De Heere is heilig
In Zijn blinkende heiligheid ben je zelf zo ónheilig
In 1 Petrus 2 staat: Opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (vers 9). Elf jaar geleden gaf de Heere mij zo bij de bevestiging tot predikant op de knielbank opnieuw een diepe indruk van Zijn deugden en Zijn volmaaktheden.
Het is een groot voorrecht als de Heere je geboren deed worden op een plaats waar de Naam van de Heere wordt genoemd en waar je deze zelf op de lippen hebt mogen nemen. Denk maar eens aan je morgen- en avondgebed, aan het ogenblik dat aan tafel uit de Bijbel gelezen wordt, als je in de kerk mag zijn.
De Heere heeft daarvoor al Zijn Namen aan jouw voorhoofd willen verbinden bij de Heilige Doop. Je bent afgezonderd van de wereld en gebracht op de plaats waar de Naam van Christus tot zaligheid wordt verkondigd. Het Doopformulier noemt dat: in Christus geheiligd, afgezonderd. Zoals het volk van Israël een geheiligd volk was.
We kunnen echter zo gewend raken aan het horen van de Naam van de Heere. Misschien is het je wel eens opgevallen dat er ook jongeren zijn die wat gemakkelijk met en over de Heere spreken. In de Heidelbergse Catechismus staat in Zondag 36 ‘dat wij de heilige (!) naam Gods anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken moeten’. Daarom is het goed om er samen met jou over na te denken: de Heere is heilig. En laten we dan ook onze levenswandel niet vergeten.
Zijt heilig
Het heilig zijn van de Heere en het heilig moeten zijn van zijn volk vinden we in het Bijbelboek Leviticus. In Leviticus 19: 2 staat: Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik de HEERE, uw God ben heilig! Het is één van de grote onderwerpen van dit Bijbelboek. Alles is zo heilig, de plaats van de bediening der verzoening, de voorwerpen, de priesters en in het bijzonder de hogepriester, de handelingen – denk maar aan de offers en de vele wassingen –, de feesttijden.
De hogepriester loopt in het midden van het volk met een gouden plaat op zijn hoed in de vorm van een bloem. Daarop staat geschreven: ‘DE HEILIGHEID DES HEEREN’.
Wat zal die plaat geblonken hebben in de zon. Het volk kon het in die schittering amper lezen. Zo heilig is de HEERE.
En zij? Gij zult heilig zijn. Ze moeten beantwoorden aan die volmaaktheid die de HEERE Zelf ís. Later zal Petrus het in het Nieuwe Testament ook zeggen in 1 Petrus 1: Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel; Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig (vers 15 en 16).
Geroepen
Dat werk van de Heere in ons hart hebben we nu nodig om iets te leren van wie de Heere is. Petrus heeft in dit hoofdstuk gesproken over de wedergeboorte. Dan roept de Heere inwendig in het hart en moet je voor Zijn aangezicht verschijnen. Dat houdt veel meer in dan dat het volk van Israël opblikte tot die gouden plaat bij de Hogepriester.
Paulus zegt in Romeinen 7 dat dan het gebod komt en dan wordt het sterven. Want de Heere is heilig, rechtvaardig en goed en zo is Zijn gebod heilig, rechtvaardig en goed.
Dan krijgt het woordje ‘heiligheid’ zo’n diepe klank. Dat gaat zeggen Wie de Heere is! Het is één van Zijn volmaaktheden, zoals ook Zijn rechtvaardigheid en goedheid dat is.
Heiligheid zegt Wie God is, het drukt Zijn Wezen uit. Zo is de Heere alleen heilig. In Exodus 15 staat: O HEERE! Wie is als Gij onder de goden? Wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? (vers 11). In deze deugd van God rijst Hij zo hoog op.
Zijn heerlijkheid is in glans veel groter dan de zon waar je al niet in kijken kan. Zijn majesteit is zo groot dat deze hoger is dan de hoogste hemel. Wie kan voor Hem bestaan?
