Een vermaak in de wet Gods
Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendige mens (Rom. 7:22).
Hoe functioneert de Wet in het leven van de gelovigen? Kunnen ze deze goed onderhouden? Of komt daar niets van terecht? Op die vragen gaat Paulus hier in. Hij begint met een vraag (vers 13): Is dan het goede mij de dood geworden? De goede wet veroordeelt de zonde. God heeft op de zonde de doodstraf gesteld. Is daarom de goede wet de oorzaak van de dood? Nee, natuurlijk niet. De zonde is oorzaak van de dood. De goede wet laat de zonde zien. ‘Door het gebod’ weten we wat de zonde is. Het is overtreding, opstand tegen God.
De wet is bovendien geestelijk. De wet gaat over daden, woorden en gedachten. Alles hoort naar de norm van Gods gebod te zijn. Maar daar komt in de gelovigen heel weinig van terecht. Ik (Paulus) ben (tegenwoordige tijd) vleselijk, verkocht onder de zonde. ‘Tegen wil en dank’ (kanttekening) komt Paulus in zijn leven de zonde nog voortdurend tegen. Dat is de grote last van zijn bestaan. Zijn eigen zonden zijn een grote last. Wat een diepe en ootmoedige belijdenis van deze grote heidenapostel.
Paulus weet dat alle ware gelovigen hiermee worstelen. Daarom gaat hij uitleggen hoe de vernieuwde zondaar toch zo’n last heeft van de zonde. Hij zegt dat hij hetgeen ik wil door Gods genade niet doet. Paulus doet hetgeen hij haat. In zichzelf neemt hij een kracht waar die doet, en drijft naar, de dingen die hij haat. Daarbij kunnen we denken aan afgoderij, overspel, gierigheid, roddelen, neer kijken op anderen, oneerlijkheid, moord, leugen, en zo meer. Paulus weet en merkt dat deze dingen bijvoorbeeld opkomen in zijn gedachten. Ook soms in zijn daden. Hetgeen hij innerlijk haat, dat doet hij. Lees het maar in vers 15. Dat komt door de kracht van de zonde, die in Paulus woont. Het kwade wat de apostel niet wil, dat doet hij… (vers 19).
Vervolgens komt Paulus dan tot een algemene regel voor alle gelovigen op deze aarde: Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt (vers 21). Kijk, zegt Paulus een gelovige is een nieuwe mens. Door Gods Geest is hij kind van God geworden. Hij is vernieuwd en begeert ook geheel naar Gods Wet en Woord te leven. Hij heeft een vermaak in de wet Gods. De geboden des Heeren zijn het liefste en het mooiste wat hij kan denken. Heel zijn leven zou hij willen richten op God en Zijn eer. Door Christus’ genade worden zondaren weer opgewekt tot een nieuw leven. Zonder die begeerte is er geen sprake van nieuw leven. Toch is er de zonde en het struikelen. Het kwade, de zonde, de overtreding kleeft de gelovigen aan. Paulus wijst op een nieuwe mens met de molensteen van de zonde om zijn hals. Dat is de realiteit van het ware christelijke leven.
Hoe worden wij daarvan verlost? Die zware last is diepe ellende. Daarover moeten we onszelf aanklagen. Steeds weer en steeds meer. Maar, en dan gaat Paulus danken en jubelen, door Christus Jezus onze Heere is hij van de heerschappij van de zonde verlost. Hij is geen gewillige slaaf meer van de zonde. Hij strijdt tegen de zonde en door de Geest van Christus kan hij ook overwinnen (kant. 64). De oude mens moet ‘allenskens versleten en weggeworpen worden’ (kant. 66). Ken jij ook die strijd en die overwinning?
Lezen: Romeinen 7:13-26
ds. W. Visscher
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 2014
Daniel | 32 Pagina's