JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

God in Auschwitz

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

God in Auschwitz

Els Florijn: Bijna niemand wist nog iets van Elly

7 minuten leestijd

Een klein Joods meisje, alleen in de gaskamer. En een pleegzus van het meisje dat jaren later op zoek gaat naar sporen van haar zusje. Dat is het verhaal van Het meisje dat verdween. Schrijfster Els Florijn: “In de helpende handen van een oude vrouw zie ik een stuk ontferming.”

Het verhaal had zo’n impact op me, wilde me niet meer loslaten, dat ik op zoek ben gegaan naar meer informatie (pagina 213).
“Ik had al een poos niets geschreven – bijna vijf jaar niet. En toen was ik bij kennissen in Lienden. Die man vertelde over een familie die daar in de oorlog had gewoond. Zij hadden hun dochtertje Elly verloren. Toen begon het toch weer te kriebelen.”
Florijn werkte drie jaar aan een boek, gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de familie God in Auschwitz Els Florijn: Bijna niemand wist nog iets van Elly Frank. “Maar het grootste gedeelte heb ik in zes maanden geschreven. Ik werkte iedere week een dag aan het boek. De kinderen waren dan bij een oom en tante. En al die tijd was ik aan het tikken. Ik wilde dan schrijven, want ik zat zo in het onderwerp. Het verhaal moest zo snel mogelijk af. Ik was zó begaan met die mensen.”
De gedrevenheid klinkt nog door en Els lijkt verbaasd. “Ik heb dat nooit eerder gehad, soms had ik zeven, acht A4-tjes op een dag. Topproductie.”
Veel informatie had de schrijfster niet. “Toen ik aan het verhaal begon, was er bijna niets over die familie bekend. Maar de VPRO zond een documentaire uit over de oom van Elly. De pleegzus van Elly en de huishoudster van de familie kwamen daarin aan het woord. Die mensen léven nog, dacht ik. Die zitten vast niet op mijn verhaal te wachten. Een redacteur van de uitgeverij heeft toen gebeld en de kastanjes voor mij uit het vuur gehaald. En die mensen reageerden ongelofelijk positief. Die pleegzus was echt een lieve, oude vrouw.”

Het enige wat in dit boek met de wekelijkheid klopt, zijn de feiten zoals ze algemeen bekend zijn: een klein Joods meisje wordt door de huishoudster opgehaald als haar ouders en aangenomen zus gaan onderduiken; zij wordt op bevel van de SD door de burgemeester en veldwachter opgehaald en naar Den Haag gebracht, en vandaar (via Westerbork) op transport gezet naar Auschwitz, waar ze onmiddellijk na aankomst wordt vergast. Haar ouders, die een manufacturenwinkel hebben, en zus duiken onder bij een boer; zij worden weggestuurd als blijkt dat hun geld begint op te raken. Daarna duiken ze onder in een pastorie. Het bovenstaande is het enige wat klopt met de werkelijkheid; de rest is fantasie (pagina 213-214).

Waarom heeft Els de personages verzonnen? “Twee redenen. Bijna niemand wist nog wat van Elly. Wat vond ze lekker? Welke kleur vond ze mooi? Dat wist niemand meer. De zus wist het niet meer. De huishoudster wist het niet meer. En de andere reden is dat ik zo niet gebonden was aan precieze uitspraken. Dan had ik geen roman kunnen schrijven. Ik heb graag een beetje vrijheid. Ik heb mijn eigen personages in een raamwerk van feiten gehangen. Maar de hoofdlijn klopt wel.”

De oude vrouw knielt bij haar neer; en ze heeft heel langzame handen, want het lukt haar bijna niet de knopen van Dittes jasje los te krijgen. Als het gelukt is, wordt het jasje opgehangen. Ditte hoort weer mannen schreeuwen, maar ze verstaat het niet. Ze begrijpt wel dat ze op moeten schieten, de mannen maken gebaren, en daarom probeert ze een beetje mee te helpen. […] Slapen! Dus ze gaan slapen (pagina 185).

Het meisje Elly – in het boek heet ze Ditte – stierf uiteindelijk in de gaskamer. Florijn, sober gekleed in een zwart truitje, blauwe rok en lange, zwarte laarzen, formuleert het voorzichtig. “Ik ben een van de weinigen die het leven van een kind hebben beschreven tot in de gaskamer... Ik heb mezelf afgevraagd: mag ik dit doen? Ik vond toch van wel.
Ik ben er van overtuigd dat het meisje niet alleen was in de gaskamer. Een oude vrouw ontfermt zich over haar. In de helpende handen van die oude vrouw zie ik een stuk ontferming.”

