Het gebed van Daniël
1. Och, mijn HEERE God, almachtig,
groot en vrees’lijk, sterk en krachtig,
Die weldadigheden grondt
op Uw eeuwig trouwverbond,
U bewijst hun Uw genade
die uit liefde al het kwade
haten, Uw geboden houden,
daar zij zich U toebetrouwden.
2. Ik belijd U onze zonden,
waar wij zwaar Uw wet mee schonden.
Onrecht hebben wij gedaan,
goddeloos Uw wil weerstaan.
Door U naar de kroon te steken,
zijn wij ontrouw afgeweken.
Van Uw rechten en geboden
zijn wij trouweloos gevloden.
18. Grond voor onze smeekgebeden,
als wij hulploos tot U treden,
vindt U in ons bidden niet;
’t zijn slechts zonden die U ziet.
Al onze gerechtigheden
geven voor Uw gunst geen reden.
Om ontferming, overvloedig,
bidden wij U zeer ootmoedig.
19. Hoor dan, Heere, hoor ons kermen,
wil vergeven, toon ontfermen.
Merk, o God, op wat U ziet
en vertraag Uw helpen niet.
Om Uws Zelfs wil, o mijn Heere,
doe het om Uw Naam te eren!
Door Uw stad naar U te noemen,
leert U die ons prijst, U roemen.
De volledige berijming van het gebed van Daniël (Dan. 9:4-19) staat in Bijbelse Gezangen door ds. C.J. Meeuse
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2014
Daniel | 32 Pagina's