In Zijn blinkende heiligheid ben je zelf zo ónheilig. Zo komen we op een tweede betekenisvolle inhoud van het woordje ‘heiligheid’.
Onheilig
Onheilig is immers precies het tegenovergestelde van heilig. We bedoelen dan met onheilig dat we helemaal vuil zijn van de zonde.
We doen niet alleen zonden, we zíjn zondaar. En zo kunnen we niet bestaan voor God die heilig is, zo schoon, zo vlekkeloos wit. In het Nieuwe Testament wordt daar soms een apart woord voor gebruikt, bijvoorbeeld in Openbaring 15: Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken ? Want Gij zijt alleen heilig (vers 4). Je weet wel dat de Heere de mens geschapen heeft naar Zijn beeld in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.
Toen was Adam heilig: schoon, zonder zonde, zonder enige vlek. En nu? Nu zijn we zo vuil, inktzwart.
Je mag bij het woord ‘heilig’ denken aan een spierwit kleed. Als daar een heel klein stipje zwart op gekomen is, is het niet meer spierwit, niet meer heilig. De Heere is heilig, vlekkeloos. En wij? Het is niet een klein spatje, nee, we zijn totaal zwart.
Denk bij de heiligheid van de Heere dan maar aan een brandend vuur.
Als een vlinder dat vuur nadert, verteert hij al voordat hij het vuur aanraakt. Wie kan voor God bestaan?
Heilig Kind
En de eis van de Heere is gebleven: zijt heilig, want Ik de HEERE uw God ben heilig! Ik hoop zo dat dit je in de nood mag brengen. De wederbarende Heilige Geest van heiligmaking kan en wil dat werken. Dan ga je diep buigen onder Gods deugden. Toch trekken Gods liefdekoorden. Dan wordt alles van de Heere heilig: Zijn heilige dienst, Zijn heilig Woord, Zijn heilige Wet, zelfs Zijn heilig recht. Het wordt je allemaal zo lief.
Hier blijft een vuile zondaar over, tegenover de blinkende schoonheid van de Heere. Een onheilige in het licht van de heerlijkheid van God, Die heilig is en rechtvaardig in Zijn eis. Hier houden onze wegen op.
Heiligmaking is daarom niet mijn harde werken, om iets voor God te betekenen. Wat arm is dat. Dan moet je alles zelf doen. Dat wordt nooit iets. Daarvoor is een Ander nodig. Juist onder de glans van Gods heerlijkheid wordt het wonder zo groot als daar het heilig Kind Jezus wordt neergelegd. Hij past als Middelaar – Die ons vlees en bloed heeft aangenomen – bij Gods heerlijkheid. Johannes schrijft: Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwt (Johannes 1: 14). En in Handelingen 4 lezen we bij de terugkomst van Petrus en Johannes van het heilig Kind Jezus.
Onbevlekt
Hij is zo heilig. Op Hem past de plaat van de hogepriester! Bij Christus bloeit deze gloriekroon.
Dit heilig Kind heb jij zo nodig. De Heere make voor Hem plaats in je vuile zondaarshart. Wanneer je Christus gaat kennen, onder meer tot heiligmaking, dan zal er ook een leven zijn met Hem. Petrus heeft de geroepenen gewezen op de genade die in Christus is. In gemeenschap met Hem zal de levenswandel ook worden geheiligd. Zijn dierbaar bloed is als een kleed dat de vuilheid van zonde bedekt. Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1: 7b). En in het uitzien naar die genade krijgt Gods kind een voorzichtige wandel, uit liefde tot Gods heiligheid in Christus!
Hier blijft het leven voor Gods heilig aangezicht altijd gebrekkig. Er komt echter een ‘totdat’, zoals het Doopformulier schrijft: ‘totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden’.
Als je iets mag kennen van de prijs die Christus betaald heeft, en de noodzaak van wassing door Zijn bloed, dan zul je met eerbied en ontzag Zijn heilige Naam gebruiken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 2011
Daniel | 32 Pagina's