Jezus’ antwoord aan Nicodémus
Het eerste woord
Rabbi, wij weten dat Gij zijt een Leraar van God gekomen [...] Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u. Johannes 3: 2a en 3a
De farizeeën waren niet de enigen te Jeruzalem die wisten dat God met Jezus was. We lezen in Johannes 2: 23 dat er velen geloofden in Zijn Naam, ziende de tekenen die Hij deed. Niet dus slechts enkelen, maar velen.
Ja, tot ergernis van de farizeeën spraken ze dat ook openlijk uit. De één zei tegen de ander: Wat een groot Rabbi is Jezus. Hij is van God gezonden! Zó werd er in Jeruzalem door vele tongen gesproken. Wat een rijke, geestelijke oogst! De duisternis heeft het Licht begrepen!
Maar Jezus denkt er zo niet over.
We lezen: Hij Zelf betrouwde hun Zichzelven niet (Johannes 2: 24).
We mogen ook lezen: Hij geloofde in hen niet. Dat is aangrijpend, vind je niet? Zij geloofden wel in Hem, maar Hij niet in hen. Want Hij kende hen allen: hun naam, levensomstandigheden, karakter, gedachten... Hij is alwetend God, Die niets en niemand nodig heeft. Hij Zélf weet wat ín de mens is (vers 24b en 25).
Nameloos arm
Het leek heel wat: vélen geloofden in Zijn Naam. En zeker, zij geloofden, maar niet zoals zij moesten geloven. Het was geen oprecht geloof.
Ook vandaag nog geloven velen in Jezus, maar wat vindt Hij er van?
Velen denken dat zij zichzelf Hem betrouwen, maar betrouwt Hij Zichzelf ook aan hen? Velen denken te weten wie ze zijn en wat in hen is, maar Jezus weet beter. Hij weet dat zij in Hem geloven zonder wederom geboren te zijn. Dat zij zeker het Koninkrijk van God niet zullen zien, tenzij dit onuitsprekelijk wonder aan hen geschiedt.
Jezus wist ook wat in Nicodémus was. Hij heeft geluisterd naar zijn belijdenis: Wij weten… Een belijdenis die tegelijk een bekentenis was.
Ongetwijfeld zal Nicodémus gedacht hebben dat het Jezus verblijden zou. Dat Hij hem zou bedanken voor zijn komst en woorden. Het was toch heel wat om door de leraren van Israël erkend te worden – al was het dan in het geheim.
Duisternis en blijdschap
Dat Jezus hen allen kent, komt niet eens bij Nicodémus op. Dat Hij ook hém tot op de bodem doorziet, beseft hij niet. Is God met Jezus? Is er niet meer te zeggen? Is Hij niet Gods geliefde Zoon? Wat is Nicodémus’ belijdenis nameloos arm! Wat is hij ziende blind! Hij is gekomen tot de beloofde Messias, maar weet het niet. Hij spreekt tot de Leraar ter gerechtigheid, maar kent Hem niet. Tegenover hem zit de Koning van het Koninkrijk Gods, maar het is voor hem verborgen.
Wat een duisternis vergeleken bij het lied van Maria en Zacharias, die zongen van deze Koning – van Israëls God gegeven! Wat een onderscheid met Simeon en zijn onuitsprekelijke blijdschap, ziende de Zaligheid Gods!
Onze belijdenis en Jezus
Wat wij weten én wat wij niet weten.
Wat wij weten en wat Jezus weet.
Heeft de Leraar Israëls je ook wel eens geantwoord, geheel in overeenstemming met de waarheid van je hart en belijdenis? Zodat je buiten het Koninkrijk Gods kwam te staan? Of juist ingesloten werd?
Weet je van beide?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 2011
Daniel | 36 Pagina's