‘Wij kunnen het niet aannemen,’ zei papa, ‘we brengen u in gevaar.’ Hou je mond, papa! Waarom ging hij nu moeilijk doen? ‘Ja,’ zei de pastoor, ‘en dat risico nemen wij, omwille van het heilige huisgezin van Nazaret, dat op zijn vlucht naar Egypte ook overal moest aankloppen om onderdak. Wij vertrouwen erop dat onze lieve Heere, Die u hier gebracht heeft, ook wel verder zorgen kan’ (pagina 127).

“Die pastoor is heel dapper geweest… Dat was écht heel dapper. Ik had er ook nooit zo bij stil gestaan dat onderduikers zo moesten leven. De pleegzus vertelde mij dat ze moesten kruipen door de gang. Want de hond van de buren blafte, als hij iemand door de gang van het huis van de pastoor zag lopen. Toch heeft die hond nooit geblaft als zij door de gang kropen. En nooit zijn ze eten te kort gekomen. Er werd zoveel gebracht bij de pastorie. Terwijl niemand wist dat daar onderduikers waren. Dat is wel een wonder van God. Ik krijg veel reacties op de manier waarop ik het onderduiken beschreven heb. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb nu pas een idee hoe vreselijk dat onderduiken was!’”

Wat had ik aan een God, welke het ook was, die van mama of van papa, als Hij mij Ditte niet kon brengen? Als Hij mij niet eens een foto van haar gelaten had? Ik had niets meer (pagina 170).

Nietsvermoedend draai ik de foto om. Daar is ze. Haar ogen stralend, een gedeelte van haar haren gevangen in een witte strik (pagina 207).

“Ik denk dat ik het laatste gedeelte met de meeste emotie heb geschreven. Als Lotte, de pleegzus van Ditte, een kinderliedje aanhaalt. Als zij het op een bepaalde manier een plek kan geven. Ze heeft een foto gevonden, een stukje van Ditte teruggekregen. Dat was het allermooiste. Alle lijnen zijn dan bij elkaar gekomen. Ik vond dat een mooie afsluiting, niet zonder hoop. Ze zei eerst: ‘Wat heb ik aan een God als Hij mij niet eens een foto van Ditte had gelaten…‘ En dan krijgt ze, al is het jaren later, toch die foto. Ik was dankbaar dat ik het boek zo kon laten eindigen: Lotte die eindelijk op een bepaalde manier haar zusje los kon laten.”

Ik pulkte met geduldige vingers de draadjes aan de achterkant van mijn jas los en trok de ster eraf. In de stof stond een sterpatroon van kleine gaatjes. Jood, zei dat sterpatroon. Jood, Jood, Jood, al haal je de ster eraf (pagina 111).

Waarom zouden jongeren het boek moeten lezen? Els Florijn: “Om wat de zus van Elly heeft gezegd: ‘Het kan weer gebeuren. Blijf wakker’. Alleen daarom. Houd je ogen open. De geschiedenis kan zich herhalen.”

In het artikel zijn een paar fragmenten uit Het meisje dat verdween opgenomen. Meer lezen? Kijk op www.jbgg.nl/daniel voor een compleet hoofdstuk. En wil je het boek gratis krijgen? Vergeet dan niet om een reactie achter te laten…


---
“De beste roman van 2010”
Els Florijn (1982) schreef haar eerste verhaal toen zij 17 was. Meer dan twaalf jaar later heeft ze een reeks boeken en verhalen op haar naam staan. In 2003 verscheen haar debuut, haar eerste roman Laatste nacht. Een paar jaar later kwam het boek Schaduw van de wolf uit. Ook schreef zij een aantal kerstverhalen en een kinderboek. Eind dit jaar verschijnt er weer een kerstverhaal. Eind 2010 verscheen Het meisje dat verdween. Nu, begin 2011, is de vierde druk verschenen. Vrijwel alle recensies waren uitzonderlijk positief. EO-presentator Andries Knevel noemde het boek “de beste roman van 2010”. De schrijfster werkte drie jaar lang aan het boek. In die tijd kregen zij en haar man een tweede zoontje. Eén dag in de week staat de schooljuf nog voor de klas in Rhenen. Florijn hoort kerkelijk bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

---
“Oorlog bezien door een kinderoog”
Lianne de Baat (16) las het boek Het meisje dat verdween. “Dit boek zet je aan het denken. Waarom heb ik zoveel en zij bijna niets? Een onschuldig kind van drie jaar moet naar Auschwitz, wordt vergast. Waarom? Ze is Jood. Pa, ma en zus mogen onderduiken. Maar zij is te klein. In dit boek lees je hoe hard de wereld kan zijn. Het verhaal is op een goede manier geschreven. Toen ik het boek uit had, had ik echt een verdrietig gevoel. Knap dat Els Florijn dit waargebeurde verhaal zó precies en aangrijpend kan schrijven! De oorlog bezien door een kinderoog dat heel weinig begrijpt, maar wel weet hoe verschrikkelijk oorlog is…”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 2011

Daniel | 36 Pagina's

God in Auschwitz

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 2011

Daniel | 36 Pagina's