Schrift in spiegelbeeld
Ds. Moerkerken: De Bijbel is geschreven in de oosterse wereld
“Als je aan een catechisant vraagt: vind je de Bijbel helder of duister? Dan zegt hij: duister. Hoe komt dat?” Ds. A. Moerkerken schreef het boek Zin en mening, gebaseerd op zijn lessen op de Theologische School. Het boek is een bezinning op de uitleg van de Bijbel. “In het boek probeer ik te laten zien hoe de stappen toegepast worden.”
Het eerste hoofdstuk heet ‘Meer dan goud’. Waarom is de Bijbel meer dan goud voor u?
“Ik heb altijd veel liefde voor taal gehad. Als klein kind ben ik al heel vroeg gaan lezen. Op het voortgezet onderwijs was ik een domoor in exacte vakken, maar de klassieke talen boeiden me. De Schrift heeft natuurlijk veel te maken met oude talen. Mijn persoonlijke interesses lagen op dit gebied. Als ik de Bijbel lees ben ik vaak gewoon zinnen aan het ontleden. In de tweede plaats – en dat is een andere laag – is het Woord tot me gaan spreken in de kerk door de prediking. Dan is het geen kwestie van talent of interesse, maar dan is het de majesteit van het Woord dat in je leven ingrijpt. Ik heb als kind al ervaren dat de Heere in het Woord meekwam, met name onder de prediking. Dan komt er ook iets in van: Op deze zal ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft. Er wordt hier op de Theologische School best wel gelachen – het is hier heus geen sikkeneurig gezelschap – maar als we met de Bijbel bezig moeten we altijd die majesteit zien. Pas op, dit is het heilig Woord van God.”
De duidelijkheid van de Bijbel is één van haar eigenschappen, schrijft u. Waarom moet de Bijbel dan nog uitgelegd worden?
“Als een heel klein kind een leesboekje voor zich krijgt, kun je niet zeggen dat het een moeilijk boek is. Toch zal het kind er moeite mee hebben. Dat geldt ook voor de Bijbel. Vaders en moeders moeten zeggen: ‘Dit woord betekent dit.’ Dat is een kwestie van ontwikkeling. Een tweede punt is dat de Schrift helder is, maar ons verstand is verduisterd. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Ons kennen is zo beperkt door de zondeval, dat zelfs de apostel Paulus zegt: We zien door een spiegel als in een duistere rede. Als je in de auto zit en je kijkt in je spiegeltje, zie je soms een auto achter je staan met een naam op de motorkap in spiegelbeeld. Dan zie je direct wat er staat. Staat de naam niet in spiegelbeeld, dan moet je even kijken wat er staat. Als daar een ‘duistere rede’ staat, een onbegrijpelijk woord, dan wordt het in spiegelbeeld helemaal moeilijk. Zó zien wij de Schrift. Alleen Gods Geest kan dat probleem oplossen.”
Hoe kan een jongere proberen iets van de Bijbel te begrijpen?
“In de eerste plaats ligt hier een taak voor de ouders. Een vader moet aan tafel een onderwijzer zijn. Als een vader aan tafel een stukje van Habakuk leest, dan moet hij niet te lang lezen. Een paar verzen. En iedereen aan tafel die kan lezen, moet meelezen met de kanttekeningen erbij. Een vader kan dan vragen stellen: ‘Wat betekent nu dit woord? Begrijpen jullie dit?’ Als vader moet je je dan ook voorbereiden op de huisgodsdienst. Want ‘zomaar’ een stukje aan tafel lezen uit Habakuk dat heeft geen zin. Neem er dan een goede, eenvoudige verklaring bij. Doe gerust vier avonden over een hoofdstuk. Zodat de kinderen zien hoe mooi een hoofdstuk is. Zo kun je belangstelling en liefde voor het Woord uitstralen. Ik weet nu nog hoe mijn vader uit de Bijbel las en hoe hij ons vroeg wat het betekende. Anders is het heel snel: ‘Veel te moeilijk hoor’.”
Moeten jongeren ook niet zelf uit de Bijbel lezen?
