JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Frouwe de Cock-Venema

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Frouwe de Cock-Venema

Domineese van Ulrum

4 minuten leestijd

Mijn geliefste... dat God het zoo moge maken, zooals het tot onzer beide nut moge zijn. Deze woorden uit een brief van de jonge Frouwe Venema (geb. 1803) aan haar verloofde Hendrik de Cock (geb. 1801) zijn in hun veelbewogen leven vervuld.

Beide jonge mensen zijn geboren in welgestelde families in het Groningse Wildervank. Ze hebben elkaar leren kennen, toen ze nog in de schoolbanken zaten en leren daarna samen voor hun lidmaatschap van de Hervormde Kerk. De jonge Hendrik gaat in de stijl van zijn familie naar de academie in de stad Groningen om theologie te studeren, terwijl Frouwe een opleiding volgt op een Franse school in Veendam. Op 11 februari 1824 wordt hun huwelijk in Wildervank gesloten. Veendam en Wildervank zijn in die tijd levendige plaatsen waar naast boerenbedrijven volop handel, scheepvaart en industrie is.

In de pastorie
Het jonge echtpaar gaat wonen in de pastorie van Eppenhuizen, een klein dorp met nog geen 60 inwoners. In de classis Middelstum wonen ongeveer 160 hervormden. Frouwe heeft een ernstige inslag en ze drukt haar ‘lieve Cock’ op het hart om vanwege de grote onkunde zo eenvoudig en duidelijk mogelijk te zijn bij het preken en het herderlijke werk. De tweede gemeente (1827) is Noordlaren, een gemeente van ongeveer 600 zielen. Er zijn inmiddels twee zoontjes geboren. Ook hier geeft Frouwe haar man een wenk: gebruik het Kort Begrip van de Heidelbergse Catechismus voor de jeugd. In 1829 verhuist het gezin naar Ulrum in het Noordwestelijk deel van Groningen. Ulrum telt ongeveer 900 zielen, maar er zijn weinig kerkgangers. Dominee De Cock is een vrolijke, levenslustige man, maar opnieuw geeft de meer ernstige Frouwe hem aanwijzingen om het zielenheil van zijn hoorders te zoeken. Maar vooral de woorden van oud-catechisant Klaas Kuipenga maken een onuitwisbare indruk op ds. De Cock: “Indien ik ook maar een zucht tot mijn zaligheid moest toedoen, dan was het met mij voor eeuwig verloren.”

De Afscheiding
Ds. De Cock gaat heel anders preken en stelt zich strijdbaar op. Hij schrijft protestbrieven in scherpe bewoordingen en weigert gezangen te laten zingen. In de kerk ziet men hem steeds meer als een rustverstoorder en ook de overheden zijn alert. In 1833 wordt het vierde kindje geboren in de pastorie. De beproevingen blijven niet uit. Op 5 oktober sterft het oudste dochtertje en in dezelfde week wordt ds. De Cock verboden in zijn kerk voor te gaan. Enkele dagen later wordt er door de kerkenraad een Acte van Afscheiding en Wederkeer opgesteld waar het grootste deel van de gemeente achter staat. Na allerlei verwikkelingen moet ds. De Cock drie maanden in de Groninger gevangenis en zijn gezin moet de pastorie verlaten. Maar hij troost zijn vrouw met de woorden “Het is Zijn zaak waarvoor wij lijden!” Tenslotte komt het gezin in Smilde terecht waar in 1836 opnieuw een meisje wordt geboren. Al kan Frouwe haar man niet altijd volgen in zijn beslissing om een nieuw kerkverband te vormen, ze durft hem niet tegen te houden. In 1836 vraagt de classis Groningen van het nieuwe kerkverband aan dominee De Cock of hij in Groningen predikant wil worden. Hier krijgen ze opnieuw een druk leven.

Weduwe
Dominee De Cock blijft reizen en preken. Het vergt erg veel van zijn lichaamskrachten, zodat hij op 14 november 1842 overlijdt op de leeftijd van 41 jaar. In de rouwbrief schrijft de 39-jarige Frouwe: “Wij hadden nu bijna 19 jaar met elkander in een genoeglijken Echt mogen verkeeren.” Moeilijk is het voor haar als er, zelfs na de dood van haar man, nog laster over hem wordt uitgestrooid. Zij wijdt zich nu geheel aan de verzorging en opvoeding van haar vijf kinderen. In 1846 hertrouwt Frouwe met de elf jaar jongere predikant Harm Geerts Poelman, een van de oudste leerlingen van haar man. Dominee Poelman overlijdt echter plotseling in 1854 aan de cholera. Frouwe gaat voortaan als mejuffrouw de weduwe Poelman door het leven. Zij leeft steeds in woord en daad met haar groeiend nageslacht mee. Bij haar leven heeft zij 33 kleinkinderen en 12 achterkleinkinderen. Onder haar nageslacht zijn begaafde, artistieke en ook eigenzinnige personen. Haar oudste zoon wordt docent aan de Theologische School in Kampen. De oudste kleinzoon Hendrik de Cock draagt zijn proefschrift als doctor in de geneeskunde aan zijn grootmoeder op. Frouwe mag de herdenking van het 25-jarig bestaan van de Theologische School beleven. Een hoogtepunt is ook de herdenking van de Afscheiding in Ulrum in 1884, waar de oude weduwe wordt toegezongen uit Psalm 71. De avond voor haar sterven, 23 september 1889, spreekt Frouwe opgewekt met enkele vriendinnen over de wegen des Heeren. Diezelfde nacht slaapt zij rustig in, om op aarde niet meer te ontwaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2012

Daniel | 36 Pagina's

Frouwe de Cock-Venema

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2012

Daniel | 36 Pagina's