Dankbaarheid
De gemeente van Rome telde niet veel leden. Bovendien waren er ook zorgen en problemen. Je zult maar moeten leven in een grote stad van één miljoen, inwoners met zoveel aangrijpende zonden. Wij zouden er beslist niet gaan wonen! Hoe zal de apostel zijn brief beginnen? Komt er een ernstige waarschuwing? Begint hij met een diepe klacht over het ongeloof en de verkeerde levenswandel van de mensen in Rome? Wijst hij op de verschrikkelijke toestanden in het heidendom? Ja, de apostel zal erop wijzen (Rom. 1: 18-32). Maar hij begint er niet mee. Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus. Paulus begint met verwondering, dank en blijdschap over Gods werk in Rome. Hij kan het maar niet klein krijgen dat de Heere in deze zondige wereld Zijn kerk wil bouwen. Ook in andere brieven begint Paulus met dank aan God. Voor Zijn genade en voor de krachtige werking van Zijn Geest. Laten we ook vandaag, ondanks alle verval, niet vergeten dat God doorgaat met Zijn werk. Als we dat meer beseffen, zou dankbaarheid ons hart wellicht vervullen. Dankbaarheid betekent dat we God erkennen voor Zijn weldaden. Wat God doet is altijd groot.
Ontmoeting
Daarnaast heeft Paulus ook een begeerte. Het groepje mensen in Rome stelde in de ogen van de heidenen niet zoveel voor. Wij, kerkmensen, zouden ons er wellicht ook niet graag bij aansluiten. Een gemeente verloren in een grote wereldstad. De gemeente was maar een wat vreemd en multicultureel gezelschap. Slaven, kleine middenstanders, joden en heidenen. Een gemengde gemeente ergens aan de aan de randen van kerkelijk Nederland, zeg maar. Hoe staat Paulus, de apostel van de heidenen, tegenover deze mensen? Hij bidt in ieder geval voor de gemeente (vers 10). Steeds opnieuw buigt hij zijn knieën voor het kleine groepje heiligen in Rome. Bovendien verlangt hij erna om de broeders in Rome te mogen zien (vers 11). Graag wil hij de broeders en zusters in Rome ontmoeten, opdat hij ze zal versterken in het aangenomen Evangelie. Ook verwacht hij door de ontmoeting vertroost te worden (vers 12). Een ontmoeting tot wederzijdse vertroosting. Wat een opmerkelijke gedachte. Hoeveel bijeenkomsten en ontmoetingen zijn er niet die teleurstellen. Dan gaat het over mensen, problemen en kerken. Het is niet verblijdend om dat mee te maken. Maar Paulus komt niet voor aardse zaken. Hij komt om de goede boodschap te brengen. Aan Grieken en barbaren. Aan wereldlingen en kerkmensen; eigenwijzen en zondigen. Daartoe is de apostel geroepen. Daartoe weet hij zich gedrongen. Ergens elders zegt hij: “wee mij als ik het Evangelie niet verkondig”.
Diepte
Er is in het Rome van die tijd heel wat te zien. De regeringsgebouwen bijvoorbeeld. Paulus rept er niet over. Dat heeft zijn belangstelling niet. Hij komt met de goede boodschap van het Evangelie. Die boodschap hebben de broeders in Rome reeds aangenomen. In die boodschap moeten ze verder worden onderwezen. De betekenis van Christus lijden en sterven moet verder duidelijk worden gemaakt. En Paulus zal de borggerechtigheid van Christus in zijn volle lengte en breedte prediken, verkondigen. Ook zal hij ingaan op de aard van het ware geloof (hoofdstuk 4) en het werk van Gods Geest (hoofdstuk 8). Onbekommerd geeft hij, de ene moeilijke gedachte na de andere, door aan de jonge gelovigen in Rome. Zouden ze het begrepen hebben? Ach, elke week lazen ze deze brief van Paulus hardop voor in de huisgemeenten. Stukje bij beetje gingen ze de diepte ervan verstaan. Door Gods Geest. Laten wij het ook maar doen. Steeds opnieuw. Vooral biddend om Gods Geest.
Lezen: Romeinen 1 :8-15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2013
Daniel | 28 Pagina's