“Zeker wel. Ik vraag me echter af of ze het doen. Of ze ook bidden. Als kind had ik zelf niet de gewoonte om Bijbel te lezen. Mijn vriend ging op een gegeven moment over van de Gereformeerde Gemeenten naar de pinksterbeweging. Sindsdien had hij altijd een Bijbel bij zich. Hij zat daarin te lezen in de bus, in de trein, thuis – Bijbelstudie. Woorden onderstreept. Groen. Geel. Rood. Zo ben ik op het spoor van persoonlijk Bijbellezen gezet. Natuurlijk had mijn vader ook wel gezegd: ‘Dat moet je doen’.”
U schrijft over de uitleg van de Bijbel.
“Over schriftuitleg is er eigenlijk niets in eigen kring. Buiten onze kring wel, zoals prof. J. van Bruggen, waar ik erg veel waardering voor heb. Ik wil onze eigen kring dienen door een poging te doen voor een bezinning op de uitleg van de Schrift.”
U gaat uitgebreid in op stijlfiguren in de Bijbel. Welke stijlfiguren zijn heel belangrijk?
“Heel belangrijk is dat jongeren snappen dat de Bijbel geschreven is in de oosterse wereld. De oosterse mens heeft een veel beeldender taalgebruik dan wij. Hoeveel gelijkenissen en metaforen komen niet voor? Ik zal tot God, mijn steenrots spreken. Gij zijt mijn burcht, mijn hoog vertrek. Heel belangrijk is ook: wat is nu precies vergeestelijken? Bijvoorbeeld als het gaat over het komende vrederijk. Zijn de wolf en het luipaard uit Jesaja straks échte dieren of is dat beeldspraak? Beeldspraak is iets anders dan vergeestelijken. Is een uitleg van Hooglied als doorlopende allegorie een vergeestelijking? Nee, want het is zo bedoeld. Anders was het nooit in de canon gekomen.”
Hoe werkt de typologische uitleg?
“Waar we lijnen in de oudtestamentische kinderen Gods ontdekken die naar Christus wijzen, spreken we van typologie. Maar typologese is het andere uiterste. Dat wil altijd en overal typen van Christus zien. Nee: Jozes is duidelijk, Juda ook, Zebulon niet.”
Kan de typologie niet doorschieten in vergeestelijken?
“Ja, bijvoorbeeld in het boek Ruth. Boaz is een type van Christus. Maar je moet het boek Ruth in de eerste plaats zien als een heilshistorisch boek. De vraag waar het in het boek Ruth om gaat, is níet hoe God een mens bekeert. Maar de vraag is hoe een heidens meisje een moeder van Christus wordt. Dat is ook de lijn van Mattheüs 1. Verder mag je het boek Ruth zien als een analogie – geen allegorie – van het geestelijk leven. Dan moet je heel nauwkeurig formuleren, zodat beeld en werkelijkheid niet door elkaar gaan lopen. Je moet niet vragen: ‘Kende Ruth Christus al toen ze in Bethlehem kwam?’ Je mag wel zeggen: ‘Toen ze in Bethlehem kwam, kende ze Boaz nog niet. Zo kan het ook in het genadeleven zijn dat een zondaar wel op de akker van het Woord komt, maar Christus nog niet kent’.”
Wat zijn de stappen in de uitleg van de Bijbel?
