Bankieren in het jaar nul
Tollenaars meer ondernemer dan belastingambtenaar
Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker. Belasting betalen is niet leuk. De blauwe enveloppen van de Belastingdienst bevatten geen leugens. De betaalde belasting komt bij Jeroen Dijsselbloem, geen twijfel mogelijk. Dit artikel gaat over tollenaars in het Nieuwe Testament en het belastingsysteem van de Romeinen. Dat systeem was niet makkelijk. En ook niet eerlijk.
Rond het jaar nul was het Romeinse Rijk zeer machtig. De legers bezetten grote delen van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het Rijk was zo groot, dat de Romeinen in Italië zelf geen belasting meer hoefden te betalen. Vanaf 167 v. Chr. kwam al het geld uit de veroverde provincies.
Rompslomp
Dat geld werd niet ingezameld door een belastingdienst, zoals wij die kennen. De Romeinen bedachten een ander systeem: de gouverneur van een provincie verkocht of verpachtte de rechten om belasting te heffen aan tollenaars. Alleen rijke mensen konden hieraan mee doen, want het bedrag moest direct worden betaald. Omdat dit in feite een lening aan de staat was, kregen deze belastinginners - tollenaars - wel rente over dit bedrag.
Dit systeem was zowel voor de Romeinse staat als voor de tollenaars zeer aantrekkelijk. De staat ontving een gegarandeerd vast inkomen, zonder de lasten te hebben van een eigen belastingdienst en bijbehorende administratieve rompslomp.
De tollenaar garandeerde een bepaald bedrag voor de Romeinse staatskas, maar alles wat hij meer kon heffen was winst. Hij liep ook een risico: het kon zijn dat hij minder geld ophaalde dan hij geboden had. Dat verschil moest hij dan zelf bijpassen. Dat gebeurde echter niet vaak. De tarieven werden wel van hogerhand voorgeschreven, maar vaak willekeurig toegepast.
Bankiers
Rijke tollenaars kochten de rechten voor een groot gebied en verkochten die in stukjes door aan andere tollenaars die minder geld hadden.
Waarschijnlijk was Zacheüs zo’n tollenaar. Van hem zegt Lukas dat hij een overste der tollenaren was.
En veel geld had hij ook: en hij was rijk.
De tollenaars inden verschillende soorten belasting. Van Levi (Mattheüs) weten we dat hij tolbelasting inde. Hij zat in het tolstation van Kapernaum. Dat stadje lag langs de hoofdweg van Syrië naar Egypte.
Voor alle goederen die daar langskwamen, moest belasting worden betaald. In Markus 12 vers 14 lezen we over schatting. Hiermee wordt vermogensbelasting bedoeld. De farizeeën vroegen aan Jezus: Is het geoorloofd de keizer schatting te geven, of niet? Iedere jood moest namelijk aan de keizer elk jaar een denarie - een munt die ongeveer een dagloon waard was - betalen.
Andere tollenaars inden grondbelasting, in geld of natura.
De tollenaars inden niet alleen belasting. Ze ontvingen ook belasting in natura en verkochten die goederen voor geld. Ze investeerden hun winst in allerlei projecten en leenden geld uit tegen een rente van vier procent per maand. Of meer.
Tollenaars waren in feite de bankiers van de oudheid.
Vijand
De joden noemden tollenaren in één adem met hoeren en zondaren. Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren, riepen de Farizeeërs verontwaardigd uit.
Ze werden zo veracht dat hun geld door de joden niet als aalmoes werd aanvaard. En in de rechtszaal was hun getuigenis niet geldig. Ook was het verboden om met hen om te gaan. Waarom haatten de joden de tollenaars zo?
Van de Romeinse overheersing konden de joden zich het moeilijkst verenigen met de belastingen. Het geld dat de tollenaars inzamelden, ging naar Rome. Het werd niet gebruikt voor de opbouw van de joodse staat maar voor de legers van de vijand. De joden betaalden zo de bezetting van hun eigen land.
Daarom hadden de joden een afschuw van de belastingen en tollenaars die de belasting inden.
Een groep joden was zelfs principieel tegen het betalen van belasting aan de keizer. Zij wilden geen andere heerser erkennen dan God. Deze groep zette de situatie op scherp en veroorzaakte zelfs oproer. De vraag Is het geoorloofd de keizer schatting te geven, of niet? was dus al jaren een spannende vraag in Judea.
Veel tollenaars waren ook oneerlijk.
Ze eisten teveel geld en staken dat in hun eigen zak, vroegen woekerrentes die mensen eigenlijk niet konden betalen en maakten zich schuldig aan afpersing. Niet voor niets zei Zacheüs na zijn bekering: en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. En toen de tollenaars aan Johannes de Doper vroegen wat ze moesten doen, zei hij: eis niet meer geld dan je mag vragen.
Zondaar
Wij kunnen denk ik goed begrijpen dat de joden deze mensen minachtten. Daarom is het confronterend dat de Bijbel vaak positief spreekt over tollenaars. Deze vrienden van de vijand stelde de Heere Jezus tegenover de zogenaamd rechtvaardige Farizeeërs. Jezus minachtte de tollenaars niet. De eerste vier discipelen die Hij riep, waren vissers. De vijfde was een tollenaar: Levi.
In Lukas 18 vertelt Jezus de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Het gebed van de tollenaar was kort, korter dan dat van de Farizeeër. Hij smeekte slechts: O God! wees mij zondaar genadig! En God hoorde hem.
Deze tollenaar noemde zich zondaar. Alleen bepaalde mensen stonden als zondaars bekend in Jezus’ tijd, maar Jezus zegt dat alle mensen zondaars zijn. De Farizeeërs riepen uit: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? Jezus antwoordt: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 2013
Daniel | 32 Pagina's