Geen geld
“Een feestje kost me geld voor een cadeau en dat heb ik gewoon niet”
Stel je voor: het is november. Buiten is het koud. Je draagt nog steeds je zomerjas. Je schoenen zijn te groot. Vanavond eet je macaroni. Gewoon kaal, zonder vulling. Voor de derde keer van de week… Aantrekkelijk? Niet echt. Toch is het voor heel veel jongeren in Nederland werkelijkheid.
Nederland is een van de rijkste landen ter wereld. Welvaart lijkt vanzelfsprekend. Toch leeft zo’n 12 procent van de jongeren onder de 18 jaar onder de armoedegrens. Dat zijn ongeveer drie kinderen per klas. En: ieder jaar worden het er meer… Leven onder de armoedegrens betekent: leven van een bedrag dat lager is dan het minimuminkomen. Dat minimuminkomen stelt de overheid vast. Armoede in Nederland betekent dat er kinderen met honger naar bed gaan, dat ze tweedehands kleding moeten dragen en dat ze ’s winters Geen geld in de kou zitten. Maar opgroeien in armoede betekent ook dat je niet mee kunt doen aan de samenleving, zoals de meeste jongeren. Dat gaat om meer dan eten en een dak boven je hoofd. Het gaat dan bijvoorbeeld om lid kunnen zijn van een muziekvereniging, een mobieltje hebben, cadeautjes kunnen kopen, meepraten over vakantie.
Geen cadeau
“Dat je geen geld hebt, is niet het ergste. Het ergste is dat je er niet bij hoort. Vaak kun je niet meedoen of meepraten met anderen,” vertelt Anne Bakker (15). “Dat voelt akelig. Voor veel dingen hebben we thuis geen geld. Zomaar shoppen of op vakantie gaan, is er niet bij. Zelf heb ik een baantje en daar betaal ik mijn spullen van. Ik kan er net mee rondkomen. Het is echt heel goed oppassen met wat ik uitgeef. Vaak verzin ik ook iets om ergens onder uit te komen. Een feestje bijvoorbeeld. Dat kost me geld voor een cadeau en dat heb ik gewoon niet.”
Het gaat toch niet om het kado?
“Dat is wel zo, maar je komt toch niet met lege handen aan als alle anderen wel iets bij zich hebben. Ik ga echt niet zeggen dat ik daar geen geld voor heb. Dan zet ik mezelf voor schut. Bijna niemand weet dat we het thuis arm hebben. Op school niet tenminste. Dat ga ik niet veranderen.”
Krijgen jullie thuis hulp?
“Ja, van familie of kennissen krijgen we bijvoorbeeld soms kleding. Afgelopen kerstvakantie werd er een kerstpakket bezorgd, zomaar. Vanuit de kerk krijgen we ook hulp. Soms komen er diakenen op bezoek, maar daar zijn wij als kinderen niet bij. We hebben de hulp nodig – en het is ook wel fijn – maar soms baal ik er zo van. Ik zou dolgraag willen dat het niet nodig was. In ieder geval wil ik echt niet dat iemand ervan weet.”
Hulp bieden
Op zondag stop je geld in de collectezak. De kerk gebruikt dat geld bijvoorbeeld voor gemeenteleden die hulp nodig hebben. “Tijdens het huisbezoek vertellen mensen soms dat ze bepaalde moeilijkheden hebben,” vertelt diaken B. Jansen. “Mensen doen dat meestal niet zo snel, maar het gebeurt wel. We bespreken dan met de kerkenraad hoe we hulp kunnen bieden. Ook als er in een gezin iets gebeurt, de vader bijvoorbeeld zijn baan verliest, vragen we namens de diaconie of we op een of andere manier kunnen helpen.”
Op welke manieren helpen de diakenen?
“We kunnen financiële hulp bieden. Dan geven we geld. Bij grote bedragen gaat dat vaak in de vorm van een lening. Soms geven we een advies of spullen. Bijvoorbeeld als de koelkast kapot gaat, terwijl er geen geld is om een nieuwe te kopen. Dan kunnen we aan een andere koelkast helpen. Maar de diakenen komen niet alleen met ‘de uiterlijke gift’, zoals in het formulier staat voor de bevestiging van ambtsdragers. Tijdens een bezoek bieden we een luisteren oor. Laten we de mensen voelen dat ze bij de gemeente horen. Bovenal mogen we troost geven vanuit de Bijbel en de noden aan de Heere opdragen in het gebed.”
---
Geen computer
“Is er iets?” Met een klap slaat Mark de deur dicht. Hij laat zich op de bank ploffen. Met een felle blik kijkt hij z’n vader aan. “Het is belachelijk dat we geen computer hebben!” “Wat is er gebeurd?” vraagt vader verbaasd. “Ik dacht dat je dat begreep.” Natuurlijk begrijpt hij het wel, maar soms kan hij er gewoon niet tegen. “We moesten voor Nederlands een opstel schrijven,” zegt hij. “Dat moesten we dan mailen. Ik dacht, ik schrijf het wel op en dan neem ik het vandaag mee.” “Dat is toch ook goed?” vraagt vader. “Nee, het was helemaal niet goed. De leraar snapte er niks van. Hij bleef maar doorzeuren. Dat iedereen toch een computer had, dat je die nodig had voor school en dat soort dingen.” “En toen heb je de waarheid verteld?” Mark schudt zijn hoofd. “Ik heb helemaal niks gezegd. Waarom zou ik? Ik ga echt niet vertellen dat we daar geen geld voor hebben…”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2010
Daniel | 36 Pagina's