“Iedereen die op de jeugdvereniging een inleiding moet houden, staat voor de vraag: hoe pak ik het aan? Stel je voor: Ik wil een inleiding of een preek houden over de gelijkenis van de zaaier. Dan moet je eerst zoeken naar de kleinste eenheid van exegese. Wat is het verband? Welke teksten horen erbij? Dan blijkt dat de verklaring van de gelijkenis van de zaaier door de Heere Jezus een heel eind verder staat in het hoofdstuk. Dat hoort er dus wel bij… De tweede stap is: lezen in de oorspronkelijke talen, als dat kan. De derde stap is: lezen wat er staat. Dat is heel moeilijk. Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. Er staat: ‘een zaaier. Niet: ‘de zaaier’. Dat woordje ‘een’ betekent dat de persoon van de zaaier er niet toe doet. Hier kun je dus elke dienaar des Woords invullen. Als vierde stap moet je vragen stellen aan de tekst. Wat heb ik nu gelezen? Ons probleem is soms de onkunde, maar soms ook de overbekendheid. We kennen allemaal Lukas 2: 1-7 bijna uit ons hoofd. Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrénius over Syrië stadhouder was. Waarom wordt Cyrénius nu genoemd? Wat heeft Syrië te maken met Nazareth en Bethlehem? En dan vervolgens de antwoorden zoeken. In het boek probeer ik met de praktische voorbeelden te laten zien hoe de stappen toegepast worden. In alle bescheidenheid. Soms weet je het antwoord gewoon niet. Dan kun je dat beter eerlijk toegeven. Ik weet nog steeds niet wat het teken van Kaïn is (Genesis 4: 15). En wat de Urim en de Tummim zijn, weet ik ook niet zeker.”
Maar u komt wel tot de conclusie dat de wijzen uit het oosten bekeerd waren.
“De ‘nevenfiguren’ bij de kribbe noem ik ze. Het is als bij de nachtwacht van Rembrandt: die lichtende gestalte en daaromheen die schutters, in het donker. Zo is het bij de kribbe: het Kind in het licht, de nevenfiguren wel herkenbaar, maar niet in het licht. Je hebt er maar een paar, maar ze zijn er wel. Oud – Anna, jong – Maria. Jood – herders, heiden – wijzen uit het oosten. Een hele kerk zie je daar ontstaan. Dat geeft mij de vrijmoedigheid om te zeggen: die geschiedenis staat niet voor niets in de Schrift. De wijzen hebben meer gedaan dan uitwendige hulde betonen aan een buitenlandse prins. Ds. G.H. Kersten dacht daar anders over. De belangrijkste vraag voor ons is ook niet of die wijzen uit het oosten kinderen van God waren. Het gaat om het beschamende voorbeeld van de wijzen. Zij zagen een ster en zij kwamen. Wij hebben de hele Schrift. En komen wij?”
ds. A. Moerkerken, Zin en mening: Een bezinning op de uitleg van de Heilige Schrift (Houten: Den Hertog) ISBN 9789033123436; 192 blz.; € 15,90.
Lezen wat er staat
Goed lezen is niet makkelijk, aldus ds. Moerkerken. Hij geeft een paar voorbeelden. “Als je de zin verkeerd begrijpt krijg je een betekenis die precies tegengesteld is.”
“Mag ik even? Als je je Bijbel nu eens open doet. Psalm 45: 8. Daar staat: Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd. Wie is het onderwerp en Wie is hier lijdend voorwerp? Heel wat mensen zeggen: ‘U’ is onderwerp. Maar dat is niet zo. ‘Uw God’ is onderwerp, dat is de Vader. En ‘U’ is Christus, Die gezalfd wordt en Die hier ook God genoemd wordt. Als je de zin verkeerd begrijpt, krijg je een betekenis die precies tegengesteld is.” “Of neem nu Ezra 4. Dat hoofdstuk blijkt een opsomming van plagerijen die de Joden bij de herbouw van Jeruzalem hebben ervaren. Vers 5: En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Daríus, de koning van Perzië. Vers 6: En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin van zijn koninkrijk, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. Tussen vers 5 en 6 blijkt een tijdsgat te zitten van veertig jaar… Dan komt vers 7: En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tábeël en de overigen van zijn gezelschap aan Arthahsasta, koning van Perzië; en het schrift van de brief was in het Syrisch geschreven en in het Syrisch uitgelegd. Tussen vers 6 en vers 7 zit weer een gat van veertig jaar. Lees je deze verzen achter elkaar, dan heeft niemand dat in de gaten. Daarom is voorbereiding nodig. Dan zeg je: ‘Jongens, in vers 5 gaat het over de terugkeer uit Babel. Vers 6 laat zien dat veertig jaar later nog niets veranderd was en vers 7 laat zien dat het tachtig jaar later nog steeds zo was.’”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 2010
Daniel | 36 Pagina's