tot Christus dringen. Soms hoor je mensen zeggen: ‘We mogen toch komen zoals we zijn?’ Jazeker, daar zorgt de Heere ook voor. Maar soms vrees ik dat eigenlijk bedoeld wordt: ‘Ik mag heus wel blijven wie ik ben’. Anderen zeggen: de mens kan niet uit zichzelf komen, God moet je dat geven. En gebruiken dit als excuus om met een gerust hart verder te leven in de zonde. Probeer je eens in te denken dat je na je sterven voor Gods rechterstoel staat, zou je dan ook zo makkelijk zeggen: ‘U eiste iets van mij wat ik niet kon’? Ik zou je willen aansporen: ‘ga maar eens proberen om heilig te leven’. De Heere wil een nauw leven belonen. Maar het mag niet blijven steken in wat Pelagius deed: hij had er vermaak in om stipt te leven. Hij miste echter de vraag waarmee Luther worstelde: hoe krijg ik een genadig God?”
Maar als we dat leven met de Heere niet kennen?
“Ik zou met klem willen benadrukken: vraag de Heere of Hij je wil ontdekken aan wie je bent; het lelijke en vuile van je bestaan, is héél je leven. Vraag Hem of hij wil geven dat je Hem mag leren kennen door te leren wie je bent tegenover Hem. Dan leer je dat de eis van de volkomen gerechtigheid op ons ligt en ga je inleven dat je een vijand bent van vrije genade. De Heere zei tegen Thomas: Zijt niet ongelovig, maar gelovig. Hij wist dat Thomas dit niet kon, en toch eiste Hij het van hem. Maar dan mogen we Hem ook vragen: ‘Geef wat gij beveelt en beveel wat Gij wilt’. Dan gaan we zeggen: U mag van mij een heilig leven eisen, maar ik kan het niet. Als dat echt je nood wordt, vlucht dan tot Hem, want wat wij niet hebben, wil Hij schenken!”
In hoeverre waren de omstandigheden van de oorspronkelijke lezers van deze brief vergelijkbaar met die van ons?
“Jakobus schrijft de brief aan de verstrooide christenen. Hij weet dat ze in strijd en beproeving zijn. Uitkomen voor hun geloof betekent gevaar, met soms zelfs de dood tot gevolg. Het doel van de brief is dat de christenen aan de Heere verbonden worden. Jakobus weet ook dat het makkelijk is om te verslappen en ons eigen leventje weer te gaan leiden. Daarom waarschuwt hij de verstrooide christenen om hun eerste liefde niet te verlaten. Je kunt de eerste liefde vergelijken met het krijgen van verkering; je staat in vuur en vlam voor de ander. Als deze liefde zich verdiept, voel je misschien niet meer iedere dag zo nadrukkelijk hoe verliefd je op de ander bent. Maar, omdat je van de ander houdt, doe je nog wel dezelfde dingen die je in het begin met zoveel gevoel deed. Als dat niet meer het geval is, heb je de (werken) van de eerste liefde verlaten. Jakobus bedoelt hier ware gelovigen, die in de zonden zijn gevallen en zichzelf steeds weer moeten veroordelen. Maar die ook steeds meer hun toevlucht gaan nemen tot de gerechtigheid van Christus. Een mooie vergelijking hierbij uit het Oude Testament is dat tussen de poort en het altaar het meeste verkeer was. In de poort zaten de oudsten van het volk, die de mensen het oordeel moesten aanzeggen en bij het altaar was er verzoening. Hoe meer zicht op het altaar, hoe heiliger we willen leven uit dankbaarheid. Dat is dus niet iets van: nu moeten wij wat gaan doen. Nee, deze liefde vloeit voort uit het volbrachte werk van Christus en is gericht op God en onze naaste.”
In vers 26 en 27 beschrijft Jakobus wat de ware godsdienst inhoudt: je tong in toom houden, je hart niet verleiden, weduwen en wezen bezoeken en je onbesmet bewaren van de wereld. Wat betekent dit voor ons?
“Dit is nog steeds actueel. Ik zou roddelen, oordelen, lasteren wel gereformeerde zonden willen noemen. Als we dit doen noemt Jakobus onze godsdienst ‘ijdel’. Zo kunnen we er keurig uitzien voor de buitenwereld, terwijl we ons door roddel en laster verheffen boven onze naaste. Dan zijn we geen dader van het Woord. Het bezoeken van weduwen en wezen kostte in die tijd meer dan alleen aardig zijn, want het ging ook samen met financiële ondersteuning. Maar ook nu vraagt de Heere ons om goed te zijn voor onze naasten. Je onbesmet bewaren van de wereld is nog steeds heel actueel en sluit aan bij het zevende gebod: Gij zult niet echtbreken en tiende gebod: Gij zult niet begeren. Denk bijvoorbeeld aan alle seksuele verleidingen. In de tijd van de brief van Jakobus waren die er ook, maar veel minder direct bereikbaar als nu. Met één druk op de knop van je mobiel of computer heb je nu die rottigheid in huis. De vergelijking dat de moderne media als een injectienaald zijn die je langzamerhand vergiftigt, vind ik erg op zijn plaats. De norm van de wereld druppelt langzamerhand naar binnen. Zo staat ook in de moderne media de mens met zijn gevoelens en behoeften centraal en vraagt zich bij alles af: wat past bij mij, wat vind ík ervan, voelt dat goed? Jezelf onbesmet bewaren betekent ook dat we niet iedere week twee uur de stad in kunnen gaan om te gaan ‘begeren’. Maar ook sport kan je afgod zijn geworden. Door de spiegel van de wet voelen we zelf wel aan welke zonden ons aangaan. Jakobus vraagt hierover heel treffend: ‘Draai je dan je hoofd om en wil je je niets laten gezeggen?’ Aangrijpend. De Heere vraagt ons om een rein geweten en heilig leven. Dat vraagt soms om het radicaal doden van onze zonden, bijvoorbeeld door nooit meer een voetbalwedstrijd te volgen of het weren van open internet. Andere zonden, zoals bijvoorbeeld je hart zetten op een mooi huis, mooie kleding of teveel eten zijn lastiger om radicaal te doden, omdat we ze wel nodig hebben. Voor zulke zonden geldt: voedt ze niet, dan gaan ze vanzelf dood, ook al is dat hier op aarde maar ten dele. Maar ook hiervoor geldt: onze zonden doden kan nooit zonder de verbinding met Christus.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 2015
Daniel | 32 Pagina's